Raadsel na 65 jaar opgelost (foto's)
VD67 en VD106 haalden in 1944 drie piloten uit het water maar wisten nooit wie het waren
Door Nico Kwakman (Bol), D. Steurhof 143.
Klaas Kwakman (Drop) weet het nog als de dag van gisteren . Hij was toen 14 jaar oud en erbij, maar feiten en namen werden nooit bekend. Zeer geïnteresseerd in z’n verhaal doken de families Kwakman en Schilder (VD64) er nog eens in en een Volendams en Amerikaans oorlogverhaal kwamen samen. Een reconstructie:
De VD67 en 106 in de oorlog
Schipper van de VD67 was Jaap Kwakman (Bol), geboren in 1900. Aan boord was zijn zoon Klaas (Drop) van 14 jaar. Klaas is nu 79 jaar oud en woont in de Beukenlaan. Knecht was Jaap’s jongere broer Klaas Bol die toen 31 jaar oud was en woonde op de Kathammerstraat 74.
De VD106 werd gerund door schipper Klaas Klouwer, bijnaam Claus van Janke. Ook hij had een zoon aan boord, dat was Jan Prent van 17 jaar. Knecht was Sijmen van de Jent, uiteindelijk vader van een groot gezin waarvan sommigen nu op Urk wonen.
Samenwerkende zwagers
Jaap Bol zijn eerste vrouw was voor de oorlog overleden en hij trouwde voor de tweede keer met z’n huishoudster, dat was een zuster van Claus van Janke. De beide schippers waren dus zwagers en visten met elkaar of bij elkaar in de buurt.
De VD106 ving echter veel meer vis dan de 67, vaak het dubbele. De 67 leende zelfs een goede kuul van de 106 in een poging te kijken waar het nou aan lag, maar Claus van Janke bleef aanzienlijk meer vangen. Een groot gedeelte van beiden vangsten werd buiten de boeken en de Duiters gehouden en zwart verkocht. De opbrengst werd gedeeld. Jaap wilde op een gegeven moment de helft van het geld niet meer omdat z’n zwager elke keer zoveel meer vis inbracht dan hijzelf. Hij vond dat hij er geen recht meer op had. Claus weigerde echter iets te veranderen. Hij beschouwde ze als een team in moeilijke tijden en hadden elkaar nodig.
De knechten in de zwarte vis
De illegale vis moest naar de Gooise kust bij Huizen worden gebracht. Daar werd telkens 1 botter voor gebruikt, de ene keer de 67, de andere keer de 106. De schippers waren ouder en voorzichtiger en bleven achter op de op zee wachtende botter.
De knechten Klaas Bol en Sijmen van de Jent voeren naar de kust waar ze dan een bootje tegenmoet kwam waarop de vis stiekem werd overgeladen. De man die de vis elke keer aanpakte was Gerrit Verwelius, later een succesvol aannemer.
Een keer was het een ander bootje dat hun tegenmoet kwam. Klaas Drop: Klaas Bol zei toen tegen Sijmen “pak een dol en als het fout zit slaan we ùs eruit”. Gelukkig ging het goed en was het toch Gerrit.
Vliegtuig en parachutes!
De twee botters waren op weg naar de thuishaven, toen ze plotseling een brand-end vliegtuig door het dichte wolkendek zagen vallen. Parachutes zakten door de wolken en de mannen eraan vielen in het ijskoude water. “Daar gaan we naar toe”, riep knecht Klaas Bol, maar z’n oudere broer en schipper Jaap vond het te link. Hij vreesde de Duitsers door geintjes die ze op andere schepen hadden uitgehaald en merkte aan Klaas op dat ze samen 10 kleine kinderen hadden. Maar Klaas zette door en erregeweurend met elkaar startten ze het motortje en koersten naar de piloot die het dichtste bij lag. Ook de VD106 was er op afgegaan.
Uitkijkpost Warder
Wat niet zo bekend is, en in die tijd helemaal niet bij de vissers, is dat de Duitsers een uitkijkpost hadden gebouwd aan de dijk tussen fort Edam en Warder, waarschijnlijk op de bovenverdieping van een huis. Hun werk bestond er o.a. uit die kant van het IJsselmeer 24 uur per dag te observeren. Uitzicht was goed met links Hoorn en de Nek, rechtvoor het IJsselmeer, rechts haven Edam en de ingang van de Gouwzee tot het Paard van Marken. De post werd bemand door de gevreesde Duitse SD (Sicherheits Dienst) en was ingekwartierd in de Raadhuisstraat in Oosthuizen. De activiteiten van de VD67 en de 106 vonden die dag vlak onder hun neus plaats. Er zijn geen schriftelijke Duitse verslagen bekend, maar waarschijnlijk zullen zij alarm hebben geslagen (als de Wasserschutz-polizei het al niet zelf gezien had).
