‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’
Nadat op 17 februari j.l. (2022) het rapport van het NIOD over de ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’ uitkwam, kreeg ik van een van onze lezers, tevens lezer van mijn boek ‘een Troeter vertelt’ het verzoek om mijn visie hierop te publiceren. Dit omdat ik dan wel geen ervaringsdeskundige ben maar wel nadrukkelijk betrokken ben bij dit rapport. Niet alleen als historicus maar ook als zoon van een soldaat die in deze periode het vaderland moest dienen.
Waarom deze bijdrage te posten op deze site? Niet alleen om aan het verzoek van een lezer te voldoen maar ook omdat mede vanuit Monnickendam, Edam en Volendam mannen naar ‘overzee’ gestuurd werden waarvan de meesten misschien niet meer in leven zijn maar waarvan hun nazaten mogelijk nog steeds met vragen zitten. Zeker na de ophef die vorige week ontstond bij het uitkomen van het betreffende rapport. Wie zich niet herkent in deze kwestie kan het lezen hier stoppen maar wie evenals ik betrokken is bij de kwestie Indonesië en mijn boek niet heeft gelezen het volgende:
Zoals zoveel zaken in het verleden, is ook Nederlands-Indië bij toeval op ons pad gekomen. Een jongeman uit Enkhuizen, Jan Huygen van Linschoten, maakte een reis op een Portugees schip mee naar de Indische archipel en beschreef deze in zijn reisverslag, de Itinerario (reisbeschrijving), voorzien van zogenaamde ‘portolaankaarten’ of te wel silhouettekeningen van kustlijnen om de kapiteins te laten weten waar ze waren. Dit boek werd in 1593 uitgeven waarna twee jaar later op basis hiervan een eerste reis vanuit Amsterdam, door De Houtman en Keyzer werd ondernomen. Ze bereikten de ‘Gordel van Smaragd’ en kwamen met dikke winst maar met grote verliezen aan mensen en schepen terug. De kolonie was geboren en in 1602 met de oprichting van de VOC gevestigd. Het zou de grote rijkdom van ons land worden. Echter wel over de ruggen en mensenlevens van de autochtone bevolking. Het meest schrijnende voorbeeld hiervan staat in brons op de Rode Steen in Hoorn: Jan Pieterszoon Coen, massamoordenaar pur sang.
Bekend is dat de VOC aanvankelijk vooral handelde in specerijen en opium maar ook in zaken als tabak, tin, zilver, goud etc. Toen de auto-industrie opkwam en de VOC ondertussen was opgevolgd door de Staat der Nederlanden, werden aardolie en rubber van zeer grote betekenis.
Om met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis te rennen kom ik aan bij het jaar 1945. Na de capitulatie van de Duitsers moesten wij ons land herstellen van de oorlogsschade. We noemen deze periode de ‘wederopbouw’. Daar waren zeer grote sommen geld voor nodig. Die dachten we te halen uit onze kolonie Nederlands-Indië. Dat was eigenlijk buiten de waard gerekend. Al in 1941, toen de VS nog net niet in de Tweede Wereldoorlog betrokken waren, beloofde president Roosevelt Engeland militaire steun in ruil voor het opgeven van koloniën zo gauw de oorlog was afgelopen. Nederland kreeg eenzelfde toezegging. Wij waren toen nog niet door de Japanners in Nederlands-Indië aangevallen. Ook in het Handvest van de VN werd in 1945 vastgelegd dat elk volk het recht op zelfstandigheid had. Desalniettemin keek de Nederlandse regering de andere kant op en dacht gewoon met het kolonialisme door te kunnen gaan. Hierbij heeft men zich verkeken op de kracht van het Indonesisch nationalisme onder leiding van Soekarno en Hatta die op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uitriepen.
