Aan de burgemeester van Edam-Volendam Mevrouw L.J. Sievers

Geachte mevrouw Sievers,
‘Te veel functionarissen deden wat werd gevraagd’. Het zijn de woorden van minister-president Rutte die hij uitsprak bij de Nationale Holocaustherdenking op 26 januari 2020. De minister-president constateerde: “Toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt, zijn we tekortgeschoten. Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.”
Twee van de mensen die hiervan slachtoffer zijn geworden, zijn Alfred en Herta, inwoners van uw gemeente. Het Joodse gezin Levy woonde aan de Voorhaven in Edam. Ze waren 44 en 35 jaar oud toen ze Edam achter zich moesten laten, op weg naar wat later zou blijken hun doodsoord, Bergen-Belsen in Noord-Duitsland.
Vaststaat dat in de oorlog anti-Joodse maatregelen zijn ondertekend door de burgemeester van Edam. Maatregelen gericht tegen Alfred en Herta die toch al gevlucht waren uit hun Duitse woonplaats juist vanwege dezelfde anti-Joodse maatregelen. Kort na de oorlog was er een onderzoek naar de burgemeester. Daaruit bleek dat hij ‘verregaand Duitsgezind’ was, dat hij betrokken was bij de Jodenvervolging en dat hij zijn medewerking heeft verleend aan de arrestatie van Joden in zijn gemeente. Aan de arrestatie dus van Alfred en Herta.
De burgemeester in die jaren en ook in de naoorlogse jaren was Clemens van Baar. Naar hem is een straat in uw gemeente genoemd en uw gemeente heeft hem het ereburgerschap verleend. Niet passend. Ook niet als je zou stellen dat er toch ook andere burgemeesters hun medewerking hebben verleend aan de deportatie van hun Joodse inwoners. Van Baar te eren is een faux pas geweest van naoorlogs Edam-Volendam en bovendien zijn de tijden veranderd. Het is tijd de bordjes te verhangen. Zeker sinds de woorden van minister-president Rutte, uitgesproken na consultatie daarover van zijn voltallige ministerraad. Uw plaatsgenoot professor Rob van der Laarse, hoogleraar erfgoed van de Tweede Wereldoorlog, deelt die opvatting (Nivo, 23 november 2022, p. 6). Van Baar moet plaatsmaken. U kunt de burgemeester zijn die uitvoering geeft aan de excuses van de minister-president en die daaropvolgend het juiste besluit neemt: Van Baar van de straatnaambordjes halen en Van Baar zijn ereburgerschap ontnemen.
Herta en Alfred Levy zijn vermoord in Bergen-Belsen, op 18 en 27 december 1944. Van Baar heeft aan het begin van de besluitvorming gestaan over het noodlot van dit echtpaar: Amsterdam-Vught-Westerbork-Bergen-Belsen. Herta en Alfred zijn niet de enigen. Van de tweeëntwintig Joodse inwoners uit Edam die naar de vernietigingskampen zijn gedeporteerd, heeft één inwoner het overleefd: Heinz Michael Levy, het zoontje van Alfred en Herta. Als wees keerde hij terug uit Bergen-Belsen en werd door familieleden naar de VS gehaald. Daar heet hij sindsdien Mike Lowenthal. U weet wat Mike aan u op 13 maart vorig jaar heeft geschreven: ‘I totally agree with the recommendation that the street be renamed. That is a minimum action for a man who basically committed murder.’
Daarom vraagt het Centraal Joods Overleg u al datgene te doen om de ereplaats van Van Baar in Edam-Volendam te wijzigen en hem, postuum, zijn eerbewijzen af te nemen. Het is een kleine handeling maar tegelijk een groot gebaar. U maakt daarmee duidelijk dat Van Baar allesbehalve een hoeder was van recht en veiligheid. Wie de herinnering aan de Holocaust levend wil houden, kan niet langer passief blijven.
Vriendelijke groet,
Chanan Hertzberger, voorzitter