Jack Mühren: ‘De tweede plaats is niet genoeg voor een Volendammer’
Waar komt die Volendamse gedrevenheid vandaan, om overal de beste in te willen zijn? Als een jonge Volendammer ergens aan begint, eindigt dat bijna altijd op een positieve manier. Of dat nu is in het zakenleven, in de sport of muziek; wij zijn als klein dorp uniek waar het gaat om inzet en gedrevenheid.
Internationale muziek met de grondleggers The Cats, later de BZN en nu nog steeds Jan Smit, Nick en Simon de 3J’s, Mell en aanstormend Jan de Witte als Blanko. Lokaal dateert kundigheid in muziek overigens al van veel vroeger: Lou Buijs (Plim) had het Concertgebouworkest kunnen dirigeren. Dat de muziek van The Cats blijvend is, bewijst nog wekelijks The Tribute to The Cats band met volle zalen. Al deze artiesten, groot en klein in diverse disciplines, zijn ambassadeurs van ons dorp, met de commune gedrevenheid waar Volendam voor staat.
In de voetballerij staan wij ook vooraan, als je kijkt naar mensen die de naam van Volendam uitgedragen hebben. Natuurlijk staat hierin centraal ons eigen FC Volendam, de bakermat van waaruit een relatief opvallend groot aantal voetballers internationaal furore maakte, mede dankzij alweer die gedrevenheid binnen deze club. Gerrie en Arnold Mühren, Wim Jonk, Pier Tol en Keje Molenaar werden internationals, Edwin Zoetebier was een topkeeper.
Terwijl ten tijde van dit schrijven de FC weer bovenin meedraait in de Keuken Kampioen Divisie. En wie weet, zit er nog een promotie in, dit seizoen. Joey Veerman speelt moeiteloos mee bij SC Heerenveen, Henk Veerman doet het goed bij het Duitse St. Pauli en Robert Mühren maakt zijn doelpunten bij SC Cambuur. Scheidsrechter Jan Keizer behoorde tot de wereldtop in zijn tijd, en verloochende nooit zijn afkomst.
Zo kan ik nog wel even doorgaan. Neem even de eclatante successen in de handbal, zaalvoetbal, zwemmen met Luc Kroon. Zelfs in Taekwondo heeft Volendam wereldkampioenen geleverd. Kortom: dit kleine dorp heeft het in het bloed zitten om overal de beste in te willen zijn. En daar mogen wij best trots op zijn.
Waar komt die gedrevenheid toch vandaan? Ik denk dat we dan in eerste instantie terug moeten gaan naar het verleden, toen het dorp Volendam zich nog achtergesteld voelde ten opzichte van de stad Edam, die stadsrechten had. Daar waar heren van stand met hoge hoeden op zondag in de grote Edammer kerk in banken zaten, en Volendammers achterin de kerk moesten staan, nadat zij zich de moeite hadden getroost te voet naar Edam te komen. Dit laatste lijkt op sportschoenen of fiets een geringe prestatie, maar op klompen ligt dat anders. Tegen wil en dank begon daar al een training.. De Volendammers wilden waarschijnlijk laten zien dat ook zij wat in de melk te brokkelen hadden. Zoals een gemiste kans voor sommige mensen juist de volharding doet versterken, de wilskracht aanscherpt, in plaats van andersom.
Door hard te werken, met name in de visserij, en de gedrevenheid om te willen presteren, werd Edam een soort graadmeter voor Volendam. De balans in aanzien werd later meer dan gelijk getrokken tot het beeld dat nu van Volendam in Nederland - en soms zelfs daarbuiten - bestaat. Een tweede plaats is voor een Volendammer niet goed genoeg.
In de bouw wil een Volendammer metselaar méér stenen wegleggen dan zijn buurman, puur omwille van de prestatie. Want streberigheid is evenwel ook in Volendam fout. Jan Smit wilde als 6 jarig jongetje minstens nèt zo goed worden als zanger Jan Keizer. Arnold Mühren wilde net zo goed worden als zijn broer Gerrie.
Een goede, plaatselijke tennisser werd ooit tweede op een gerenommeerd toernooi. Bij thuiskomst vroeg het thuisfront of hij niet eerste had kunnen worden. Dan sta je toch weer met beide benen op de grond. Zo’n uitspraak is typerend voor de competitiedrang van Volendammers.

