De klas van meester Langelaar kwam na vijftig jaar weer samen
Generaties Ze zaten van 1961 tot 1967 bij elkaar in de klas. Ze zochten elkaar na hun pensioen weer op. Ze zijn het verhaal van een generatie.
Hij speelde viool, kraaienvals. Hij kon geweldig goed verhalen vertellen, zelfverzonnen griezelverhalen. Op vrijdagmiddag trok hij de gordijnen dicht en dan begon het. Hij bulderde, fluisterde, schaterlachte, liet opeens een stilte vallen. Je hield je adem in en hij smeet, péts, een schoteltje tegen de grond. Je schrok je rot, want je was niets gewend. Ja, Swiebertje, Ja Zuster, Nee Zuster, thuis op televisie, als je ouders een televisie hadden.
Hij had een toeter waarop hij het einde van het speelkwartier aankondigde en op schoolreisje – speeltuin Oud Valkeveen, Artis, het Klimduin in Schoorl – ging die ook mee. Hoorde je het geschetter in de verte, dan wist je niet hoe snel je bij de bus moest komen. O, de autoriteit die hij uitstraalde, het gevoel van veiligheid dat het je gaf, de overzichtelijkheid van de wereld. Er is een foto waarop je hem naast zijn leerlingen ziet staan, in een donker pak met overhemd en das. Hoe oud is hij? Achtendertig? Vierenvijftig?
Hij rookte de hele dag door, Caballero. Was zijn pakje leeg, dan stuurde hij een leerling naar de winkel om een nieuw pakje te halen. Hij noemde zijn sigaretten gifstengels, maar dat het gif ook in de kinderlongen kwam, daar dacht hij niet aan. Wie wel? Roken in de klas werd pas in 1978 verboden. Had hij zin in koffie, dan ging er een leerling naar zijn vrouw thuis, en wat zo wonderlijk was, die vrouw was zwart. Niet wat je noemt zwart-zwart, maar toch. Zwart. Zulke mensen zag je niet in Monnickendam, waar dit verhaal zich afspeelt. Kwam ze uit Venezuela? De Antillen? Suriname? Definitely Suriname, zegt Mariëtte, dochter van de dokter destijds, de jongste van vijf, of eigenlijk zes, één kind was met zeven maanden geboren en gestorven. De meester en zijn vrouw – „tante Erna” – kwamen bij haar ouders over de vloer, ze hoorden bij de notabelen. Er was een keer een verkleedoptocht voor Koninginnedag, de kinderen van de dokter en de kinderen van de meester liepen mee als Surinamers. De jongens droegen lendendoeken, speren in de hand. Tante Erna had hun gezichten zwart gemaakt met Buismans koffiestroop. Ze wonnen de eerste prijs.
Hij heette Langelaar, Jan Langelaar. Hij kon verschrikkelijk boos worden. Eens sloeg hij zijn vioolstok stuk op het hoofd van een jongen die een tekening van zijn vrouw had gemaakt, met borsten. Een andere jongen kreeg zo’n harde duw van hem dat hij viel, op de vloer van het klaslokaal. „Lummel, kun je niet eens op je benen staan.” Weer een andere jongen had zijn huiswerk niet gemaakt en kreeg voor de klas een klap voor zijn kop. Geen vader of moeder die naar school kwam om erover te klagen.
Hij was meester van de zesde klas, het laatste leerjaar van de lagere school destijds. Hij was ook de bovenmeester. Bovenmeester van de School voor Christelijk Volksonderwijs aan de Binnendijk. Het had evengoed een andere school kunnen zijn, in een andere plaats, en Langelaar had ook Pietersen of De Jong kunnen heten. Voor dit verhaal had het weinig uitgemaakt. In zijn tijd waren bovenmeesters mannen zoals hij. Ze hadden aanzien en gezag. Zij bepaalden waar hun leerlingen na de lagere school naartoe gingen. Er waren geen Cito-toetsen, geen brugklassen. Die zouden pas vanaf 1968 worden ingevoerd en nu was het 1967.
De bovenmeester besliste wie voor de huishoudschool of de ambachtsschool was bestemd, wie voor de mulo, de hbs. En meester Langelaar wist het voor zijn leerlingen al aan het begin van het schooljaar. Hij verdeelde de klas in groepen en noemde de kinderen van wie hij weinig verwachtte putjesschepper. Kinderen met hoge cijfers waren minister, koning, koningin. Ze kregen op zaterdagochtend extra les en iedereen vond dat doodnormaal.
Hier meer op de site van NH Nieuws.
