Naar de inhoud

Don Bosco discrimineert met hoofddoekjesverbod

Bron: Commissie Gelijke Behandeling

Oordeelnummer 2011-2
Katholieke school maakt verboden onderscheid op grond van godsdienst jegens leerling door hoofddoekverbod. Beroep op de wettelijke uitzondering voor bijzonder onderwijs slaagt niet.

Samenvatting
Een leerling van een katholieke school voor voortgezet onderwijs is moslim. Met ingang van het schooljaar 2010/2011 is zij een hoofddoek gaan dragen in verband met haar geloof. Toen de leerling op school verscheen met een hoofddoek is haar de toegang tot de lessen ontzegd. Zij heeft haar schoolwerk bij kunnen houden in de kamer van de afdelingsleider. De school wil de leerling van school verwijderen als zij haar hoofddoek blijft dragen. De school verwijst daarbij naar haar katholieke grondslag en doet een beroep op de uitzondering voor scholen voor bijzonder onderwijs. De school geeft ter zitting aan dat het dragen van een hoofddoek in strijd is met de katholieke identiteit van de school.

De Commissie oordeelt dat daarom sprake is van direct onderscheid op grond van godsdienst. De wet bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden het verbod van onderscheid op grond van godsdienst niet geldt voor een instelling van bijzonder onderwijs. Dit is het geval als een eis of verbod noodzakelijk is om de grondslag van de school te verwezenlijken. Verder moet onder meer sprake zijn van een consistent beleid. De Commissie oordeelt dat de school niet heeft voldaan aan deze voorwaarden. Zo heeft de school eerst gecommuniceerd dat het hoofddoekverbod slechts is ingesteld om één lijn te trekken met het verbod op petjes en mutsen. De school is daarbij niet duidelijk geweest over het verband met haar katholieke grondslag. De school heeft daarom jegens de leerling verboden onderscheid op grond van godsdienst gemaakt.

Volledig oordeel
2011-2
Datum: 7 januari 2011
Dossiernummer: CGB 2010-0296 AP

1 Procesverloop
1.1 Bij verzoekschrift van 18 oktober 2010, dat op 19 oktober 2010 is ontvangen,
heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens zijn minderjarige dochter onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar te verbieden een hoofddoek te dragen op school, zowel tijdens als voor en na de lessen.

1.2 De Commissie heeft op 3 november 2010 de zaak in behandeling genomen en bepaald dat, conform artikel 29 van het Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling, de versnelde procedure wordt toegepast.

1.3 Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
• brief van verzoeker van 9 november 2010;
• e-mail van verweerster van 25 november 2010;
• e-mail van verweerster van 26 november 2010.

1.4 De Commissie heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2010, waar verzoeker, bijgestaan door E. Schaap van Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland, en verweerster, vertegenwoordigd door . . . ., secretaris van verweerster, die werd vergezeld door . . . ., rector . . . ., hierna: de school voor voortgezet onderwijs, en bijgestaan door
. . . ., juridisch adviseur van. . . ., zijn verschenen.
2 Feiten

2.1 De dochter van verzoeker zit in het schooljaar 2010-2011 in de tweede klas VMBO
van de school voor voortgezet onderwijs die onder het gezag van verweerster valt. Verweerster is een stichting voor katholiek onderwijs. Onder de stichting vallen
tien basisscholen en een school voor voortgezet onderwijs waarop verzoekers dochter zit.

2.2 Verzoeker en zijn dochter zijn van . . . . afkomst. Zij zijn moslim.
In het schooljaar 2009-2010 droeg de dochter van verzoeker geen hoofddoek.

2.3 Op 22 februari 2010 hebben vier leerlingen van de school voor voortgezet onderwijs,
onder wie de dochter van verzoeker, de afdelingsleider te kennen gegeven dat zij overwogen om vanwege hun geloof een hoofddoek te gaan dragen.

2.4 Op 15 maart 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden met de dochter, haar beide ouders,
de afdelingsleider en de conrector leerlingenzaken van de school voor voortgezet onderwijs. In dit gesprek is de dochter verzocht geen hoofddoek te dragen tot het bestuur een beslissing heeft genomen.

2.5 Vanaf 30 augustus 2010, de eerste lesdag van haar tweede schooljaar, is de dochter van verzoeker in verband met haar geloof een hoofddoek gaan dragen. Vanaf die datum heeft de middelbare school de dochter de toegang tot de lessen ontzegd, omdat zij weigerde haar hoofddoek af te doen. De dochter heeft vervolgens haar schoolwerk bij kunnen houden in de kamer van de afdelingsleider.

2.6 Op 7 september 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden met de dochter, haar beide ouders, de afdelingsleider, de mentor en de rector, waarin het voorgenomen besluit van het schoolbestuur kenbaar is gemaakt om de dochter van school te verwijderen omdat zij een hoofddoek draagt. Dit is bevestigd door het schoolbestuur bij brief van 8 september 2010.

