Naar de inhoud

Kermis getuigenissen uit begin 20ste eeuw

Bron: Volendams Erfgoed

Uit de periode rond 1900 zijn naast schilderijen en schetsen van kunstenaars als Hanicotte, Hering en Willy Sluiter ook foto's van de Volendammer kermis bewaard gebleven en de tekst van een eigen kermislied uit 1905 waarvan het laatste couplet als volgt luidt:

Al blaast de wind de zeilen menigmaal bol,
Al eischt de zee haar offers, wij houden vol,
Wij staken niet, ’t is wel uniek
Ook zijn we gek op mooie muziek,
En op de kermislol, ja dat is dol, ja dat is dol!

Journalist en schrijver Jan Feith vindt in zijn kermistafereel van 1906 in twee Volendamse meisjes de gratie van den dans ten top gevoerd en brengt de natuurlijke danslust van de Volendammers in verband met de ritmische deining der Zuiderzee. Een rechtstreekse verwijzing naar de kermis van Volendam tekende de folklorist van der Ven op uit de mond van een Westfriese speelman die vertelde dat hij tijdens de kermis van 1908 de uit de middeleeuwen stammende eierdans had begeleid in hotel Spaander. Het was een goed gebruik dat de kermisavonden met deze en andere behendigheidsdansen voor mannen werden geopend. Daarna was het dan tijd voor de reidansen, polka’s mazurka’s en walsen. .Hij verplaatst het in dat verslag genoemde kermisverbod van Amsterdam onterecht naar 1910 en verder wijst hij de op de orgelklanken van de draaimolen dansende en zingende kermisgangers die zich tegoed doen aan botjes, gerookte aal, scharretjes, poffertjes, oliebollen en wafels. Zijn weinig vleiende opmerking over de viering van een Volendamse kermisavond is gebaseerd op een schilderij van een kermisscène in hotel Spaander door de schilder Hanicotte.

Volendammer kermis in 1912 beschreven als één groot dansfestijn van walsende en polka-dansende jongens en meiden

Op eigen waarneming berustte het levendige verslag waarin journalist Carel Guldemond in 1912 een beeld gaf van een Volendamse kermisavond als één groot dansfestijn van walsende en polka-dansende jongens en meiden. Voor schrijver –journalist Marie Brusse was de Volendammer kermis van 1915 een droom die hij zowel beleefde als een bont en speels Carnaval de Venise als een burlesque sotternije waar je Mozart in hoort en Breero en waarin je heel ’t gamma beleeft van Botticelli tot Burne Jones en van Breughel, Jan Steen. Het relaas dat de bereisde verslaggever van den Eeckhout in 1915 schreef in De Nieuwe Amsterdammer is vol verwondering over het unieke Volendam en lyrisch zijn de ontboezemingen over de Volendammer vrouwen met hun zuidelijk bloed en tarantella in de benen op de kermis in hotel Spaander. Over gastheer Leendert Spaander schrijft hij: “Hij weet dat Volendam meer dan de ondeugd de gekheid liefheeft. Hij houdt van de Volendammers om hun primitieve en onschuldige pret. Hun dansen als vroolijke vischbommen die beenen hebben gekregen, hun Indiaansche plechtstatigheid en niemand ergerende pleizier bij het gedrens van de muziek en het klossen van hun klompen is zijn lust op de kermisnachten van de Octobermaand".

Kermis tussen 1915 en 1930

Tijdens de eerste wereldoorlog (1914 – ’18) legde de winstgevende export van haring en ansjovis naar Duitsland de Volendammers geen windeieren en de kermissen waren in die tijd dan ook uitbundiger dan ooit. Op 26 augustus van het jaar 1918 pleegden de Volendammers een geslaagde coup waarbij de zogenaamde gemeentelijke visafslag die vanaf 1901 in handen bleek te zijn burgemeester Calkoen werd omgezet in een zelfstandige Coöperatieve onderneming ten bate van de eigen gemeenschap. Van 1901 tot de geslaagde coup vulde burgemeester Calkoen zijn eigen zakken met de opbrengst van de zogenaamde gemeentelijke afslag. De kermis was dat jaar extra feestelijk maar dat gold voor de aflevering van 1919 niet minder. De Turkse schommel stond toen nog als vanouds in de Kleipark en op de dijk stonden behalve de kramen van Koppies met galanterie en speelgoed een ijstent en de vertrouwde koekhakkraam en snoepkramen. Gerrit Bloem ventte over de kermis met noten en mangelen en ook in de Jozefstraat kon men voor snoep en ander lekkers terecht in de tentjes van plaatselijke handelaren. In de Botterstraat (later veranderd in Conijnstraat) stond ter hoogte van de latere drukkerij NIVO het paardenspul van circus Blanus, waarin paarden ronddraafden door de met zaagsel bedekte piste en Duitse circusartiesten voor een telkens uitverkochte tent voor die tijd spectaculaire nummers weggaven. Daarnaast stond een door de Muuw en maten gehuurde draaimolen met paardentractie die echter tijdens de eerste de beste rit onder de last bezweek. Achter de Jozefschool aan de Edammerweg tegenover de woning van Hoekstra (St. Jozefstraat 8) stond een prachtige zweefmolen. Met boeienkoningen, steltlopers, trompetspelende muzikanten en straatzangers was het tot in de avonduren bij het licht van carbid- en spirituslampen een levendige boel. In hotel van Diepen en de Jozef speelde orkesten en in de herbergen vrolijkten trompet- en harmonicaspelers de boel op waarbij ze door het gulle kermisvolk met ruime fooien werden bedacht. Een bekende schlager uit die tijd was ‘Hittepetit’ en in hotel Spaander bracht de zanger-komiek Bolletje in de jaren 1920 en ’30 onder begeleiding van een orkest elk jaar zijn eigen kermishit op een bekende wijs. Volgens een krantenbericht uit 1939 kwamen “de verstrooid wonende zonen en dochters van het aloude ras tijdens de wijd en zijd bekend staande Volendammer kermis naar het plaatsje aan de waterkant terug”.