Vanaf dat moment kwamen we in de ‘onafhankelijkheidsstrijd’ waarbij ca 200.000 Hollanders het wilden opnemen tegen een miljoenen-bevolking, verspreid over een immens groot land dat meer dan duizend eilanden besloeg.
Wie waren die tweehonderdduizend Hollanders? Deze groep bestond voor het grootste deel uit dienstplichtigen in de leeftijd van 18 tot 20 jaar die maar één doel hadden, levend terugkeren naar huis. Verder was er een betrekkelijk kleine groep ‘oorlogsvrijwilligers’ die meestal voor het avontuur of eigen gewin vertrok. De derde groep bestond uit het restant van de Nederlandse krijgsmacht die de officieren en onderofficieren leverde. De vierde groep was het overblijfsel van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) dat voor een deel bestond uit Ambonezen uit de Molukken die binnen het KNIL vaak de rang van onderofficier hadden en zeer trouw aan de Nederlandse overheid waren in hun streven naar onafhankelijkheid van de republiek der Zuid-Molukken, de RMS.
De positie van Nederland in deze kwestie was van te voren al uitzichtloos. De Indonesische vrijheidsstrijders hadden veel mee: de gesteldheid van het terrein, de rimboe die uitermate geschikt was voor een guerrilla en de uitgestrektheid van het land. Ook de wereldopinie keerde zich tegen ons land. Zoals eerder opgemerkt, waren de VS faliekant tegen kolonialisme en konden ons onder druk zetten door ons de Marshallhulp die in 1947 opgang kwam, te ontzeggen als we door bleven vechten. Na de tweede Politionele Actie hebben we ons ongelijk toegegeven en is op 27 december 1949 de zogenaamde ‘soevereiniteitsoverdracht’ getekend.
Terug naar het rapport van vorige week. De periode 1945-1949 is naar mijn mening een opeenstapeling van flagrante missers geweest van de Nederlandse overheid die maar één motto voor ogen had: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Deze missers hebben voor onvoorstelbaar veel leed gezorgd voor de Indische bevolking, veroorzaakt door het Nederlandse leger.
Nu komt de vraag of we die voornamelijk 18-jarige soldaten de schuld moeten geven van deze wreedheden.
Het rapport geeft goed uitgezochte aantallen van slachtoffers van Indonesische en ook van Nederlandse kant. Wat het rapport niet kan openbaren is wat er in de hoofden van de 18-jarige Nederlandse soldaten heeft gespeeld, anders dan heelhuids naar huis terugkeren. Ik kan me voorstellen dat wanneer er collega-soldaten gedood werden door Indonesische vrijheidsstrijders, een eerste emotie ‘wraak’ was. Dit is uitermate vaak voorgekomen met excessen tot gevolg. Denk aan platbranden van kampongs, verkrachtingen en standrechtelijke executies. Nogmaals, dit is verschrikkelijk geweest maar wel te herleiden.
Als grote schuldigen aan de verschrikkingen tussen 1945 en 1949 wil ik aanwijzen de Nederlandse regering en de legertop. De regering heeft een beleid gevoerd van wegkijken van naoorlogse mondiale inzichten, het najagen van voornamelijk economische belangen en het voorbijgaan aan nationalistisch gedachtengoed van Indonesische kant.
De legertop krijgt van mij de grootste schuld. Die stond tussen de regering als beleidvoerder en de manschappen als uitvoerder. Deze groep officieren heeft geweld aangemoedigd tot aan massamoorden toe, met name uitgevoerd door het Korps Speciale Troepen onder leiding van kapitein Raymond Westerling en luitenant-kolonel Van Beek. Dit alles onder toeziend oog van Generaal Simon Hendrik Spoor, de Commandant der Strijdkrachten in Nederlands-Indië.
Het wat late excuus van Mark Rutte vorige week was op z’n plaats. Het stigmatiseren van duizenden dienstplichtigen als oorlogsmisdadigers gaat mij te ver.
Drs. Jos Koenen
Wognum 21 februari 2022
