Door: Ewoud Sanders
Vorige week gebruikte ik hier het woord oubollig in de betekenis ‘kneuterig, ouderwets, achterhaald, niet meer van deze tijd’. Diverse lezers wezen mij erop dat die betekenis ontbreekt in de Grote Van Dale. Zij hebben gelijk. Van Dale kent het woord in drie betekenissen: 1. ‘koddig, komiek, zonderling’; 2. ‘min of meer ruw-komisch’ en 3. ‘opzettelijk komisch en daardoor juist flauw’.
Curieus! Zelf gebruik ik oubollig al decennia voor ‘ouderwets’ of ‘kneuterig’, en je kunt makkelijk aantonen dat het tegenwoordig meestal zo wordt gebruikt, maar kennelijk is die betekenis betrekkelijk jong.
Bij nader inzien blijkt oubollig een lange geschiedenis te hebben. Het is voor het eerst opgetekend in 1573, en volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal werd het van de zestiende tot de achttiende eeuw veel gebruikt. Maar, schreef dit wetenschappelijke woordenboek in 1906, ‘thans is het verouderd’.
Nou nee dus! Ook de betekenisontwikkeling van oubollig is opmerkelijk. Waarschijnlijk gaat het terug op het Middelnederlandse abolge, dat ‘verbolgenheid, toorn’ betekent. Vervolgens is het, met betrekking tot personen én zaken, gebruikt voor onder meer: lastig, eigenzinnig, niets ontziend; mal, onverstandig, dwaas; wonderlijk, vreemd, eigenaardig; raar, onbehoorlijk, grappig; kluchtig, koddig om te zien of te horen; vreemd of op een wonderlijke wijze. Ergens is zelfs sprake van „oubollige muziek’’, waarmee werd bedoeld dat die ‘vals’ klonk.