Kermiszang in de roerige jaren twintig

Steeds meer Volendamse vissers zagen zich in de jaren 1920 gedwongen om werk te zoeken in de eendenhouderij, vishandel en dijkbouw, maar ondanks de sombere vooruitzichten in de visserij wist men de zorgen tijdens het jaarlijkse volksfeest van kermis voor een paar dagen opzij te zetten. Kenmerkend voor die tijd waren de van allerlei attributen voorziene en bont uitgedoste groepen kermisvierders, die zich dagenlang met verve overgaven aan uitbundige zang en dans die behalve in de ruim gemaakte cafés en herbergen bij goed weer ook buiten werden beoefend. Er was voldoende gelegenheid om de feestende menigte te herbergen want naast de hotels Spaander en van Diepen en het St. Jozefgebouw waren er nog de herbergen met volop muziek. In een gelegenheid als het café van Dirk van Boertje (later Binken) aan het havenkant was het door de aanwezige pianola-muziek een gezellige boel en dat gold zeker voor pension Frits Veldhuizen waar het goed dansen was op de zwierige wals- en polkamuziek van een heus huispierement.

Ook de andere cafés zorgden dat er tijdens de kermis een muzikant ‘op het werk’ was om het vertrouwde kermisrepertoire weg te geven. Dat vertrouwde repertoire omvatte in die tijd de nodige dansmuziek maar muzikanten als mookspeler Willem Visscher (Lol) en Tijmen Mooyer (Luuk) begeleidden in die tijd de nodige, oude ballades als van De twee koningskinderen, Het loze vissertje, De drie ruitertjes, Als er de zon aan de kim is gerezen en niet te vergeten De Ballade van de Garnkwak. Men zong ook de liedjes uit 1900 en daaromtrent zoals Het hutje bij de zee en Een reisje langs de Rijn, de talrijke uit het Duits vertaalde levensliederen van de hand van Paoli, Rogier en Ferry (Verlaten met de bekende regel ‘Ver van alles waarvan ik heb gehouden’). Evenals de vrolijkere nummers zoals ‘Daar komen de schutters en ‘Daar komen de Jantjes’ uit het bekende volksstuk van Herman Bouber sloegen goed aan.

Liedteksten werden voorgezongen en verkocht door rondtrekkende straatzangers

Aan liedteksten was trouwens geen gebrek want die werden toen nog voorgezongen en voor een paar centen aan de man gebracht door rondtrekkende straatzangers.
Een heel bekende kermishit uit die tijd was ‘Hittepetit’, dat in 1921 uitkwam maar nog vele jaren daarna tot in de huiselijke kring werd gezongen.

Hittepetit is van alle meisjes zeker de liefste die ik ken
Maar op mijn woord ik kan niet vertellen waarom ik zo verkikkerd ben
Hittepetit is wispelturig, je weet nooit wat je hebt aan haar,
Hittepetit is ongedurig, nu zit ze hier en dan weer daar.

Refrein
Hittepetit, Hittepetit,
Wist ik maar wat er in je kopje zit! (2x)

In hetzelfde jaar klonk in het toneelstuk Mooie Juultje van Volendam trouwens ook het kermislied van Jan Lemaire; ‘Heugt je nog wel dat het kermis was; toen kwam het dansen juist van pas’. De populaire zanger en komiek Meyer Nuñes Nabarro, alias Bolletje verspreidde in de jaren 1920 en ’30 zijn teksten van tevoren zodat zijn speciale jaarlijkse nummers tijdens de kermis in hotel Spaander luidkeels werden meegezongen. Zijn Kermislied ‘Leve Volendam!’ uit 1924 was gemaakt op de wijs van een Frans revueliedje, dat in die tijd heel bekend was.

‘tHeele jaar, komen voorwaar,
Veel vreemdelingen hierheen,
En moeten Volendam zien, die plaats alleen!
Volendam, die plaats beroemd om zijn mooie klederdracht,
En dan zijn flinke visschersvloot, neen ’t is een pracht.
Geen kermis is zo leuk, waar j’ook kwam,
Dan in Volendam!

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.