8 november 397 - Sint Maarten overleden
De meeste heiligendagen worden gevierd op de avond voor de sterfdag van een heilige. Vroeger begon een etmaal bij zonsondergang, dus wat nu sinterklaasavond is op 5 december, was vroeger het begin van 6 december: de sterfdag van Sint Nicolaas (in België wordt Sinterklaas op 6 december gevierd). Het feest van Sint Maarten (Martinus van Tours) is pas op 11 november, terwijl de man al op de 8e is overleden.
Maar 11 november is de dag dat hij werd begraven. Het feest wordt lang niet overal in Nederland gevierd (ik ben toevallig geboren in een regio waar het wel een populair feest is en ben jarenlang met mijn op school geknutselde lampion langs de deuren gegaan om snoep op te halen. Volgens sommigen is Sint Maarten een heidens feest dat een christelijk sausje heeft gekregen, volgens anderen is het een echt christelijk feest zonder heidense grondslag. Mij lijkt het logisch dat het al eerder werd gevierd, zeker omdat het de eerste is van de traditionele bedelfeesten en armen zijn van alle tijd.
Het verhaal van Sint Maarten is bij mij goed bekend, maar als ik het over het feest heb zie ik regelmatig glazige blikken, dus niet iedereen zal het weten. Martinus van Tours werd aan het begin van de 4e eeuw geboren in Hongarije. Zijn ouders waren Romeins en ook hun zoon ging het leger in. Toen hij 15 was vertrok hij als militair naar Gallia, het huidige Frankrijk. Op een dag was hij met een groep andere soldaten op weg naar Amiens en het vroor dat het kraakte. Zijn makkers zetten er de pas is, maar Martinus besloot zijn paard te sparen en kwam pas bij de stadspoort toen het al bijna donker was.
Hij zag een bedelaar zitten die rilde van de kou en waarschijnlijk de nacht niet zou overleven. Martinus pakte zijn zwaard, sneed zijn mantel in tweeën en gaf de helft aan de bedelaar. Die nacht verscheen Jezus in een droom aan Martinus en hij droeg de halve mantel die hij eerder aan de bedelaar gegeven had. Jezus zei tegen Martinus: "Ik was naakt en gij hebt mij gekleed" (zie hier de oorsprong van de woorden mantelzorg en palliatieve zorg - pallium is een Latijns woord voor mantel).
Martinus was zo onder de indruk van zijn droom dat hij het leger vaarwel zei en het geloof begon te verspreidden. Hij werd uiteindelijk zelfs bisschop van Tours. Na zijn dood werd zijn graf een bedevaartsoord en hij was één van de populairste heiligen van de Middeleeuwen. De meeste stukjes van Martinus van Tours liggen daarom al lang ergens anders, want vrijwel alle botten zijn verkocht als relikwie, onder andere aan de Dom van Utrecht (Martinus van Tours is de patroonheilige van de stad). Nu was Martinus zelf nogal militaristisch als het ging om het uitroeien van heidense gebruiken en hij heeft meerdere tempels vernield/laten vernielen en op die plaatsen kloosters of kerken gesticht. Dus zou het toepasselijk zijn als de kerk hem na zijn dood ook gebruikte om een heidens feest te kerstenen.
Sint Maarten is van oudsher de uiterste datum dat de oogst binnen moest zijn en ook de dag dat het vee op stal ging (vandaar het liedje Sint Maarten, Sint Maarten, de koeien hebben staarten, etc.) In Germaanse tijden werden dankoffers gebracht: overal werden grote vreugdevuren aangestoken (weer eens wat anders dan wij met onze lampionnetjes). Die lampionnen zijn overigens niet standaard. In sommige Vlaamse gebieden en in het gebied rond de Nederrijn wordt of Sinterklaas of Sint Maarten gevierd en daarbij zijn dan vaak optochten met Sint Maarten op een wit paard (soms ook met Zwarte Piet erbij) en soms is pakjesavond daar ook op 11 november in plaat van met Sinterklaas. Zo staat in Denderbelle de Sint-Martinuskerk en viert men geen Sinterklaas en in het naastgelegen Buggenhout staat de Sint-Niklaaskerk en daar viert men geen Sint-Maarten. In Oost-Friesland in Duitsland eet men Peepernööten en elders eet men die dag gans (Martinsgansessen). In andere delen van Duitsland (oa Zuid-Tirol), Oostenrijk en Hongarije zijn ook optochten en worden nog vreugdevuren ontstoken. Maar overal is eten en drinken in overvloed.
