Edamse herinneringen vanuit het Franse platteland
Edam in mijn jonge tijd was door toedoen van de crisis en de Tweede Wereldoorlog in opknappen en restaureren achterop geraakt. Op de gevels van vele huizen prijkte het niet aan duidelijkheid overlatende bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’. Langzamerhand werd de zware wissel uit voorgaande tijden verbroken en werden sterk vervallen en verwaarloosde huizen gesloopt en opgeknapt. Daarvoor in plaats kwamen nietszeggende nieuwbouw blokken.
Daarna diende zich de ruilverkaveling aan, met alle gevolgen van dien. Dit moest een deel van de Zeevanck grenzend aan Edam voor de boeren meer toegankelijk maken.
Dus niet meer varen maar rijden naar de landerijen. Het hield in dat een aantal boeren woonachtig in Edam moest verhuizen naar de Zeevanck. Zodoende werden er wegen gerealiseerd in de vorm van de Lokkemientje- en Kooiweg. In de trekvaart, een verbinding vormend van Edam naar Hoorn, kwamen vele dammen te liggen. Aan de overkant van de trekvaart en in de Zeevanck verrezen nieuwe boerderijen. Het lange bruggetje, sinds mensenheugenis verbonden met aangrenzend delenpad, moest wijken voor de vooruitgang. Regelmatig varen en lopen via het delenpad in de Zeevanck behoorde tot het verleden.
Terug naar mijn onbezonnen jeugd.
Avonturen Zeevanck: Snoeken vangen. Die dag was de hemel bewolkt en er woei een zuidwest windje. Ideaal snoek weer!!! Na kort beraad waren Koos Roskam, Sam de Boer, Jan Groot, Henk Griep en schrijver dezes het erover eens dat er op het landje van Reindert Uitentuis gesnoekt moest worden. Dus togen we met z’n vijven op pad. Het lange Bruggetje over en het klaphek door.
Voor ons het delenpad, wat zich uitstrekte tot het eerste meer van de zogeheten ‘Drie Meren`. Aan de horizon waren de vage contouren van de dorpen Oosthuizen en Warder zichtbaar.
Meeuwen krijste in de lucht. Weldra, waren we op de visplek aangekomen. De golfjes van ‘het Die’ klotsten onophoudelijk tegen het houten schoeingswerk. Dit was een visplek bij uitstek.
Al snoekend, zacht lopend en gedempt pratend, maar ook hoopvol wachtend, opdat de grootste snoek het voorbij zwemmend witvisje, zou verschalken. Dat was onze niets aflatende wens.
Jammer, het bleef bij niet bijten in het witte visje. De snoeken hadden zich in hun kroosholen, schielijk teruggetrokken, zij waren geenszins van plan om toe te happen. Henk Griep, voormalig eigenaar van Evodam, gooide zijn hengel met visje op de kant. Hij schreeuwde luid en duidelijk “Ze bijten niet, ik stop ermee.” Wij gaven de moed nog niet op.
Een groot en dik varken verscheen ten tonele. Zag het witte visje voor een lekkernij aan en hapte toe. Henk zag zijn hengel met varken wegwandelen en trok heel stevig aan het langste eind. Geen grote snoek,maar een dik varken had zich verslikt in het aas van Henk. De dreg met haken bleven in zijn strot steken.
Gierend rennend, om en tussen de op het land staande bomen door. Jonge Jan Uitentuis, die op het aangrenzende land aan het werk was, snelde toe en bezag dit niet alledaagse tafereeltje met ingehouden woede. “Hé joh”tegen een verbouwereerde Henk Griep: “Staan blijven, hier die hengel.” Kordaat trok de jonge Jan aan de toegestoken hengel. Werd door het gierende varken meegesleurd, recht op het opdoemende varkenshok af. Het varken erin met hengel en de jonge Jan.
Op zoveel vaart, was het deels vermolmde hok niet berekend. Het varken vloog er aan de achterkant weer uit. Wij zagen en hoorden veel kabaal en tot onze ontsteltenis brokken versplinterd hout omhoog, omlaag en rondvliegen. Een woedende jonge Jan onder het uiten van onduidelijke kreten verders gaan. Vrij van hout raasde het varken op de hielen nagezeten door jonge Jan naar een op zich afkomende hekwerk af. Dwars er doorheen en zo ook weer terug. Hier moest duidelijk iets gebeuren.
Wij boden met een korte drijfjacht, bevend onze hulp aan. Eindelijk na veel huus, huus gaf het varken zich gewonnen. Gezamenlijk wierpen wij ons op het dampende lijf van het varken.
Jan schreeuwde met overslaande stem:”doe zijn bek open.” Dat lukte na veel persen duwen en trekken. Zichtbaar achter in de huig zat stevig verankerd de dreg. Met veel gedoe, gelukte het om het varken te bevrijden. “En nu opsodemieteren,” schreeuwde jonge Jan. Aan dat verzoek voldeden wij. Gelukkig geen klappen en schoppen. Geen grote snoek maar wel een dik varken gevangen.
Dit avontuurlijk schrijven kwam tot stand door middel van een nog heldere geest en intense rust op het Franse platteland. Jack Roskam. Op getekend door mijn vrouw Marja Helleman.