2.7 Op 20 september 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker, de dochter,
een vertegenwoordiger van het Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland,
de rector, de mentor, de afdelingsleider en de secretaris. Van dit gesprek is door
de afdelingsleider een verslag gemaakt, waarin, voor zover relevant en geanonimiseerd,
het volgende is opgenomen:
"[... ] Vader vraagt of een keppeltje wel mag. De rector antwoordt dat geen enkel hoofddeksel mag, dus ook geen keppeltje.
[De secretaris] maakt duidelijk dat alle scholen regels hebben en binnen de scholen
van verweerster is de regel dat er geen hoofddeksel wordt gedragen. Op het verzoek
van de dochter om hierop een uitzondering te maken heeft het bestuur, na overleg
met de verschillende geledingen zoals (P)MR en ouderraad, afwijzend gereageerd. [...]
Vader kaart vervolgens aan dat de regel geen hoofddeksel en geen hoofddoek pas sinds
1 september 2010 in het schoolreglement staat. [De rector] antwoordt dat er altijd
heeft gestaan: "geen hoofddeksel". Het leerlingenstatuut wordt eens in de twee jaar bijgesteld. Net als andere keren zijn er ook nu enkele passages toegevoegd die eerder niet aan de orde waren. Zo staat er nu ook in dat het verboden is om docenten te filmen (dat was vroeger geen thema) en staat er naast hoofddeksel ook hoofddoek. Volgens
[de rector] was dat al verboden volgens het huidige leerlingenstatuut. [....]
[Verzoeker] noemt vervolgens de naam van een leerling die al jaren geleden wel een hoofddoek droeg op school. Volgens [de rector] komt dat omdat er na de brand op
1 januari 2001 verschillende leerlingen met brandwonden en de gevolgen daarvan hoofddeksels mochten dragen. Men was toen erg tolerant in het dragen van de verschillende hoofddeksels in het kader van de speciale omstandigheden van die "Nieuwjaarsramptijd". De laatste vier jaar is er juist weer enorm geïnvesteerd in het handhaven van een verbod op het dragen van hoofddeksels in de school zoals petjes, hoedjes, mutsen en dus ook hoofddoeken.
Overigens zijn er twee uitzonderingen:
1. Leerlingen die in het kader van de eisen binnen de horecaopleiding en zorg en welzijnopleiding een muts moeten dragen;
2. Leerlingen die na een chemokuur tijdelijk kaal zijn geworden en hun hoofd willen bedekken.
[...]"

2.8 In een brief van 2 oktober 2010 schrijft verweerster, voor zover relevant, het volgende:
"Op 20 september jl. heeft een gesprek plaatsgevonden over het dragen van
een hoofddoek door [de dochter] tijdens schooltijd. [...]
Het schoolbestuur constateert dat inmiddels een situatie is ontstaan waarbij
[de dochter] op het terrein van [de middelbare school] geen hoofddoek draagt. [...]
Het schoolbestuur is van oordeel dat [de dochter], wanneer zij besluit een hoofddoek
te dragen als zij zich begeeft op het terrein van [de school voor voortgezet onderwijs], van school moet worden verwijderd. [...]
Het schoolbestuur is tot dit besluit gekomen aangezien het dragen van een hoofddoek door scholieren tijdens schooltijd het niet mogelijk maakt de grondslag van de school
te verwezenlijken en het schoolbestuur het kledingvoorschriftenbeleid consequent wil handhaven."

2.9 Verweerster heeft ten aanzien van het doel van haar stichting in artikel 2 van haar statuten het volgende opgenomen:
1. De stichting heeft zonder winstoogmerk ten doel de bevordering van het onderwijs
aan de scholen voor basis- en speciaal onderwijs in Edam-Volendam en van
het voorgezet onderwijs in een scholengemeenschap voor Volendam en omstreken.
Ze beoogt daarbij onderwijs te doen geven op katholieke grondslag.
2. Zij wil daarbij handelen volgens de regelingen betreffende het katholiek onderwijs,
die op grond van het gezamenlijk overleg in de Nederlandse katholieke Schoolraad
zijn vastgesteld, alsmede handelen volgens het Algemeen Reglement voor het
Katholiek Onderwijs (16 juni 1987) dat de opdracht van een katholieke school als
volgt omschrijft: katholiek onderwijs streeft, in overeenstemming met de leer van
de Rooms-Katholieke Kerk en geïnspireerd vanuit de katholieke gemeenschap, naar:
a. een onderwijskundige inrichting die rekening houdt met en recht doet aan de inspiratiebron, van waaruit wordt gewerkt: de Heilige Schrift, de kerkelijke leer
en traditie;
b. een pedagogisch klimaat, dat gebaseerd is op en ruimte geeft aan de normen
en waarden, die mede vanuit de inspiratiebron worden nagestreefd;
c. een zinvolle relatie van de onderwijsinstelling met de geloofsgemeenschap.

