Toch geen geen tariefdifferentiatie OZB voor dorsphuizen in Waterland
Op 8 november 2018 heeft het college aan de raad toegezegd dat de strekking van de op 25 januari 2018 door de raad aangenomen motie 191-27 van WaterlandNatuurlijk, SP, CDA en D66 inzake subsidiëring van de dorpshuizen en sportaccommodaties zal worden uitgevoerd.
Het college was van plan aan de Raad het voorstel te doen vanaf 2020 gebruik te gaan maken van deze wettelijk geboden mogelijkheid tot tariefdifferentiatie, en de OZB-verordening hierop aanpassen. Deze mogelijkheid tot tariefdifferentiatie hield kort gezegd in voor dorps-en buurthuizen en andere ANBI’s ( algemeen nut beogende instellingen ) en SBBF’s ( sociaal belang behartigende instellingen ) niet langer het hoge OZB-tarief voor niet-woningen in rekening te brengen maar het lagere OZB-tarief voor woningen.
Het college is echter bij nader inzien van mening, na hierover advies bij de VNG te hebben ingewonnen dat een dergelijke aanpassing in de OZB verordening geen gewenste ontwikkeling is. In principe geldt dat bij een rechtvaardige uitvoering van belastingwetgeving gewaakt moet worden om via het belastingeninstrument individuen, instellingen of organisaties financieel tegemoet te komen, hiervoor zijn andere geëigende instrumenten beter uitgerust.
Onroerende-zaakbelastingen (OZB) is een objectieve en zakelijke belasting waarbij de onroerende zaken als heffingsobjecten in de belastingadministratie centraal staan.
Daarbij past niet het verwerken van subjectieve elementen. Dat is wat bij deze aanpassing gebeurt. Voor de juiste toepassing van het OZB-tarief is van belang de sociale status van eigenaren en gebruikers te bepalen. Dit heeft tot gevolg, dat zowel de belastingadministratie als het belastingproces hierop aangepast moet worden.
De wetgever geeft expliciet aan dat gemeenten wel kunnen kiezen welke categorieën voor een lager tarief in aanmerking komen, maar zij mogen binnen deze categorieën geen nader onderscheid maken, waardoor bijvoorbeeld de ene sportvereniging een lager OZB-tarief krijgt dan een andere sportvereniging. Kiest men voor een lager OZB-tarief voor sportaccommodaties dan geldt dat tarief voor alle sportaccommodaties en mag binnen die categorie geen nader onderscheid worden gemaakt.
Daarnaast is bij de aanpassing van artikel 220f niet onderzocht of deze wetswijziging leidt tot ongeoorloofde staatssteun. Ook is niet onderzocht of de wetgever mogelijk in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving (en dan met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel). Ten slotte is het de vraag in hoeverre het rechtskarakter van de OZB geweld wordt aangedaan door een subjectief element in een objectieve en zakelijke heffing te introduceren en wat voor juridische gevolgen dat kan hebben.
Om alle hierboven genoemde onduidelijkheden adviseert de VNG haar leden om van de mogelijkheid tot tariefdifferentiatie van de OZB geen gebruik te maken.
Het college neemt dit advies over en heeft in de concept-verordening OZB 2020 geen bepaling voor de gedeeltelijke vrijstelling voor Dorpshuizen en Sportaccommodaties opgenomen. Voorgesteld wordt om de betreffende instellingen op aanvraag eenmalig een subsidie van maximaal € 250,- te verstrekken. Deze werkwijze is gelijk aan hoe er uitvoering aan motie 191-27 is gegeven in 2019.