In Limburg bestaat het gezegde 'Als de kinderen Sint-Maartensliedjes zingen, schrijven varkens hun testament en inderdaad is 11 november de dag dat de varkens traditioneel geslacht worden, maar het is ook het begin van het 'kwade seizoen'. Het was moeilijk, zeker voor de armen om de winter te overleven en je moest heel zuinig zijn met je eten. Armen moesten de helft van hun geslachte dieren verkopen om in het voorjaar weer jonge dieren te kunnen kopen en hadden dus nog minder vlees. Al het eten dat er nog was moest geprepareerd worden: groenten werden gezouten, fruit bewaard in jenever, worsten en hammen werden gerookt en de rest, zoals meel, werd luchtdicht bewaard onder een laag vet. Er waren geen koelkasten, dus eten bewaren was lastig. Als je aan het begin al niets had was het nog erger en daarom waren ook al meteen de eerste bedelfeesten: Sint Maarten en Sint Nicolaas.
Dat waren niet geheel toevallig heiligen die zich het lot van de armen aan hadden getrokken en daarmee voelden de rijken meer dan anders de plicht om uit te delen. Een liedje werd van oudsher gezien als een tegenprestatie. Mijn oma mocht bijvoorbeeld geen Sint Maarten lopen toen ze jong was, dat deden toen nog alleen de arme kinderen. Gezinnen die iets konden geven zetten vaak een brandend houtblok bij de deur zodat mensen wisten waar ze heen konden. Pas rond de jaren '30 werd het feest niet meer gezien als een bedelfeest, maar als een kinderfeest. Traditionele lekkernijen als speculaas, kruidnoten en oliebollen zijn gemaakt van houdbare ingrediënten met specerijen om indien nodig de smaak van ranzig vet te verbloemen. Vroeger werd ook tijdens de advent (de periode voor kerst) gevast en dat was niet toevallig. Het was een manier om het gebrek aan voedsel draaglijker te maken. Je at weinig omdat je het niet wilde, niet omdat je niets had.
Veel ingemaakte groenten en meel was goed tot eind december, begin januari. Dus dat was een tijd om weer op krachten te komen. Van oudsher de midwinterperiode, maar in het christendom de tijd van kerstmis, het feest van de onnozele kinderen (28 december, de kindermoord in Bethlehem) en Driekoningen (6 januari) en de laatste 2 zijn ook bedelfeesten. Met Kerstmis mochten armen legaal stropen en dat was dan ook de periode dat er wild gegeten werd (en kon worden). Op 28 december gingen de kinderen verkleed als volwassenen langs de deuren en kregen snoep, eten en soms geld en op 6 januari zongen ze Driekoningenliedjes, ook weer in ruil voor eten. In die periode probeerde iedereen zoveel mogelijk binnen te krijgen, want eten laten bederven kon niet en pas in maart kwam er weer voldoende voedsel van het land.
Pas in de 19e eeuw kwamen nieuwe bewaarmethodes voor eten op de markt. In 1810 kreeg Peter Durand het patent op het inblikken van voedsel en vlak daarvoor won Nicolas Appert een prijsvraag van Napoleon door het wecken te bedenken (Appert is een onbezongen held, maar over hem later deze maand meer). In de loop van de 19e eeuw kon voedsel het hele jaar door bewaard worden en aan het einde van de eeuw was dat dusdanig goedkoop geworden dat armoede en gebrek aan eten steeds meer gezien werd als iets om je voor te schamen. In plaats van ook eten en geld uit te delen werden de bedelfeesten feesten voor arme kinderen om wat snoep te krijgen en later feesten voor alle kinderen, maar de traditionele lekkernijen zijn gebleven, evenals wild eten met kerst. Nederlanders houden blijkbaar niet zo van verandering op hun bord.