2.10 Artikel 3 van de statuten van verweerster luidt als volgt.
De stichting tracht haar doel te bereiken langs wettige weg en wel door:
a. het oprichten en beheren van één of meer Rooms-Katholieke scholen
binnen het in artikel 2 genoemde gebied;
b. het aandacht besteden aan de godsdienstige vorming van de leerlingen overeenkomstig hetgeen daaromtrent in het Algemeen Reglement voor
het Katholiek Onderwijs is bepaald;
c. het aangeven in het schoolwerkplan van de wijze waarop vorm en inhoud moet worden gegeven aan de katholieke identiteit van de door haar bestuurde scholen;
d. het meewerken aan de vorming van een katholiek en nationaal onderwijsbeleid
met name door het samenwerken met instellingen die een gelijk of gelijksoortig
doel nastreven;
e. het benutten van alle wettige middelen, die ter bereiking van het doel nuttig zijn.

2.11 In het informatieboekje 2010-2011 van de school voor voortgezet onderwijs waar
de dochter onderwijs volgt, is op bladzijde 7 opgenomen:
"Onze school is er een voor bijzonder onderwijs (dat betekent: onderwijs dat niet
door de overheid wordt bestuurd) op Rooms-Katholieke grondslag. Wij werken aan
een schoolklimaat dat de christelijke levensvisie als fundament erkent. Onze identiteit
komt onder andere tot uitdrukking door kerst- en andere vieringen, bijzondere activiteiten én door de wijze waarop wij leerlingen benaderen en begeleiden. Naast leerlingen van katholieke en protestants-christelijke huize zijn uiteraard alle leerlingen welkom van wie de ouders de grondslag en doelstelling van de school respecteren en kunnen onderschrijven."

2.12 In de schoolgids van de school voor voortgezet onderwijs voor het jaar 2010-2011 is
op pagina 10 vermeld dat de school een open katholieke school is. Voorts is vermeld:
"De identiteit van de school wordt bepaald door alle geledingen binnen de school en komt tot uitdrukking in het pedagogisch didactisch handelen, de leerlingenbegeleiding en gebeurtenissen (kerst- en andere vieringen, bijzondere activiteiten). (...)
Naast leerlingen van katholieke of protestants-christelijke huize zijn ook de leerlingen welkom van wie de ouders de grondslag en doelstelling van de school respecteren en onderschrijven. "

2.13 Verder bepaalt het Schoolreglement in artikel 4, aanhef en onderdeel k, sedert
het schooljaar 2010-2011 het volgende.
"Het is ten strengste verboden (...) om binnen de school gezichtsbedekkende kleding, petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes te dragen."

2.14 In artikel 16, eerste lid, van het Leerlingenstatuut 2010 is onder het kopje
‘vrijheid van uiterlijk' bepaald:
"De schoolleiding heeft het recht, nadat er gesproken is met de leerlingenraad, voorschriften te geven over de uiterlijke verzorging en/of de kleding van de leerlingen.
Het dragen van gezichtsbedekkende kleding is in ieder geval niet toegestaan.
Op school, zowel binnen als buiten lestijd, is het dragen van petten, mutsen, hoeden en hoofddoekjes verboden. Ingenomen petten, mutsen, hoeden en hoofddoekjes worden aan het einde van het eerste en aan het einde van het tweede semester teruggegeven aan de drager. Kleding met discriminerende teksten is evenmin toegestaan."

2.15 Begin oktober 2010 verschenen in de Stadskrant en in het Noord Hollands Dagblad
twee artikelen over het hoofddoekverbod op de school voor voortgezet onderwijs.
In deze artikelen staat onder meer het volgende:
Noord Hollands Dagblad
"Rector [...] vertelt dat hij het verbod op het dragen van hoofddeksels drie jaar geleden invoerde. „Zodat docenten leerlingen goed kunnen aankijken tijdens het lesgeven."
[De rector] benadrukt dat de maatregel niets met het geloof van het meisje te maken heeft."
Stadskrant
"Rector [...] wil duidelijk maken dat de regel al jaren bestaat en dat het niet het gevolg is van het ‘Wilders-effect'. "We willen gewoon één lijn trekken. Wat voor petten en hoeden geldt, geldt ook voor hoofddoekjes. Dat staat al jaren vermeld in ons leerlingenstatuut."
[De rector] noemt het een misvatting dat het verbod op hoofddoekjes sinds kort is ingesteld of gewijzigd. "Het is niet nieuw. In de klas willen wij geen gezichtsbedekkende kleding zoals petten, mutsen of hoofddoekjes. Dat heeft niets met geloofsovertuiging te maken. Natuurlijk zijn wij een scholengemeenschap met een katholieke achtergrond. Nieuwe leerlingen worden gevraagd deze grondslag te respecteren. Maar iedereen is
van harte welkom op onze school!"
3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster, door de dochter van verzoeker niet
toe te staan dat zij op school een hoofddoek draagt, verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.