Piloten aan boord
Klaas Drop: “het was baistewerk om ze met die zware pakken aan boord te krijgen, aerst de ien en daarna de oar”. Achteraf was de eerste man co-piloot 2Lt. Russell Anderson en de tweede die aan boord werd genomen was de piloot 1Lt. Hubert R. Cripe. Verder weg had de VD106 ook een piloot aan boord gehesen, dit was de navigator 2Lt. Spike Dallacqua. Dankzij Sijmen Kroon, jeugdvriend van de overleden Jan Prent weten we iets van deze vliegenier. Hij was zo dankbaar dat hij z’n hele portefeuille aan Claus van Janke gaf. Er zat erg veel briefgeld in. Dallacqua’s voornaam was eigenlijk Homer. Z’n jongste zoon schreef dat in een email. Z’n vader wilde liever Spike genoemd worden, “for obvious reasons”.
In Volendammer goed
Aan boord van de 67 kregen de drijfnatte en verkleumde piloten een baai aan en werden in de kooi gestopt. Klaas Drop: “Klaas Bol wou ze in de Volendammer haven aan Hein van Madoet overhandigen, maar in de verte kwam er een Duitse motorboot op volle snelheid anvaren. Het motortje gaf de zware houten botter niet veel gang en in vergelijking met de Duiters leek het wel of we stilstonden… Bij de hoek bij Henk Kras waren ze bij ùs en schoten met een mitrailleur over de mast en zeilen heen om ùs te laten stoppen”. Ze kwamen langszij en woest kwamen de Duitsers aan boord. Hubert Cripe: “the boat was innundated by the Boche” (de boot werd overspoeld door de Moffen, NK). Volgens Klaas Drop was de Duitse kapitein erg boos “Het oppikken van piloten was een zaak van alleen de Duitse marine! Hoe durfden vissers zich daarmee te bemoeien!”. De Amerikanen werden onderdeks van de Duitse boot gebracht. Claus van Janke had op het laatste moment de portefeuille van ‘zijn’ piloot aan de Duitse kapitein gegeven. Hij dorst ‘m niet te houden.
Burgemeester van Baar
In de haven werden Jaap en Klaas Bol onder arrest gesteld. Het feit dat Cripe en Anderson met Volendammer goed waren aangetroffen werd niet door de Duiters op prijs gesteld. Volgens de Duitse officier konden ze zich opmaken voor Westerbork. Jaap onderging al biddend de situatie. Op een geven moment kregen ze beiden 1 uur de tijd om wat spullen van huis te halen. Daarna moesten ze zich weer op de haven melden. Oudste kind Klaassie Bol jr. was thuis toen ze teruggingen naar de haven: “m’n oom Jaap was an en m’n moeder Hille was ellegaor over d’r toeren”. Toen ze aankwamen op de haven stond daar Burgemeester van Baar met de Duitse officier te praten. Het lukte hem om de beide vissers vrij te krijgen.
Jaap en Klaas hebben daarna nog heel veel piepers van Friesland naar het Gooi gevaren en als laatste avontuur hebben ze in Friesland nog enige tijd aan reparatie van vliegveld Leeuwarden moeten werken.
Na de oorlog
Al snel na de bevrijding in mei 1945 arriveerden 2 Amerikaanse officieren die de vissers ondervroegen over de reddings-actie. Maar namen waren niet bekend, vliegtuigtype niet, niets. 2 jaar later kwam een brief waarin stond dat piloten nog steeds onbekend waren en dat ze waarschijnlijk niet levend uit krijgs-gevangenschap waren gekomen en zodoende hun verslag niet hadden kunnen doen.
De vissers kregen geen oorkonde zoals Dick Doede die voor het moedige wegwerken van de piloot bij Boer Beets (Middengebied) wel had gekregen. Niet dat de vissers daarmee zaten, maar toch.
In de archieven van justitie in Amsterdam ligt een melding van de redding door de VD67 en 106 van schipper Klouwer, maar namen worden verder niet genoemd. Dit is bekend dankzij luchtoorlogonderzoeker Jon van der Maas van de stichting ARG.
Zoektocht
Veel boeken, archieven, publicatie
s en internetsites werden de afgelopen jaren onderzocht op aanwijzingen wie de piloten geweest konden zijn, maar nergens wordt de actie van Volendammer vissers genoemd. Gelukkig bleken er nog een aantal familieverhalen over ‘dé piloot’ op het dorp te circuleren. Omwille van het onderzoek werden verschillende oudere dorpsgenoten hierover geinterviewd (dank). Prachtige en vaak onbekende verhalen over dit toestel en andere vliegtuigen en parachutisten kwamen naar boven. Over de andere piloten een andere keer (wordt nog aan gewerkt). Uiteindelijk bleken de verhalen op het dorp over minimaal 5 verschillende vliegtuigen en 7 piloten te gaan. Er was nu genoeg info om een conclusie te kunnen trekken: van alle ca. 400 in het IJsselmeer neergestortte vliegtuigen leverde er 1 de beste ‘match’ op: de B-24 van piloot Hubert Cripe. Echter, in alle boeken staat: gered door Duitse boot… dat bleek niet korrekt!
