Oeps!
Iedere zaterdagmorgen word ik door mijn vrouw (ja, ik ben tegenwoordig 'de man van' en zie aan Sonja Bakker, waar dat toe kan leiden...) naar de bakker op het Doolhof gestuurd. Wat een nostalgie daar. Een winkeltje uit de tijd dat ik nog zakken chips haalden bij de VIVO in de schoolpauze, kauwgum pikte bij de PKmarkt en mijn voorhuidje iedere avond moest oprekken in een heet bad, omdat het allemaal iets te strak zat. In die tijd kwam ik nog iedere week bij mijn ooitje 'over de vloer'. Daar hadden Geer en Goor ook nog wel een leuk programmaatje kunnen draaien... Lekker voor de gaskachel kijken hoe haar bolle wangetjes na ieder borreltje roder werden. 'Effe un aru gaist kraigu', noemde ze dat dan.
Nou en een andere geest, die kreeg ze. Een gezellige geest. Er ging dan een cassettebandje aan met liedjes van Johnny Jordaan (Jan Dulles speelde toen nog met nopper), en ik en ooitje hadden ons privéfeestje. Het geluk leek eindeloos, maar was vaak van even korte duur als de carrière van Maribelle.
Dan kwamen mijn luidruchtige tantes binnen, en werd de aandacht van ooitje al snel verlegd naar decibel en decibel. Twee vrouwen die ik 'tante' moest noemen. Mijn broer mocht in die tijd al vaak een boodschap doen voor ooitje, maar ik was daar in hun ogen nog te jong voor. Tot die ene dag... Tussen mijn tante en mijn oudere broer kwam een merkwaardig gesprek tot stand. 'Wat denk je, zouden wij Eddy al een boodschap kunnen laten doen?'
"Nou laatst wou hij zijn filmrolletje nog opsturen naar een ontwikkelingsland, dus ik weet niet of dat zo'n goed idee is..." 'Ach, wat kan er nou misgaan. Het is vlakbij en geen mens neemt hem mee met zijn eeuwige '11' uit zijn neus en de op zijn knieën genaaide rode appeltjes.'
"Nee, dat is waar ook. Al bonden wij worsten om zijn nek dan moesten de honden hem nog niet hebben," waarna er een satanisch buldergelach uitbrak. Voor alle duidelijkheid, ik stond daar gewoon bij en heb geen gehoor problemen. Na deze 'vleiende' woorden ging het dan eindelijk gebeuren.
Ik kreeg 1 gulden om een half bruin te halen bij bakkerij Klaas Tol in de Zeilstraat. Trots als Win Keizer op zijn record 'in de Nivo staan' en ik op mijn titel 'Beste Speler van het Pius X toernooi 1995', liep ik de deur uit. Mijn ooitje woonde in de Jozefstraat naast het huis waar nu de Regiobank van Nemass zit. Op die plaats zat vroeger een kruidenierswinkeltje van Klaas Smit, waar vooral zuivel werd verkocht. Vol vertrouwen en met gepaste trots stapte ik deze winkel binnen. "Ik wil graag een half bruin", zei ik met overslaande stem.
Klaas Smit keek mij heel even verbaasd aan, maar riep daarna resoluut naar achteren en kwam terug met een glazen fles pudding uit de koeling, die voor de helft was gevuld met gele pudding en voor de andere helft met bruine pudding. Ik betaalde netjes en liep vol trots terug naar het huisje van ooitje.
Zelfingenomen en met gepaste trots zette ik de fles op het karakteristieke hoogpolige Volendammer tafelkleedje. Al snel maakte de zichtbare verbazing bij ooitje en de rest van mijn familie plaats voor een luid en naar mijn gevoel eeuwig durende schaterlach. Toen sprak ik met een snik in mijn stem de legendarische woorden: "Maar..., maar... je zei toch een half bruintje?"
Tot op de dag van vandaag word ik nog regelmatig herinnerd aan deze 'Moeder aller blunders'. Mijn bijnaam in de familie is nog altijd 'half bruintje'... Nou heb ik rood gestaan bij de bank, een blauwtje gelopen bij Miranda Tol, tranen gehuild en gelachen door oranje, platen van Duran Duran grijs gedraaid, zwart gewerkt en kijk ik al jaren door een roze bril, maar van half bruintje zal ik pas afkomen als ik onder de groene zoden lig...