Ooggetuigenverslag 4-jarige watersnoodramp in Volendam: ‘Moe, alweer een treetje hoger!’
Zo’n 20 jaar geleden ontving Jan Schilder uit Volendam een brief van mevrouw Nellie van de Brink-Spaander uit Noordwijk. Het betrof het door haar moeder op schrift gestelde ooggetuigenverslag van de eerste twee dagen van de Watersnood in Volendam, vrijdag 14 en zaterdag 15 januari van het jaar 1916. Haar moeder heette Cornelia, of ook wel Corry, Schokker en was een dochter van Cornelis Schokker en Trijntje Veldhuizen.
Cor Schokker was al eerder, in juli 1911, op slechts 26-jarige leeftijd overleden aan t.b.c. Moeder Trijntje woonde met haar drie kinderen destijds in Wijk Vll nummer 414, tegenwoordig Meerzijde 19. Dochter Cornelia Schokker ervoer de Watersnood als kind van ruim 4 jaar, nog onschuldig en zorgeloos. Dat spreekt ook uit het verslag, dat zij vele jaren later als volwassene heeft geschreven.
Vanwege de wateroverlast in hun woning moesten zij vluchten naar de bovenverdieping; na twee dagen werden zij daaruit bevrijd en geëvacueerd. Aanvankelijk naar tantes in Edam, later ook nog naar familie in Beverwijk. Toen na enkele maanden het water in de straten en huizen weer was gezakt, zijn zij naar Volendam teruggekeerd.
Mevrouw Cornelia Schokker is later getrouwd met de bekende Pieter Spaander en zij hebben altijd in Edam gewoond. Haar zus Hilly Schokker is getrouwd met Cor de Boer; zij zijn in Beverwijk gaan wonen. Hun broertje Jacob is op slechts 9-jarige leeftijd overleden aan t.b.c.
Ooggetuigeverslag
16 januari 1916. Watersnood, dijk doorgebroken bij Katwoude. En nu vandaag de wind weer zo hard waait, zodat de pannen op het dak opgelicht worden, dacht ik weer aan Volendam, zat ik weer boven op zolder. O, o, wat weet ik alles nog goed.
Het was bar hoog water en er stond een vreselijke N.W. storm. Maar och, dat gebeurde vaker, dus sliepen we allemaal nog, toen er hard op de deur gebonsd werd. Oom Jaap z’n bed uit naar beneden en daar stond oom Nelis. ‘Zijn jullie wel wijs! Heel Volendam loopt op de dijk, ‘t water slaat over de dijk heen bij Runderkamp en ze zijn bang voor een dijkbreuk. We kunnen niets meer doen in ‘t magazijn aan de dijk en daarom ga ik gauw naar huis’.
Oom Nelis was namelijk bij de dijkwacht. Dus wij allemaal ons aangekleed en met m’n moeder de dijk op. Verder dan Runderkamp kwamen we niet, de zee stond zo hoog en de wind was zo sterk. We gingen terug en hoorden meteen dat de dijk doorgebroken was. Nou, we woonden vlak achter de dijk, dus zouden beslist last krijgen. Onbegrijpelijk hoe snel dat water in de sloten steeg. Wij woonden in een betrekkelijk groot huis, hadden een grote zolder en dat was gelukkig, want de buren, Piet van Jan Prent en Maartje (onze werkster) wisten niet, wat ze met hun spullen moesten beginnen en vroegen of ze bij ons kleren mochten brengen. O, en m’n moeder was zo schoon en netjes op alles, en Maartje liep met armen vol kleren, zomaar met klompen aan over het mooie lopertje in de gang. ‘Ken je je klompen niet uitdoen, Maartje’, zei m’n moeder, die misselijk was van ellende. Een minuut later golfde het water al in de gang over haar mooie loper! Iedereen was aan het sjouwen en ook wij als kinderen deden mee.
Sinterklaas
Het was juist Sinterklaas geweest en we hadden een pracht van een poppenwieg gekregen met nog meer speelgoed. We vonden het bar leuk en zongen: ‘We gaan verhuizen, wie gaat er mee, we nemen poppen en ledikantjes mee’, en hielpen zoveel mogelijk naar boven te brengen. Oom Jaap gooide de kachel uit met het water, dat steeds hoger in de kamer kwam te staan, en wij moesten boven blijven. En ja, dat was weer een nieuw pretje voor ons, want we keken telkens naar de trap, En als er weer een tree blank stond, zeiden we: ‘Moe, alweer een treetje hoger!’ We wisten toen nog niet hoe hoog het water zou komen, maar Jacob, mijn broertje, zei: ‘Moe, u hoeft niet bang te zijn hoor. Als ‘t water nog hoger komt, klimmen we op ‘t puntje van de kerktoren!’
