Ik hoop dat ze daarboven een bal voor Gerrie hebben (foto)
Bron: Thijs Zonneveld in AD
De rest van de middag heb ik alleen nog maar naar Gerrie gestaard.
Hoe hij de bal beroerde: dat was pure liefde.
Hij aaide, hij streelde, hij fluisterde er lieve woordjes tegen.
Hij hield van de bal, de bal hield van hem.
En hij leerde tienduizenden jochies ook - al was het maar een klein beetje - van de bal te houden.
Thijs Zonneveld
Het tafeltje in de voetbalkantine zag eruit zoals tafeltjes in voetbalkantines eruit horen te zien: met een Oud-Hollands kanten kleedje erover. Achter het tafeltje zaten twee broers die perfect bij het kleedje pasten. De ene heette Gerrie, de andere Arnold. De Mührens kwamen uit Volendam: de hoofdstad van alles wat Oud-Hollands is. Gerrie & Arnold werden door een stuk of honderd kleine jochies aangekeken. Ik was er een van. Het was ergens eind jaren 80, dus Arnold kenden we allemaal: die speelde bij Ajax en die hadden we in ons Panini-boek zitten. Hij kwam ons voetballes geven. Wie Gerrie was wisten we eigenlijk niet - en hem even googlen kon nog niet. Hij zag er oud uit. Hij had een kunstgebit en een coupe Dick Advocaat (lok van links naar rechts over kale plek gekamd) - maar het aller Oud-Hollandst was zijn geruite opabroek. Gerrie, zo concludeerden wij, was vast met Arnold meegekomen om de ballen te halen en limonade uit te delen tijdens de pauze. Tien minuten later stonden we op het veld voor de warming-up. Die werd gedaan door Arnold. Gerrie was even omkleden; hij was met zijn opabroek en een sporttas uit het jaar nul naar kleedkamer 6 gestiefeld. Ergens tussen het rekken, strekken, knieën hoog en hakkenbillen kwam Gerrie het veld oplopen. Niet meer in zijn geruite broek, maar in een trainingspak. Zo'n hele fijne van een merk dat niet meer bestaat, met grote jaren 80 vlakken op de schouders. Zo eentje die een beetje ruist als je loopt. De pijpen van het trainingspak had hij in zijn kousen gestopt; daaronder droeg hij zwarte kicksen. Gerrie zag er ineens totaal anders uit. Hij liep niet meer houterig, sterker nog: hij liep helemaal niet. Hij zweefde. Het was alsof hij het gras niet raakte. Gerrie pakte een bal en liet 'm op zijn schoen stuiteren. Eén keer, twee keer, drie keer, honderd keer. Hij legde 'm in zijn nek, liet 'm rondjes draaien op zijn voorhoofd, goochelde er wat mee op de punt van zijn hak en schoot 'm daarna van dertig meter strak in de winkelhaak. Achteloos. We stonden erbij en keken ernaar, zonder met onze ogen te knipperen. Hoe was het mogelijk dat de man die tien minuten geleden nog als een oude man met een opabroek achter een kanten kleedje had gezeten, zoiets kon? Het moest aan het trainingspak liggen, dat kon niet anders. Dat pak was Gerries Supermancape. Als hij dat aantrok kon hij alles: zweven, goochelen, de bal betoveren. Hij was geboren om een trainingspak te dragen. Het zat hem als een smoking. Geen Martin-Jol-campingsmoking, maar een James-Bond-shaken-not-stirred-smoking. De rest van de middag heb ik alleen nog maar naar Gerrie gestaard. Hoe hij de bal beroerde: dat was pure liefde. Hij aaide, hij streelde, hij fluisterde er lieve woordjes tegen. Hij hield van de bal, de bal hield van hem. En hij leerde tienduizenden jochies ook - al was het maar een klein beetje - van de bal te houden. Gerrie Mühren werd 67 jaar oud. Ik hoop dat ze daarboven een bal voor hem hebben. En een fijn trainingspak.