Onderscheid op grond van godsdienst"

3.2 Op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, mogen onderwijsinstellingen geen onderscheid op grond van godsdienst maken jegens hun leerlingen. Dit houdt in dat bij het aanbieden
van en geven van onderwijs, meer bepaald bij het hanteren van kledingvoorschriften,
geen onderscheid mag worden gemaakt jegens leerlingen vanwege hun geloofsovertuiging.

3.3 Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd. Het omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40, vergelijk Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt bij gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging.

3.4 Het is vaste oordelenlijn van de Commissie dat het dragen van een hoofddoek door een moslima een uiting kan zijn van haar geloofsovertuiging (onder meer CGB 30 oktober 2001, 2001-96, overweging 4.3). Hieraan doet niet af dat godsdienstige voorschriften op verschillende manieren worden nageleefd en dat over het dragen van een hoofddoek door vrouwen in moslimkringen verschillend wordt gedacht (zie onder meer CGB 29 maart 2005, 2005-53, overweging 5.4, en CGB 8 mei 2007, 2007-70, overweging 3.4).

3.5 Verweerster benadrukt ter zitting dat het dragen van een hoofddoek door een leerling
in strijd is met de katholieke identiteit van de school, omdat een hoofddoek een uiting is van een ander geloof dan het katholieke. Het dragen van allerlei soorten hoofddeksels is verboden, maar specifiek voor het hoofddoekverbod geldt dat dit verband houdt met
de identiteit van de school, aldus verweerster.

3.6 De Commissie overweegt dat de rector van de school voor voortgezet onderwijs in
een eerder stadium heeft aangegeven dat het hoofddoekverbod onderdeel is van
het algemene hoofddekselverbod en juist geen verband houdt met godsdienst. Dit zou kunnen wijzen op indirect onderscheid op grond van godsdienst. In dat geval is immers sprake van een neutraal verbod waardoor mensen worden getroffen die vanwege hun geloof een hoofddoek dragen.

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van direct of indirect onderscheid op grond van godsdienst, overweegt de Commissie als volgt. Nu verweerster tevens erkent dat sprake is van een direct verband van het hoofddoekverbod met de grond godsdienst, kan
de Commissie het onderscheid niet anders dan als direct kwalificeren. De Commissie is dan ook van oordeel dat verweerster jegens de dochter van verzoeker direct onderscheid op grond van godsdienst maakt, door haar niet toe te laten tot de lessen zolang zij een hoofddoek draagt.

Wettelijke uitzondering"

3.7 Zoals hiervoor vermeld is direct onderscheid op grond van godsdienst bij het aanbieden van onderwijs verboden op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB, in samenhang met artikel 1 AWGB. Op het verbod op het maken van onderscheid op grond van godsdienst is in artikel 7, tweede lid, AWGB, een uitzondering gemaakt voor het bijzonder onderwijs. Dit artikel bepaalt dat een instelling van bijzonder onderwijs de mogelijkheid heeft om eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Deze eisen mogen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

3.8 Verzoeker meent dat verweerster direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt en dat zij geen beroep kan doen op de uitzonderingsbepaling voor bijzonder onderwijs. Verzoeker meent dat verweerster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verbieden van het dragen van een hoofddoek noodzakelijk is voor de verwezenlijking
van haar katholieke grondslag. Er is volgens verzoeker geen sprake van een consequent
en consistent beleid op dit punt. Verzoeker voert daartoe het volgende aan.

3.9 Verzoeker benadrukt allereerst dat hij en zijn dochter bij de schoolkeuze niets hebben gehoord over een hoofddoekverbod. In het informatieboekje dat zij kregen stond dat alle leerlingen welkom waren en niet alleen die van katholieke en protestants-christelijke huize. Bovendien kenden verzoeker en zijn dochter een meisje dat enkele jaren eerder op deze school voor voortgezet onderwijs ook een hoofddoek had gedragen. Als verzoeker had geweten dat zijn dochter van school zou worden verwijderd wanneer zij een hoofddoek
zou gaan dragen, had hij nooit voor deze school gekozen.

3.10 Verzoeker stelt dat de school voor voortgezet onderwijs en verweerster, nadat zijn dochter geen lessen meer mocht volgen toen zij een hoofddoek was gaan dragen, steeds hebben gezegd dat ze het dragen van petjes en hoeden op één lijn stelden met het dragen van
een hoofddoek. Verzoeker verwijst hiertoe naar de onder 2.15 opgenomen mediapublicaties over de kwestie. Daarin zegt de rector van de school voor voortgezet onderwijs dat
het verbod op het dragen van een hoofddoek niets te maken heeft met het geloof van
de dochter van verzoeker. Verzoeker verwijst ook naar het gesprek van 20 september 2010. Uit het gespreksverslag blijkt dat op geen enkel moment het hoofddoekverbod in verband is gebracht met de katholieke identiteit van de school. Wel is verschillende malen gerefereerd aan het gelijkstellen van petjes, hoeden en dergelijke met hoofddoeken.