Weinig eetbaars
Toen mochten we niet langer meer kijken en werden met kleren aan in bed gestopt. En daar zaten we met m’n moeder, tante Coba, tante Marie, oom Jaap, opoe en Maartje, die ook haar hond had meegenomen en wij onze poes natuurlijk ook boven hadden. Opoe had de beste dingen naar boven gebracht: petroleumstel en potten vol water, koffie en al wat eetbaar was, maar dat was niet veel. De eerste dag ging het nog wel, maar de tweede dag was er alleen maar koffie en weinig eetbaars.
Gelukkig kwamen er mensen met een bootje langs die ons wat brood brachten. Ze haalden ons nog niet van zolder af, want er waren veel mensen, die er erger aan toe waren dan wij. Oom Klaas was in dienst (‘t was toen mobilisatie) en kreeg verlof om naar Volendam te gaan. Nou, hij kwam met een bootje en daarin stond een ladder; toen kon hij door het opengeschoven raam bij ons komen. Hij bracht kwattarepen en koek mee en bleef tot de volgende dag, toen we gered werden.
Ware marteling
Maar o, o, wat een toestand, want de hond had honger gekregen en was aan de schoenen gaan kauwen; en overal lag hondenpoep en ook de kat deed het zijne erbij. Er was geen water genoeg om het schoon te maken, want we wisten niet hoe lang we ermee moesten doen. We werden aangekleed, zo goed en kwaad als het ging. Mantels hadden we niet; die hingen beneden in het water, dus dan maar wat kleren over elkaar heen. Zo moesten we door het raam, de wiebelende ladder af, in het bootje. Het ergste was dat voor opoe en voor Maartje, want zij had erge rheuma en dat was een ware marteling voor haar.
Niet vloeken
‘Verrek verdomme, verrek verdomme’, en alle heiligen riep ze aan. En m’n moeder zei: ‘Maartje, je mag toch niet zo vloeken; je bent nog wel een klop!’ Dat waren ongetrouwde vrouwen die de kerk schoon maakten en daarvoor eens in het jaar naar Lourdes mochten. Zo werden we met de hond en de poes naar de dijk gebracht. Maartje met haar hond ging naar haar broer Kees van Kuiltje, die aan de dijk woonde, want die huizen stonden op palen en dus droog. Maar wij moesten lopen in een gure wind, vergezeld van soldaten, over de dijk naar Edam.
Zonder begeleiding mocht je niet over de dijk gaan. Nou, al dat water om ons heen aan allebei kanten van de dijk vond ik zo naar, en dat maakte me zo bang, dat het echt geen wonder is, dat ik m’n hele leven watervrees gehad heb. En heel gek, er zijn maar twee van onze kinderen die kunnen zwemmen. De andere drie zinken al, zo gauw ze tot hun middel in het water staan. Dat is er echt ingeboren, denk ik.
Landlopers
Zo kwamen we als landlopers op een schoen en een slof, verkleumd van kou, bij tante Antje en oom Klaas Veldhuizen aan. Maar die konden ons niet allemaal houden, zodat m’n moeder en Jacob en Hilly en ik na drie weken naar Kwadijk gingen waar de bap woonde. Opoe bleef in Edam met tante Coba, en tante Marie ging naar haar aanstaande schoonouders ook in Edam.
Ziek
Van ellende werd mijn moeder ziek. De bap was erg lief voor ons, maar opoe was zijn tweede vrouw en geen kinderen gewend; en ze was bovendien nogal gierig, dus kostte dat haar teveel. En ja, dat vond mijn moeder erg vervelend, om zo op de schobberdebonk te moeten zijn daar. Dus na een week of vijf gingen we naar Beverwijk, naar oom Dirk en tante Garms, een oom van mijn vader. Zij waren evangelisten en kwamen van de hel in de hemel.
Broodwinning weg
We waren daar zo welkom, en oom en tante deden voor ons al wat ze konden. Ook kwam m’n moeder weer bij van alle ellende. Niet alleen dat we dakloos waren, maar al onze eenden en kippen waren ook verdronken en dat was onze broodwinning. We hadden een stuk land, waarop 500 kippen en 1000 eenden liepen en oom Jaap zorgde daarvoor. Dat had hij beloofd aan m’n vader bij z’n sterven en oom Jaap heeft altijd woord gehouden. Een vader had het niet beter kunnen doen en dat waardeer ik nu nog.
Koningin
Gelukkig werden er toch nog heel wat eenden opgevangen en naar Amersfoort gebracht. Ook oom Jaap ging daarheen, zolang we niet in ons huis terug konden, en verzorgde daar met nog meer Volendammers de eenden. Waar ook de koningin op bezoek kwam, en oom Jaap tegen Siem Hansen zei: ‘Daar gaat de koningin!’ Waarna Siem Hansen in zijn blauwe onderbroek en rode baaien hemd lopende naar de koningin ging en een buiging voor haar maakte en zei: ‘Koningin, ik wist niet dat je de koningin was!’
Alle Volendammers lachen. Maanden zijn we in Beverwijk gebleven. We liepen er als zigeunerinnetjes bij. Van de een kregen we een jurkje, van de ander een manteltje en schoenen, tot we eindelijk naar Volendam terug konden gaan.
