Borstvoeding? Deden ze vroeger ook niet (in de Beemster)
Baby’s in de Beemster kregen in de 19de eeuw nauwelijks moedermelk. Ook voor de boerinnen van toen was borstvoeding mogelijk te veel gedoe, naast werk en gezin.
Vrouwen die amper borstvoeding geven alleen iets van onze tijd? Nee. Beemster boerinnen gaven in de 19de eeuw al zelden de borst. Dat laten kinderbotten uit Middenbeemster zien. Van de baby’s die één tot elf maanden oud werden, had maximaal een kwart ooit moedermelk gehad. En bij kinderen die iets langer leefden, was de situatie vergelijkbaar. De meesten hebben van jongs af aan koe- of geitenmelk, pap en andere prutjes gekregen. Dat schrijven archeologen en historici in het tijdschrift Plos One. Mededeelzame melkmeid, Frédéric Théodore Faber, 1808 Beeld Rijksmuseum Amsterdam
Tot nu toe werd vermoed dat bewoners van de Beemster wel geregeld borstvoeding gaven. Maar dat vermoeden was met onzekerheden omgeven, want pas rond 1900 begonnen artsen systematisch bij te houden hoeveel kinderen moedermelk kregen. De kennis over eerdere tijden zit vol hiaten.
Om meer greep op de zaak te krijgen, bekeken de wetenschappers achter het nieuwe onderzoek botten van de Keyserkerk in Middenbeemster. Die waren daar vanaf ongeveer 1830 tot 1867 begraven en werden in 2011 verplaatst. Dat bood archeologen de kans de beenderen te onderzoeken op aanwijzingen dat de doden ooit borstvoeding hadden gekregen. Ze analyseerden de verhoudingen van twee typen koolstofatomen en van twee typen stikstofatomen in verschillende delen van de botten. Die verhoudingen laten zien of, en tot welke leeftijd, de doden waarschijnlijk moedermelk hadden gedronken. Van de ongeveer negentig kinderen op het kerkhof bleken de meesten dus niet aan de borst te hebben gelegen.
‘Het kind wordt de borst onthouden’
Historici wisten al dat sommige 19de-eeuwse baby’s alleen pap of zuivel kregen. Artsen hadden daar namelijk luid over geklaagd. Zo hielp dokter Jan Persant Snoep in 1847 in het Zeeuwse Wolphaartsdijk bij de geboorte van een broze baby en schreef daarover: ‘Het zwakke en onvoldragen kind wordt, tegen mijnen raad, de borst onthouden en moet zich met PAP!! vergenoegen.’
De ontsteltenis van Snoep valt te begrijpen, want uitgebalanceerde babymelkpoeder bestond nog niet, en in streken waar weinig moeders borstvoeding gaven, was de kindersterfte torenhoog. In Snoeps Zeeland stierf halverwege de 19de eeuw meer dan een kwart van de baby’s voor hun eerste verjaardag. Hoewel dat niet alleen door gebrekkige voeding kwam – slechte hygiëne speelde bijvoorbeeld ook een rol, net als ziekten als malaria en beperkte medische kennis – leek er wel een verband te zijn.
Maar Snoeps zorgen speelden in Zeeland en de Beemster lag in Holland, waar het leven anders was. In de eerste plaats was de kindersterfte er lager: rond 1850 stierf ‘slechts’ eenvijfde in het eerste jaar. Nog steeds schrikbarend veel naar huidige maatstaven, maar iets minder dan in Zeeland. Voordat het nieuwe onderzoek verscheen, konden kenners het verschil (mede) verklaren door te speculeren dat kinderen in de Beemster meer borstvoeding kregen. Maar dat lijkt dus niet te kloppen.
De Beemster was bovendien rijker dan Zeeland, dat toen grote economische problemen had. Veel Beemster families hadden een eigen boerderij, waar ze vee hielden en zuivel produceerden. Dat verdiende heel aardig. Historici dachten dat Nederlanders uit die welvaartsklasse geregeld borstvoeding gaven. Maar voor de Beemster lijkt dat idee niet op te gaan. Man en vrouw met kind, Frederik Hendrik Weissenbruch, 1843 - 1887Beeld Rijksmuseum Amsterdam
En er is meer opmerkelijks. In theorie hadden de boerinnen van de Beemster alle mogelijkheid om hun kinderen moedermelk te geven. Ze werkten weliswaar, maar in de directe omgeving van hun huis. Daar melkten ze bijvoorbeeld koeien en tussen de bedrijven door konden ze in principe een hongerig kind aanleggen. Wat dat betreft hadden ze een voordeel ten opzichte van fabrieksarbeidsters en vrouwen die voor een dagloon op andermans land werkten. Die konden hun kinderen moeilijk meenemen naar hun werk en daarom was bekend dat zij hun kinderen vaak pap en ander eten gaven. Maar thuiswerkende boerinnen in de Beemster maakten dus dezelfde keuze. Misschien was het ook voor hen te ingewikkeld om – naast de drukte van een boerderij en een gezin – een kind te zogen.
Katholieken en protestanten
Een laatste verrassing draait om het geloof. Het idee was dat katholieken meer moeite hadden met borstvoeding dan veel protestanten. Katholieken bewonderden weliswaar Maria, die Jezus aan de borst had gehad en zo ook vaak was afgebeeld. Maar borsten hadden ook te maken met seks en daarom hielden veel katholieke vrouwen ze zo veel mogelijk uit het zicht – wat het lastig maakt om ermee te voeden. In overwegend katholieke streken waarschuwden artsen dan ook over lage borstvoedingsbereidheid. Daarom was naast het arme, protestante Zeeland ook het katholieke Noord-Brabant een zorgengebied.
De Beemster was echter overwegend protestant en in zulke streken zou borstvoeding populairder zijn geweest. Maar voor de Beemster klopt dus ook die theorie niet.
Waarom kozen dan zo weinig vrouwen in de Beemster voor borstvoeding? De ruim beschikbare koe- en geitenmelk zal een factor zijn geweest. En misschien speelde de drukte op de boerderij een rol, schrijven de onderzoekers, samen met lokale gewoonten.
Maar een echte verklaring geeft het artikel niet. Jammer, vindt historicus en demograaf Frans van Poppel, emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Toch is hij enthousiast over de kwaliteit van het onderzoek, zij het met twee kanttekeningen.
In de eerste plaats kijkt het onderzoek vooral naar jong gestorven personen. Misschien kwam hun vroege dood (mede) doordat ze geen borstvoeding kregen. Wellicht kregen andere kinderen in de Beemster wel moedermelk, en werden zij ouder, waardoor hun botten buiten de kern van het onderzoek vielen. Daardoor kunnen de resultaten wat vertekend zijn. Ook is er een kans dat veel doden op het kerkhof tot een beperkt aantal families behoorden, met dezelfde voedingsgewoonten, terwijl anderen moeders wel voor borstvoeding kozen: ‘Er zijn ongeveer negentig kinderen bekeken. Dat is een beperkt aantal.’
Daarnaast is de vraag of de resultaten uit de Beemster zich laten vertalen naar de rest van het land. Op dat punt zijn de onderzoekers terughoudend. Want als de Beemster afweek van (veronderstelde) patronen, kan de situatie ook in andere gebieden hebben verschild. Hoeveel moeders voor koemelk en pap kozen, en hoeveel de raad van artsen als Jan Persant Snoep volgden, is voor een groot deel van Nederland dus nog onduidelijk.