3.11 Verzoeker benadrukt dat verweerster pas in antwoord op de door de Commissie gestelde schriftelijke vragen stelt dat het verbod op het dragen van hoofddoeken verband houdt met de katholieke identiteit van de school voor voortgezet onderwijs. Verzoeker meent dat dit niet de werkelijke reden is om hoofddoeken te verbieden.
De school gaf immers eerder aan hoofddoeken te verbieden om één lijn te trekken met het verbod op het dragen van petjes, en dat dit niets te maken had met het geloof. Daarom kan de school geen beroep doen op haar grondslag en geldt de uitzondering voor het bijzonder onderwijs niet, aldus verzoeker.

3.12 Verzoeker stelt voorts dat de uitzondering voor bijzonder onderwijs niet opgaat
voor verweerster omdat zij niet consequent en consistent is in haar beleid. In de periode
van 2001-2004 heeft een andere leerlinge wel een hoofddoek mogen dragen. Pas nadat
de dochter van verzoeker in september 2010 met een hoofddoek op school verscheen,
heeft verweerster in het Schoolreglement en het Leerlingenstatuut opgenomen dat het dragen van een hoofddoek niet is toegestaan. Daarvoor was in het leerlingenstatuut alleen een algemeen verbod op hoofddeksels opgenomen, zonder dat hoofddoeken daarbij apart werden genoemd. Bovendien kunnen leerlingen desgewenst vrij krijgen voor islamitische feestdagen, zoals het Suikerfeest. De katholieke grondslag krijgt in de praktijk slechts beperkt gestalte. Er wordt bijvoorbeeld niet op dagelijkse of wekelijkse basis in schoolverband gebeden of uit de bijbel gelezen. Verzoeker heeft voorts nimmer
de katholieke grondslag hoeven onderschrijven. Hij respecteert deze wel.

3.13 Verweerster stelt dat de verschillende scholen die onder haar ressorteren een
discretionaire bevoegdheid hebben inzake het invoeren en hanteren van beleid
ten aanzien van kledingvoorschriften. Verweerster laat het aan de directeur van
de betrokken school over of deze het dragen van een hoofddoek toestaat. Verweerster benadrukt dat de school voor voortgezet onderwijs een hoofddoekverbod hanteert vanwege de katholieke grondslag van de school.

3.14 Verweerster stelt dat de dochter van verzoeker met het dragen van de hoofddoek
het Schoolreglement en het Leerlingenstatuut heeft overtreden. Hierin is onder meer vastgelegd dat het verboden is om binnen de school gezichtsbedekkende kleding evenals petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes te dragen. Het Schoolreglement is een onderdeel van het Leerlingenstatuut. Het Leerlingenstatuut wordt eens in de twee jaar, dan wel zoveel eerder als noodzakelijk, aangepast. In eerdere versies van het Leerlingenstatuut stond reeds onder het kopje ‘vrijheid van uiterlijk' het verbod van het dragen van petten, mutsen en hoeden. Toen in februari 2010 vier leerlingen, waaronder de dochter van verzoeker, bij
de afdelingsleider hadden aangegeven dat zij overwogen om een hoofddoek te gaan dragen, is aan het einde van het schooljaar het besluit genomen dat het dragen van hoofddoekjes niet zou worden toegestaan. Het Leerlingenstatuut (artikel 16, eerste lid)
is medio 2010 hierop aangepast. Aangezien verweerster vond dat deze schoolregel meer expliciet onder de aandacht gebracht moest worden van de ouders, is deze ook opgenomen in het Schoolreglement 2010.

3.15 Verweerster erkent dat een oud-leerlinge in de periode 2001 tot en met 2004 een hoofddoek heeft gedragen op school. In dit verband hecht verweerster eraan op te
merken dat de Nieuwjaarsbrand in café 't Hemeltje in Volendam op 1 januari 2001,
waarbij 178 leerlingen van de school voor voortgezet onderwijs gewond zijn geraakt
en zes leerlingen zijn overleden, hierbij een grote rol heeft gespeeld. Als gevolg van
de nasleep van de Nieuwjaarsbrand is soepelheid betracht bij het dragen van hoofdbedekkingen, vanwege verminkingen van leerlingen aan het hoofd. Leerlingen
die letsel aan het hoofd hadden opgelopen hadden behoefte om dit te bedekken.

Noodgedwongen heeft de school in dit verband de schoolregels op een minder
strikte wijze gehanteerd. Verweerster benadrukt dat de leerlinge met de hoofddoek in
de jaren 2001-2004 deze niet droeg vanwege verwondingen. In de loop van 2005 heeft
de school besloten de naleving van de schoolregels weer aan te scherpen. De leerlinge met de hoofddoek was toen al van school.

