Naar de inhoud

Weg van Mike Bond naar eventueel profbestaan als wielrenner heuvelachtig (foto)

Bron: NIVO

Weg van Mike Bond naar eventueel profbestaan als wielrenner heuvelachtig
Hij is bezig aan een over enkele jaren uitgestrekte bergetappe met enkele cols van de buitencategorie. Mike Bond (18) schaarde zich ondertussen bij de meest belovende wielrenners van ons land, maar groeistuipen, botbreuken en een pas laat ontdekte ziekte van Pfeiffer wierpen hem steeds terug in zijn ontwikkeling. Als lid van de nationale selectie bij de beloften is hij na de zomer van vorig jaar neergestreken op Papendal en zit hij ‘intern’. En heet geduld het toverwoord.

Het is weekend, dus hij is even thuis, terug tussen zijn ouders, die hem onlangs voor het eerst sinds enige tijd weer opzochten in zijn kamer op Papendal, waar hij een optrekje deelt met andere studerende sporters. Op de vraag of hij al een beetje zelfstandig geworden is, schuift hij die door naar zijn moeder. ,,Ik heb er wel even een borsteltje doorheen moeten halen, maar het viel mee”, zegt zij.

,,Je mag het niet doen, maar als ik mezelf vergelijk met anderen, dan ben ik netjes”, vult zoonlief aan. Hij ziet zichzelf niet zozeer als student, meer als sporter. ,,Op dit moment ligt de studie ook even stil. Ik deed biomedische wetenschappen en dacht dat ik daar wat langer over kon doen. Mijn coaches moedigden me ook aan daarvoor te kiezen. Maar er is zoveel aanwezigheidsplicht qua uren, dat is minder goed te combineren met het wielrennen.”

Praktijkgericht
In augustus vorig jaar trok hij naar het Arnhemse. ,,Kon ik alvast wennen aan het leefpatroon. In september begon de studie. Ik denk dat ik nu mezelf wil richten op Toegepaste Psychologie. Dat is een HBO-opleiding en meer praktijkgericht.”

Vader Cor, ook liefhebber van natuur en sport, onderbreekt even. ,,Het is echt een prachtige omgeving waar hij zit. Elke keer wanneer ik er kom, heb ik een vakantiegevoel.” Mike: ,,Onlangs reed ik eens een ander rondje en had ik echt het gevoel dat ik in de Ardennen was. Echt een ideale omgeving.”

In dat decor hoopt de Volendammer te zaaien voor de volgende oogst. Die leek al binnen handbereik, maar fysiek ongemak zorgde voor seizoenen met beperkte opbrengst. In 2007 brak hij al een elleboog bij een onschuldige draai en val op de fiets, met zes kilometer per uur. ,,Daarvoor had ik al groeiproblemen, die zich lieten voelen in mijn knie.”

Toch gaf het kalenderjaar 2007 hem de bevestiging dat de mogelijkheden er zijn dat een profcarrière in het verschiet ligt. ,,Als eerstejaars junior vloog ik er als het ware in en had ik een paar goede uitschieters. Zowel in tijdritten als in wegwedstrijden.”

Bond viel dermate op, dat hij gevraagd werd om tijdritten op de baan te komen rijden en voor de achtervolging. ,,Via Yannick Lefebvre van sportcentrum Atlas kwam ik bij trainer Ruud Jacobs terecht. Door middel van een programma met onder meer krachttraining ging ik een stuk professioneler aan de slag. Ruud weet echt waarover hij praat.”

Op het NK Baan voor junioren in december 2007 eindigde hij als derde. ,,De dag erna zou ik ook de koppelkoers rijden, maar had ik veertig graden koorts.” Hij werd geselecteerd voor de nationale baanselectie, maar werd weer ziek. ,,Ze testten mijn bloed drie keer, maar niet op de ziekte van Pfeiffer, die ik, zo bleek maanden later, al eerder had opgelopen. En ik was zo verschrikkelijk gretig. Wilde alles tegelijk: hard koersen, veel trainen en tegelijkertijd mijn VWO-opleiding afmaken. Dat ging een beetje de mist in…”

Parijs-Roubaix
In die zin dat Bond wel slaagde voor zijn diploma, maar op de fiets haperde het. ,,Eigenlijk keek ik in december 2007 na mijn rit op het NK, waar ik als derde zou eindigen, al mijn begeleider aan en wisten we allebei dat ik harder kon. Maar het ging niet. Toen al zag ik de renners met Oranje-pakken en dacht ik ‘daar wil ik bij horen’.”

Toen dat eenmaal zover was, ontving hij tevens een invitatie voor de klassieker Parijs-Roubaix bij de junioren. ,,Dat was een droom voor mij. Op die kasseien, met al die elementen, slecht weer, daar houd ik van om dan te koersen. Ik wilde geen ‘nee’ zeggen, maar kon niet, omdat ik niet in goede staat was.”

Het bleef kwakkelen door de naweeën van Pfeiffer. ,,Daardoor was het vertrouwen in mezelf flink aangetast. In de Classique des Alpes dacht ik iets goeds neer te kunnen zetten, maar moest ik blij zijn dat ik hem uitreed. Mijn houvast was dat ik enkele keren tijdens een klassieker in de top-tien eindigde.”

