Naar de inhoud

Mayke Swinkels uit Broek in Waterland overleeft elektrocutie door bliksem

Bron: NHD

Het is mis­tig en mie­ze­rig weer. Opeens uit het niets een flits. Wat volgt, is vre­se­lij­ke pijn. May­ke Swin­kels-Meij­e­rink valt op de grond. Dan een enorm don­de­ren­de knal. Van schrik veert ze op. ,,Dat is mijn re­a­ni­ma­tie ge­wee­st'', ver­telt de 67-ja­ri­ge die nog kwiek rond­loopt in Broek in Wa­ter­land. Der­tien jaar ge­le­den is ze in het re­cre­a­tie­ge­bied ach­ter het AMC in Am­ster­dam ge­trof­fen door de blik­sem. ,,Op 10 ju­li 2000. Rond acht uur 's och­tends. Dat ver­geet ik nooit meer. De pijn is echt ner­gens mee te ver­ge­lij­ken. Zo erg.''

'Daar ga ik', denkt ze. ,,Al­les vloeit dan weg.'' Maar door de knal springt Swin­kels met­een er­na over­eind. ,,Mijn hart komt weer op gang. Dus ik ben niet dood? Ik heb het met mijn twee hon­den op een ren­nen ge­zet.''

De pa­ra­plu met ij­ze­ren punt die vol­gens haar oor­zaak van de blik­sem­in­slag is, laat ze lig­gen. Op de plek van het voor­val is ze nooit meer te­rug ge­weest. Swin­kels man­keert niets en gaat de­zelf­de dag 's avonds ge­woon naar het zwem­bad. Daar zien me­de­re­cre­an­ten de enor­me blau­we plek rond haar hart­streek en ad­vi­se­ren toch maar bij de huis­arts langs te gaan. Dat doet ze de vol­gen­de och­tend. ,,Tij­dens dat be­zoek ver­telt hij mij dat de har­de knal die mij heeft la­ten op­ve­ren mijn red­ding is ge­weest. Want zo'n blik­sem­flits legt al je spie­ren lam, in­clu­sief de hart­spier.'' Ver­der denkt Swin­kels dat de rub­be­ren kap­laar­zen die ze draagt bij re­gen­ach­tig weer, aan de goe­de af­loop heb­ben bij­ge­dra­gen.

Aan­van­ke­lijk ge­looft nie­mand haar ver­haal. Als ze thuis­komt, vraagt haar man: ,,Heb je die knal ge­hoord?'' Ant­woord: ,,Ja, de blik­sem is door mij heen ge­gaan.'' Maar haar echt­ge­noot re­a­li­seert zich he­le­maal niet dat spra­ke is van on­weer. Dat geldt ook voor veel an­de­ren aan wie ze over haar be­le­ve­nis ver­telt. ,,De knal heeft ie­der­een ge­hoord, maar het is he­le­maal geen dag voor on­weer. Van een on­weers­bui kan je ook niet spre­ken. Eén flits, één knal. Dat is het. Maar wel door mij heen. Ik vind het op dat mo­ment zo erg dat ik niet wordt ge­loofd. Dit ver­zin je toch niet?''

Als Swin­kels la­ter een be­ken­de spreekt die op het tijd­stip van de in­slag op de­zelf­de hoog­te met zijn au­to op de mid­den­weg heeft ge­staan, ver­telt hij met voer­tuig en al te zijn op­ge­tild door de lucht­stroom en een me­ter ver­der weer te zijn neer­ge­ko­men. Ook zijn ver­haal ge­looft nie­mand. ,,Maar die lucht­stroom is heel hef­tig ge­weest. Bij het op­staan na de don­der, wap­pe­ren mijn han­den ook van die lucht­ver­plaat­sing.''

Swin­kels is nu niet bang voor on­weer. ,,Dat heb ik di­rect te­gen me­zelf ge­zegd. Je gaat hier geen trau­ma aan over hou­den. Dan heb je toch geen le­ven meer?'' Eén van de hon­den die tij­dens de in­slag bij haar is, springt bij el­ke vol­gen­de on­weers­bui op haar en gaat dan lang­uit lig­gen. ,,Om me te be­scher­men, denk ik.'' De eer­ste tijd heeft ze de nei­ging om men­sen met een pa­ra­plu met ij­ze­ren punt te waar­schu­wen voor het ge­vaar dat ze daar­mee lo­pen. ,,Maar die be­grij­pen het niet. Kij­ken me mee­wa­rig aan. Daar­om ben ik daar maar mee ge­stopt.''

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.