Doorbraak
Doorbraak kwam in de vondst van het verhaal ‘the Rough Edges’ (deels hiernaast afgedrukt en vertaald). Op de site van het onderdeel van Cripe, de 453ste Bombgroup staan 28 van hun oorlogsverhalen. Op een regenachtige zondagmiddag aangekomen bij het 23ste verhaal viel op de laatste bladzijde m’n mond open. Niks Duitse boot! Je proeft bijna dat je aan boord van de 67 bent. Het verhaal van Klaas Drop en Hubert Cripe is identiek.
Begin 2007 werd op de site een bericht achtergelaten om tot verdere bevestiging te komen. De kinderen van Anderson en ‘Spike’ Dallacqua reageerden dankbaar en uitvoerig. Russ Anderson heeft altijd contact met Hubert Cripe gehouden en is in de 80-er jaren overleden. Spike Dallacqua heeft nog reunies bezocht en is 3 jaar geleden overleden.
Contact met Hubert Cripe
Een paar weken geleden zat mevr. Tina Fleming in de kerk in een klein stadje in de staat Illinois, USA. Naast haar zat een oudere man (88) waarvan ze wist dat hij oorlogsveteraan was geweest. Ze besloot z’n naam eens te Googlen en kwam op het Volendammer bericht op de site. Tijdens een diner las ze alles aan hem voor en hij heeft inmiddels een handgeschreven dank-brief gestuurd (hij heeft geen computer).
In 1946 is Hubert Cripe getrouwd, boer geworden en altijd gebleven. Hij heeft kinderen, kleinkinderen en achter-kleinkinderen, is nog in goede gezondheid en loopt nog elke dag in z’n blue jeans.
Met dank aan: Jan Kes, Kees Doede, Jan Tol, Kees Veerman, Ton Out, Cas Schilder, Fam. Stoop, Siem Kroon, Klaas Kwakman, Jan Jansen, Jan van Boer, Jon van der Maas, Wenda Kwakman.
1 Piloot H. Cripe beschreef in 1944 zijn laatste missie
In krijgsgevangenkamp Kgf. Lg. d. Lw. I (Kriegsgefangene Lager der Luftwaffe I), beter bekend als STALAG LUFT I, zette Cripe zijn laatste vlucht en redding op schrift. De inkt is inmiddels vervaagd en het papier geel, maar een getypte versie staat op de 453rd BG site bij ‘History of the 453rd BG’ onder ‘The Rough Edges’. De overeenkomsten met het verhaal van Klaas Kwakman (Drop) zijn opmerkelijk. Dit zijn passages uit The Rough Edges, letterlijk vertaald vanuit het Engels:
6 maart 1944. Elke B-24 was voor de verre trip zwaar beladen: 2700 kg bommen, 10200 liter benzine plus 10 man en munitie voor 10 machinegeweren, het totaal was bijna 32 ton. Boven was het vol B-24 en B-17’s, alsof de hele 8th Airforce in de lucht was voor deze aanval. Boven ons vlogen onze escortejagers, P-47’s. Later wijzigden die in P-38’s en voor Berlijn in P-51’s. ‘Berlin, here we come’. De Mof had echter de mat met ‘welkom’ omgedraaid en binnen de deur gelegd. Boven het doel was de zwaarste Flak barrage die ik ooit heb gezien. Het was een angstaanjagende grote zwarte wolk met exploderende granaten, al vanaf 80km zichbaar.
Tussen de Flak lieten we de bommen op het doel vallen en draaiden om. Het was erg druk en moest in de verwaaide formatie positie innemen naast Lt. Tobin’s B-24 die 1 motor uit had. Achteraf fout want we raakten daardoor achterop. Er waren vijandelijke jagers in buurt en we waren kwetsbaar met z’n tweeën! Moest ik Tobin verlaten en proberen bij de formatie te komen of Tobin bescherming verlenen? Die vraag deed er niet meer toe want plotseling hoorde ik explosies in onze kist. We waren geraakt! Uit het zijraam zag ik een ME-109 van achter komen en gracieus naar links wegdraaien, zijn zwarte kruizen duidelijk zichtbaar. Een 20mm kogelgat in onze linkervleugel spuugde vuur van brandende benzine. Met een duikvlucht probeerde ik het te doven, maar zonder succes. Bij de Nederlandse grens begonnen we hoogte te verliezen, de vlammen laaiden op. We gingen het niet redden! Ik drukte op de alarmbel, het signaal om te springen.