Na de laatste zomer belandde hij op Papendal, als lid van de Talentengroep van de nationale selectie: de Koga Creditforce-ploeg, in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Wieler Unie. Hij kreeg een contract voor twee jaar. ,,Ik moest er aanvankelijk wennen aan de trainingsvormen. Heb er meteen goede gesprekken gehad. Door de problemen die ik had, heb ik aangegeven dat het beter was me voorlopig te laten richten op de tijdrit. Dat is wel intensief, maar korter. Ondertussen had ik goede momenten, maar om de twee weken nam ik een rustweek en voelde ik me ziekig. Ik begon nog wel goed, maar reed telkens een seconde langzamer op eenzelfde afstand.”

Het meest recente NK voor de beloften in december bracht een nieuwe desillusie. ,,In de voorbereiding werd ik weer ziek en op de eerste dag van het NK voelde ik me als een slappe dweil. Had weinig moraal, maar mentaal ben ik goed getraind en een kwartier voor de race lukt het me goed om alles van me af te zetten. Alleen kon ik tijdens de wedstrijd niet zijn op de plaats waar ik moest zijn. Ik wist in welk wiel ik moest plaatsnemen, maar kon niet. Ik had me bij de eerste acht moeten rijden voor kwalificatie, maar ik plaatste me bij lange na niet.”

Nachtmerrie
"
Een dag later deed ik toch mee aan de achtervolging. Dat werd een nachtmerrie, maar ik vond het van mezelf al knap dat ik me ervoor had kunnen opladen. Zo’n NK wordt gebruikt om daarna door te gaan op de weg, maar ik diende eerst een week rust te nemen. Inmiddels ben ik weer twee weken bezig, werk ik veel met de inspanningsfysioloog. De eerste koersen zullen in maart, april zijn.”

Regelmatig kent de Pfeiffer een opleving en moet hij het bezuren. ,,Ik moet ervoor zorgen dat ik niet over een mindere dag in ga zitten, dan moet ik gewoon mijn ding doen op de training. Soms heb je het gevoel dat je niet vooruit komt. Dan pak ik wel eens de beelden erbij van de documentaire van de TVM-schaatsploeg. In trainingskamp zie je die schaatsers flink afzien. Ook zij hebben dan het gevoel dat ze ziek zijn of worden en niet vooruit komen, maar kijken dan naar de Olympische ringen en daar halen ze kracht uit. Dat maakt je weer scherper en daardoor kun je je training beter uitvoeren.”

,,Het wielrennen loopt sowieso op achter bij de schaatsers. De wielerploegen zijn vooral commercieel gericht bezig, die TVM-ploeg bijvoorbeeld, daar hebben de schaatsers samen een doel, dan komt het commerciële vanzelf.”

,,In het wielrennen zijn ze vooral met zichzelf bezig, vragen ze niet aan elkaar wat de ander doet. Gelukkig zit ik bij de huidige groep in het goede molentje. Dit team is aan het vernieuwen, aan het veranderen, hoewel ik niet wil zeggen dat al het oude slecht is. Maar de begeleiding en ik hebben dezelfde ideeën over wat voor type renner ik ben en in welke wedstrijden ik moet rijden voor mijn ontwikkeling. Door mijn huidige situatie moet ik zelf goed aangeven welke wedstrijdplanning ik aankan. Op dit moment weet ik immers totaal niet waar ik sta. Ik ben normaal gesproken een renner voor de voorjaarsklassiekers, maar of ik die straks in goede vorm ga halen…”

Vastklampen
,,Ik mag niets verwachten, want ik ben weer eerstejaars bij de beloften. Maar ik wil iets van vorm voelen, daar train ik voor. Geduld is het belangrijkste en jezelf vastklampen aan goede momenten. Vertrouwen houden is tegelijkertijd het moeilijkste. Je weet dat je niet presteert vanwege de ziekte. Toch knaagt het aan je en vraag je jezelf soms af, of ik het echt ga redden.”

Hij praat veel met zijn trainers. ,,Die hebben ook bewegingswetenschappen in hun pakket en dat vind ik interessant. Eén van mijn trainers, de onlangs gestopte wielerprof Thorwald Veneberg, heeft hetzelfde meegemaakt. Door een veel later geconstateerde Pfeiffer heeft hij zelfs zijn carrière moeten beëindigen. Bij hem zeiden mensen om hem heen dat het waarschijnlijk tussen zijn oren zat. Ik zit in hetzelfde schuitje als hij destijds en dat weet hij. Anderen kunnen je een stempel geven, terwijl je jezelf al stempeltjes geeft.”

,,Het is zo frustrerend dat je bijvoorbeeld in de aanloop naar een NK je trainingsmaatjes verslaat en dan op het grote moment niet harder kan. Dan moet ik maar kracht halen uit het feit dat ik bepaalde jongens, die nu contracten krijgen bij grote ploegen, eerder verslagen heb. Ik ben blij dat de coaches positief blijven, dat is een groot voordeel. Anders had ik nu misschien geen ploeg meer gehad.”



Foto: Mike Bond: ,,Vertrouwen houden is tegelijkertijd het moeilijkste. Je weet dat je niet presteert vanwege de ziekte.”

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.