3.16 Nadat deze leerlinge de school voor voortgezet onderwijs had verlaten, hebben op
de school geen leerlingen meer gezeten die een hoofddoek droegen. Omdat er zich in
de tussenliggende tijd geen situatie heeft voorgedaan, waarin leerlingen een hoofddoek droegen, dan wel te kennen hadden gegeven het voornemen te hebben tot het dragen van een hoofddoek, heeft de school in die tijd hierop geen concreet beleid gevoerd. De directie van de school voor voortgezet onderwijs vindt dat de aanscherping van het beleid na verloop van tijd, niet tot de conclusie leidt dat er sprake is van een inconsequent beleid.

3.17 Verweerster benadrukt dat de school voor voortgezet onderwijs als instelling van
bijzonder onderwijs op basis van artikel 7, tweede lid, van de AWGB, ten aanzien van
de deelname aan het onderwijs eisen kan stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag.

3.18 Verweerster verwijst naar de website, de schoolgids en het informatieboekje van de school voor voortgezet onderwijs waarin aandacht is voor de identiteit van de school. Bij de Powerpoint-presentatie tijdens voorlichtingsbijeenkomsten aan ouders en leerlingen wordt ook ingegaan op de identiteit. Bij de dia over identiteit is aangegeven: "Iedereen is welkom, die de grondslag en doelstelling van de school respecteert of kan onderschrijven."

3.19 Verweerster geeft aan dat de school voor voortgezet onderwijs op de volgende wijze vorm en inhoud geeft aan de katholieke grondslag:
• in alle klassen behalve de examenklassen staat het vak godsdienst als verplicht vak
voor één uur in de week op de lessentabel;
• de brugklassers hebben in hun eerste schoolweek gezamenlijk in de aula een viering onder leiding van een theoloog;
• rond Kerst worden diverse activiteiten georganiseerd voortkomend uit
de katholieke grondslag: vieringen voor brugklassers, vieringen voor tweedeklassers,
avond Kerst-in voor alle bovenbouwklassen in de aula van de school, geldinzameling middels een kerstbingo in de sporthal voor zaken vanuit de katholieke identiteit en
de maatschappij;
• rond Pasen vindt de zogenoemde Pater Zwarthoed-actie plaats ten behoeve van
de ondersteuning van een weeshuis in Zaïre en een opleidingscentrum van een missionaris, de Volendammer Pater Zwarthoed;
• de wijze waarop binnen de school met elkaar wordt omgegaan en de
katholieke schooldoelstellingen worden uitdragen: het respectvol omgaan met
elkaar voortkomend uit de katholieke overtuiging, het inhoud geven aan het veilige
en hartelijke klimaat op de school en het nadrukkelijk aandacht vragen voor normen
en waarden vanuit de katholieke geloofsovertuiging;
• een kruisbeeld in de hal van de school;
• tientallen uitingen van de katholieke identiteit, kunst en cultuur zijn in diverse lokaliteiten van de school manifest aanwezig: zoals kruisbeelden, Mariabeelden, schilderijen met voorstellingen van het katholiek geloof en een beeld van de heilige
Don Bosco in de mediatheek van de school.
• Het jaarlijkse bezoek van de bijbelbus die voor een hele week (ook ‘s avonds) voor
vele klassen van de school open staat.
Het niet dagelijks of wekelijks bidden of uit de bijbel lezen in schoolverband, doet naar
het oordeel van verweerster niet af aan de katholieke identiteit en grondslag van de school.

3.20 Verweerster benadrukt dat de school voor voortgezet onderwijs zich presenteert
als een katholieke school met een open karakter. Het hebben van een (katholieke) grondslag en het voeren van een consequent beleid ter zake brengt naar het oordeel van de school niet mee dat de school leerlingen met een andere godsdienst niet zou mogen toelaten.
De school voor voortgezet onderwijs respecteert leerlingen/ouders/verzorgers die
een ander geloof aanhangen. In het gesprek dat op 20 september 2010 is gehouden, is
door zowel verzoeker en zijn dochter als door de vertegenwoordiger van het Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland meerdere malen aangegeven dat het hier niet slechts gaat om een hoofddoek, maar om een uiting van de Islam. De school is van oordeel dat als iemand er willens en wetens voor kiest uitingen van de Islam een vaste plek te willen geven in een Rooms-Katholieke school, sprake is van het nemen van afstand, zowel in gedrag als handelen, van de grondslag van de school.

3.21 Bij het verlenen van verlof voor het Suikerfeest heeft de school voor
voortgezet onderwijs zich gebaseerd op een recht van de leerlingen dat voortvloeit
uit artikel 11, sub e van de Leerplichtwet. Hierin is bepaald dat de leerling vrijgesteld
is van de verplichting de school te bezoeken indien de jongere wegens vervulling van
plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging hiertoe verhinderd is.

3.22 Verweerster is van mening dat zij consequent en consistent is in haar beleid en dat
zij ter verwezenlijking van haar grondslag de eis kan stellen dat bij deelname aan
het onderwijs geen hoofddoeken worden gedragen.

