Ik ben in het museum geweest. Op uitnodiging van mijn vroegere grote buurjongen, Kees Pet. Die mij ook heeft rondgeleid. Het was meer dan de moeite waard; de twee uur waren eigenlijk tekort. Maar ik kom nog een keer; met mevrouw Wouters. Als het wat rustiger is. Dan ga ik de filmpjes in de filmzaal kijken, terwijl zij het museum bezoekt.
Ik kan het dan ook iedereen zeker aanraden. En Kees geeft, ongeacht het aantal bezoekers, graag op ieder moment van de dag een rondleiding. Met veel enthousiasme vertelt hij dan over Volendam. Over de watersnood van 1916. Maar ook over de vaste expositie. En aan de hand daarvan hoe het vroeger er in Volendam aan toe ging. Bijvoorbeeld over het garnalen pellen. Voor mijn generatie dit en nog veel meer nog sterk herkenbaar. Voor jongere generaties via overlevering. Toen Kees nog op de lagere school zat, vertelde hij mij, verzamelde hij al over Volendam. Heeft schriften en plakboeken vol thuis liggen, waar hij graag tijdens de rondleiding uit put. Kreeg bijna tranen in zijn ogen toen hij vertelde hoe onze Vincentius in de jaren zestig is 'vertestereweerd' door een domme Pastoor die graag mee wilde doen en een prachtige, grote muurschildering van kunstschilder Bleijs liet witkalken. Omdat dat teveel zou afleiden van de dienst. Het woord 'Mis' wilde hij ook niet meer gebruiken. En in dat verband hoe een andere Pastoor de opdracht om de staties te schilderen niet aan dezelfde Bleijs gaf, maar aan een vriend van een vriend. Terwijl de Volendammers in het Kerkbestuur dat aan Bleijs gunden, omdat hij hier woonde en bovenal omdat de inkomsten in zijn gezin meer dan welkom waren. Waarop Bleijs, ondanks de toen verstikkende greep van de Katholieke Kerk, nooit meer een voet over de drempel van de kerk heeft gezet. Ik vraag me zelfs af of hij uit die kerk is begraven.
Zowel de expositie over de watersnood als de vaste expositie zijn verrassend en bijzonder goed opgezet. Kees realiseert het zich niet, maar hij heeft een goed voorstellingsvermogen hoe iets in de juiste verhoudingen er moet uit gaan zien en hoe het ook gemaakt moet gaan worden. Zie je niet zo vaak; veelal is dit over verschillende beroepen verdeeld, wat knelpunten geeft. Toen ik hem vroeg waarom de ruimte van het sigarenbandjeshuisje niet tijdelijk aan de expositie van de watersnood was toegevoegd, wierp hij een schichtige blik naar voren. Waar later bleek, onze Willem op zijn zetel zat. 'Dat kan niet, fluisterde hij. Al die tienduizenden toeristen die daarvoor komen, zullen we dan zwaar teleurstellen'.
Ongetwijfeld zult u tijdens uw bezoek Willem aantreffen. Hij slaapt er alleen niet. Ongeschikt als, zij het informeel, baas van het museum. Maar dat is hem niet kwalijk te nemen. Iedereen die zo lang voor de klas heeft gestaan kan nu eenmaal moeilijk samenwerken met andere en is ervan overtuigd alles beter te weten. Maar hij hoort erbij en als hij er niet meer is, is het museum niet meer wat het geweest is. Ik begreep dan ook van Kees dat Willem vanuit zijn sigarenbandjeshuis begraven wil worden. Maar dat zal nog wel even duren. Die ruimte zal dan ook op zijn Volendams als Chapelle Ardente worden ingericht. In het Volendams wordt hij begraven. Dat pak staat hem uitstekend. Tegen die tijd past het hem ook, denk ik. Heeft nu nog wat last van 'hoog water'.
Ook de vele schilderijen, de meeste ervan royaal en geruisloos gefinancierd door de RABO-bank, geven het museum een bijzondere sfeer. Het museum ook is erg schoon, ruikt het fris en goed geklimatiseerd. Zoals het ook hoort. En alle schoonmaakmiddelen zijn tegenwoordig trouwens milieuvriendelijk. Zelfs de 'dikke bleek'. Aldus betoogt mijn broer, hoogleraar in de biochemie aan de VU. En die kan het weten. Wat de heer Seeboldt ook moge beweren. En de heer Seeboldt kent wel het verschil tussen 'betogen' en 'beweren'.
All-in-all. Ik zou toch even bij het museum naar binnen gaan. Kost amper geld en na afloop kun je nog even aanschuiven voor een kopje koffie en zo'n lekker vet 'beste butter koekie'.
Een aardig museum ook - maar dan in Nederlands verband - is 'Het museum van de twintigste eeuw' in Hoorn. In de vroegere gevangenis aldaar. Veel herkenbaar. Ons fondustel in die opzichtige kleur stond er onder andere ook. En onze mixer. Is wel voor hen die geen Museumjaarkaart hebben een stuk duurder dan ons museum. Vroeger kon je na afloop van je bezoek even in de brasserie een kopje koffie drinken, met uitzicht op het water. Veel minder trouwens dan 'ons' uitzicht op de Gouwzee vanaf de dijk. Maar toch; het licht daar over de Hoornse hop maakt veel goed. Maar dat is helaas ook verleden tijd. Tegenwoordig liggen er van die riviercruiseschepen. Moet je even de uitbater over aanspreken.... Kom je niet meer weg.