Onderbroekenlol
Mijn `poepcolumn' heeft heel wat losgemaakt. Sommigen vonden de column helemaal top en een ander vond het onderbroekenlol. Speciaal voor hem ga ik maar eens een column schrijven over onderbroeken. Want die dingen heb je nu eenmaal iedere dag aan. Mijn eerste onderbroekenherinnering gaat terug naar de markt. Daar kocht mijn moeder onderbroeken voor mij met horizontale streepjes erop en twee van die naden aan de voorkant, waarvan er een open was.
De reden van deze opening ontging me totaal. Het was niet zo dat ik mijn pielemuissie er even doorheen kon hangen om te plassen. Hij paste toen nog in een vingerhoedje en kwam nog niet eens halverwege door het plasgootje. Op het Don Bosco college vonden ze deze onderbroeken niet zo cool. Mijn klasgenoten hadden allemaal een slip aan zonder streepjes en `plasgootje'. Na enige jaren de witte slip te hebben gedragen (te herkennen aan de gele vlek aan de voorzijde en de remsporen aan de achterzijde) werd de boxershort ineens erg populair. Wijde wollige broekjes met pijpjes, waarin je klokkenspel alle ruimte had om tegen de binnenkant van je benen te klotsen. Als je dan na het plassen niet goed had `uitgedruppeld' voelde je de druppels op je knieën plonsen. Godzij dank kwam daarna de wat strakkere boxershort in de mode. Nadeel was wel dat er Bjorn Borg opstond en deze per stuk 15 glazen bier kostte. Helemaal geen onderbroek was ook nog even in de mode.
Nadat mijn voorhuidje nogal bruut in aanraking was gekomen met mijn rits, besloot ik dat ik deze modetrend maar aan me voorbij liet gaan. Tegenwoordig draag ik nog altijd het strakke model. En in het Parool ben ik zelfs al eens omschreven als `onderbroekenspecialist'. We hadden met de 100%NL (extra dikke zomereditie is nu uit!) namelijk een poll gedaan onder vrouwen welke soort onderbroek ze het liefst dragen en hier een persbericht van gemaakt met mijn naam eronder. Niet veel later was ik telefonisch aan het uitleggen wat het verschil is tussen een string en een tanga. Maar goed dat me ging me in ieder geval beter of dan het klusje waar ik zondag voor gevraagd was. Via Facebook had ik de vraag gekregen of ik wat bekers wilde uitreiken in de Pius X. Het was voor het Pius X Toernooi, dus daar kon ik de grap wel van inzien. Helaas waren de aanwezige jongeren niet bekend met deze grap. Na mijn eerste woorden over mijn glorietijd als Beste Speler van het Pius X Toernooi, zag ik honderden ogen mij glazig en onbegrijpend aankijken. Vanaf dat moment wist ik dat dit een pijnlijke aangelegenheid ging worden.
De lijdensweg van het Nederlandse elftal en onze wielrenners in de tour, was een schoolreisje vergeleken met hetgeen me te wachten stond. Maar in plaats van snel de bekertjes te overhandigen en de daarna met rokende rubberzolen het pand te verlaten, besloot ik in al mijn sadomasochisme om er nog wat van te maken. Na iedere misplaatste opmerking en ongepaste grap bleef het echter pijnlijk stil in de zaal gevuld met halfdronken jongeren, die niet zaten te wachten op een grijzende (in hun ogen opgegraven fossiel) man die slechte grapjes stond te maken.
Bij een gebrek aan rotte tomaten, ging ik net zolang door totdat er boegeroep opsteeg uit de zaal. Ouderwets primitief boegeroep. Boehoe! Boehoe! Maar zelfs dat was me niet gegund. Helaas was ik niet de enige die in een belabberde worm verkeerde. De Beste Speler en de winnende ploeg, vonden het ondanks mijn voorzet op maat (wil je misschien nog iemand bedanken?) niet nodig om al die vrijwilligers - die dagen bezig zijn om deze jongens een mooie dan te bezorgen - even te bedanken. Maar goed, wie was ik om op deze dag te oordelen. Bij gebrek aan pek en veren en een open kar, verliet ik daarna snel door de achterdeur het pand.
Er zat maar één ding op. Diegene bellen waarmee we dit soort dingen wel eerder hadden meegemaakt. Niet veel later liep ik met mijn maat Staubach te schaterlachen op de dijk. We haalden herinneringen op aan die keer dat we Milli Vanilli nadeden tijdens de Soundmixshow in de Wir War Bar. Omdat Milli Vanilli ooit betrapt was omdat ze zelf niet zongen, besloten wij ook niet te zingen. De daar aanwezige jongere generatie had hier echter nog nooit van gehoord en snapte niet waarom wij daar stonden te playbacken als goudvissen in een te kleine kom. Boegeroep was toen wel ons -deel. Dan doe je het tenminste nog ergens voor. Dan heb je toch een emotie los weten te krijgen.
Na enige dagen met een papieren zak op ons hoofd door het dorp te hebben gelopen, besloten we het jaren later nog eens te proberen. In 't Gat van Nederland werden we glansrijk eerste met onze versie van Walk This Way. Ach, dat is zo mooi aan het leven. You win some en you lose some. Het leven is soms net een onderbroek. Kort en bescheten...
Volg Adriaan in de bouwvak ook op Facebook onder Ed Guyt