Wettelijke uitzondering van toepassing"

Voor de vaststelling of de uitzondering van artikel 7, tweede lid, AWGB van toepassing is
en terecht op deze uitzonderingsbepaling een beroep wordt gedaan, heeft de Commissie niet tot taak de grondslag en het doel te beoordelen. De vaststelling van de grondslag en het doel, alsmede de betekenis ervan voor het stellen van bepaalde eisen, ligt primair bij
de school (Kamerstukken II, 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 18).

De Commissie doet een dergelijke beslissing niet nog eens ten gronde over, maar beoordeelt wel of de school in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals zij heeft gedaan
(Kamerstukken II, 1991/92, 22 014, nr. 5, p. 51).
De Commissie dient daarbij achtereenvolgens na te gaan of:
a. sprake is van een instelling van bijzonder onderwijs en of verweerster een consistent beleid voert ter handhaving van haar grondslag (zie onder meer CGB 16 april 2007,
2007-61, overweging 3.11);
b. het hoofddoekverbod gelet op het doel van verweerster noodzakelijk is voor
de verwezenlijking van haar grondslag;
c. het hoofddoekverbod leidt tot onderscheid op grond van het enkele feit van
politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat (zie onder meer CGB 14 april 2009, 2009-29, overwegingen 3.7 en 3.19).
Alleen als aan elk van deze punten is voldaan, slaagt het beroep op voornoemde uitzonderingsbepaling.

3.23 De Commissie stelt vast dat verweerster op grond van haar statutaire bepalingen
kan worden aangemerkt als een instelling van bijzonder onderwijs. Vervolgens zal
de Commissie nagaan of verweerster een consistent beleid voert ter handhaving van
haar grondslag en of het hoofddoekverbod noodzakelijk is voor de verwezenlijking van
de grondslag.

3.24 Daarbij is niet relevant of op andere scholen die onder het gezag van verweerster vallen,
het dragen van een hoofddoek wel is toegestaan. De Commissie heeft eerder geoordeeld dat het bevoegd gezag beslist over de vraag in hoeverre scholen die binnen haar gezagsbereik vallen op eigen wijze invulling mogen geven aan de grondslag
(CGB 5 augustus 2003, 2003-112).

3.25 De Commissie stelt vast dat in de schoolgids en het informatieboekje is vermeld
dat de identiteit van de school onder andere tot uitdrukking komt in kerst- en andere
vieringen, bijzondere activiteiten en in de wijze waarop de school leerlingen benadert en begeleidt. De Commissie stelt vast dat verweerster haar katholieke grondslag met name gestalte ziet krijgen in het respectvol omgaan met elkaar, het inhoud geven aan het veilige en hartelijke klimaat op de school en het nadrukkelijk aandacht vragen voor normen en waarden. Voorts heeft verweerster onweersproken naar voren gebracht dat in alle klassen behalve de examenklassen het vak godsdienst wordt gegeven. Niet duidelijk is geworden
of daarin specifiek de katholieke identiteit wordt uitgedragen. Dit geldt ook voor de viering van de brugklassers onder leiding van een theoloog. Onweersproken is dat in de hal van
de school een kruisbeeld hangt en dat in de school ook verder uitingen van het
katholieke geloof te vinden zijn, zoals kruisbeelden, Mariabeelden, schilderijen met voorstellingen van het katholiek geloof en een beeld van de heilige Don Bosco in
de mediatheek van de school.

3.26 In het informatieboekje en de schoolgids heeft de school voor voortgezet onderwijs opgenomen dat leerlingen en ouders de grondslag dienen te onderschrijven én respecteren. Tijdens voorlichtingsbijeenkomsten wordt gezegd dat ouders en leerlingen de grondslag moeten respecteren óf kunnen onderschrijven. Deze laatste versie is door de rector ter zitting bevestigd. Van belang is dat verweerster niet kenbaar maakt wat de eis ten aanzien van het onderschrijven dan wel het respecteren van de grondslag in de praktijk inhoudt. Hierdoor is voor ouders en leerlingen niet duidelijk wat er van hen wordt verlangd.
Evenmin kunnen zij hiermee rekening houden bij de schoolkeuze.
3.27 De Commissie stelt vast dat de school voorafgaand aan het schooljaar 2010-2011
een algemeen verbod had op het dragen van hoofddeksels, waarbij alleen petjes mutsen
en hoeden als voorbeeld werden genoemd. Hoofddoeken werden nergens met name genoemd. Vanaf schooljaar 2010-2011 heeft de school aan de opsomming bij het hoofddekselverbod de hoofddoek toegevoegd. Daarbij heeft de school niet duidelijk gemaakt dat het hoofddoekverbod verband zou houden met de grondslag van de school. Het Schoolreglement en het Leerlingenstatuut (onder het kopje ‘vrijheid van uiterlijk') bevatten alleen een algemeen verbod op het dragen van hoofddeksels. Petjes, mutsen, hoeden en hoofddoeken zijn daarbij op een lijn gesteld. Er wordt bij het verbod op het dragen van hoofddoeken in het Schoolreglement of het Leerlingenstatuut niet verwezen naar de katholieke grondslag van de school. Evenmin is in het Schoolreglement,
het Leerlingenstatuut of een andere publicatie van de school een verbod op het dragen
van religieuze uitingen, anders dan van het katholieke geloof, opgenomen.