Dineen sprong door het neuswiel luik. Spike lachte en zwaaide vanuit zijn navigatiekoepel en verdween ook. Russ kwam uit z’n stoel en ging naar achter naar de bomruimte. Ik probeerde nog de auto-pilot aan te zetten maar die functioneerde niet meer. Liep door de radiohut en zag Russ z’n zwemvest aansjorren. Ik dacht dat iedereen haar nu had verlaten. Russ en ik gaven elkaar een hand en sprongen.
Zwevend door de lucht hoorde ik het vliegtuig neerstorten. Toen ik door de wolken heen was keek ik naar beneden. Water. Het was de Zuider Zee en een wrakstuk was nog aan het branden op het oppervlak. 7 parachutes telde ik, inclusief die van mezelf. Ik zal nooit weten wat er met de andere 3 is gebeurd. Op het water waren objecten die ik voor vissersboten hield. Ik plonsde in het water. Wat was het koud! Ik ging onder en kwam proestend boven. Watertrappelend kon ik m’n Mae West reddingsvest keer op keer niet opgeblazen krijgen. God moet m’n stil gebed gehoord hebben want daarna rukte ik de CO2 cylinder open. Het vest vulde zich voor de helft en hield m’n hoofd boven water. Ik rustte even en haalde toen de parachute los die om een been verstrikt zat.
Russ lag 100 meter verder en was ook op. Een van de visserboten kwam langszij en ze hadden hem aan boord eer ik zwemmend de zijkant van de boot had bereikt. De Hollanders trokken me aan boord; een druipend koude, half verdronken man die erg blij was in leven te zijn. Russ en ik schudden handen en we schreeuwden het bijna uit. De vissers waren erg vriendelijk en toen we onze natte kleren uittrokken vroegen ze “drink?” Wij niet bepaald schuchter en zeiden ja, een borrel in gedachten, maar nee, het was water! Wij maar de halve Zuider Zee binnen gekregen en zij wilden weten of we water wilden. Maar goed, zij trokken onze kleren verder uit and stopten ons in bed. Ik denk dat ze zeer bereidwillig zouden zijn geweest om ons terug naar Engeland te krijgen. Maar een Duitse patrouilleboot kwam langszij en nam ons aan boord. In de cabine was Spike. Wij drieën waren de enige overlevenden van Crew 44. Veel later kreeg ik informatie dat de lichamen van de andere 7 man aangespoeld waren in de regio Amsterdam en waren begraven.
Uit Hubert Cripe’s handgeschreven brief van 16-02-2009: De rest was een anti-climax. We werden naar Amsterdam gebracht en eenzaam opgesloten voor 4 dagen. Ik zag Russ of Spike niet meer tot we in Stalag Luft I waren, ca. 100 mijl boven Berlijn. Op het einde zaten daar meer dan 8000 krijgsgevangenen. In juni 1945 was ik terug in de States. 
Foto 1: 6 maart 1944, 15.00u. Amerikaanse bommenwerper B-24 H Liberator 42-52226, 453rd Bombgroup - 734 Bombsquadron in problemen. Op de terugweg van een aanval op de Daimler-Benz vliegtuigmotorenfabriek ten zuiden van Berlijn, wordt op 50 km van de Nederlandse grens de linkervleugel in brand geschoten door een Duitse ME-109 jager. Hoog boven het wolkendek probeert piloot 1Lt. Hubert R. Cripe met een duikvlucht het vuur uit te krijgen. Dat mislukt en de bemanning moet springen. Terwijl Cripe door de lucht zweeft, ziet hij z’n vliegtuig als een brandende vuurbal naar beneden gaan. Wanneer de crew aan hun parachutes door de wolken heen zijn, zien ze dat ze boven ‘the Zuidersea’ hangen. Delen van de B-24 liggen nog brandend op het water. Zo vroeg in maart is het water nog ijskoud. 7 man bezwijken en spoelen in de weken daarna aan. Cripe, co-piloot Russell Anderson en navigator Spike Dallacqua worden een paar km ten oosten van Edam gered. Volgens de boeken door een Duitse boot, maar nu 65 jaar later blijken de VD67 en VDIO6 de redders te zijn. (Montagefoto NK).
Foto 2: Klaas Kwakman (Bol) in 1948. In 1962 richtte hij visbedrijf Diepvries Monnickendam op.
Foto 3: Klaas Kwakman (Drop), toen 14 jaar, nu 79. 
Foto 4: De bemanningslijst.
Foto 5: Aan boord van de VD106. Schipper Klaas Klouwer (Claus van Janke) op de rug gezien. Zoon Jan Prent en Sijmen van de Jent aan de lier. Inzet: Klaas Klouwer (Claus van Janke) Overleden in 1951.
Foto 6: Foto van 1Lt. Cripe H.R. van zijn Duitse krijgsgevangenen Ausweis.