3.28 Ook uit het gespreksverslag van 20 september 2010, opgesteld door de afdelingsleider van de school voor voortgezet onderwijs, wordt slechts in algemene zin gewezen op het verbod op het dragen van een hoofddeksel, waaronder door de school een hoofddoek wordt begrepen. In bedoeld gesprek is het verbod op het dragen van een hoofddoek niet in verband gebracht met de katholieke identiteit van de school. Voorts blijkt uit verschillende krantenberichten van oktober 2010 dat de rector heeft verklaard dat de school voor voortgezet onderwijs één lijn wil trekken voor alle hoofddeksels en dat
het hoofddoekverbod niets te maken heeft met geloofsovertuiging of met het geloof
van de dochter van verzoeker. Alleen in de brief van verweerster aan verzoeker van
22 oktober 2010 wordt, naast de wens om het kledingvoorschrift consequent te handhaven, kort en niet nader toegelicht, aangegeven dat verweerster meent dat het dragen van een hoofddoek het niet mogelijk maakt de grondslag van de school te verwezenlijken. Pas in
de beantwoording van de vragen van de Commissie heeft verweerster nadrukkelijk gesteld, dat het verbod op het dragen van een hoofddoek is ingesteld ter verwezenlijking van
de katholieke grondslag.

3.29 Op grond van het voorgaande stelt de Commissie vast dat verweerster, in het algemeen
en in het bijzonder jegens verzoeker, niet kenbaar heeft gemaakt dat het hoofddoekverbod verband houdt met haar grondslag. Integendeel, verweerster heeft naar het oordeel van
de Commissie in haar communicatie over het hoofddoekverbod juist de suggestie gewekt dat het hoofddoekverbod niet in verband staat met de katholieke identiteit van de school voor voortgezet onderwijs. De Commissie stelt verder vast de school alleen hoofddoeken heeft verboden en er geen sprake is van een algemeen verbod op het dragen van kleding
of attributen die uiting geven aan een andere religie dan de katholieke. Naar het oordeel van de Commissie wijst ook dat feit niet in de richting van een consistent beleid ter verwezenlijking van de grondslag.

3.30 Het voorgaande leidt tot het oordeel van de Commissie dat verweerster niet overtuigend heeft aangetoond dat in de praktijk sprake is van een consistent beleid ter handhaving
van haar grondslag. Het feit dat in eerste instantie niet, en pas in een zeer laat stadium en
niet nader gemotiveerd, is gesteld dat het hoofddoekverbod is ingesteld ter verwezenlijking van de grondslag, heeft de Commissie er evenmin van kunnen overtuigen dat het verbod ook daadwerkelijk nodig is voor de verwezenlijking van die grondslag.

3.31 Gelet hierop oordeelt de Commissie dat verweerster geen beroep kan doen
op de uitzondering van artikel 7, tweede lid, AWGB en dat verweerster derhalve
verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt jegens de dochter
van verzoeker.
4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . . jegens de dochter van . . . . verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 7 januari 2011 door mr. Ch.M. van der Bas, voorzitter,
mr. dr. J.C.J. Dute en mr. D.C. Houtzager, leden van de Commissie Gelijke Behandeling,
in tegenwoordigheid van mr. A.H. Pranger, secretaris.
mr. Ch. M. van der Bas
mr. A.H. Pranger

namens deze,
mr. J.M. Rijkes
secretaris

9 reacties

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.

  • Ik had niet anders verwacht dat Jan lid zou worden van de "Ruften op de Verkeerde Momenten"-Hyve... want die Yolanthe!!!

  • HHNK kiest er voor om centraal in het gebied te gaan zitten. Heeft niets met kosten te maken. Verder zijn de onderhoudskosten van Schepenmakersdijk laag en de aanschafprijs ook.

    Verder is het een zeer plezierige en ruime werkomgeving.

    De door een paar mensen gewenste veel te duren nieuwbouw is een stuk maatschappelijke kapitaal vernietiging van de hoogste orde.

  • "Dit in plaats van een dure centrale nieuwbouw vestiging."

    En dan nog wat; waarom denk je dat de huidige eigenaar gekozen heeft voor "dure centrale nieuwbouw?" Zou daar niet goed over nagedacht zijn?

  • Dat idee had ik idd al...maar daarom hoeven sommige personen toch niet zo denigrerend over haar te doen....beetje kinderachtige reacties...ik vind dat ze het vrij aardig doet op tv ,maar das mijn mening en daar zullen sommigen het ook niet mee eens zijn. Maar om elke x iemand zoals Monique neer te zetten vind ik een beetje goedkoop..