Reactie Volendam ’80 in raadsdebat n.a.v. rapport Commissie Alders
Reactie Volendam ’80 in raadsdebat n.a.v. rapport Commissie Alders
Het rapport Alders (bevindingen en conclusies)
We zitten denk ik hier vandaag allemaal met lood in onze schoenen. Wat moet je nog zeggen als je video van de gebeurtenissen van de nieuwjaarsnacht nog eens voor je netvlies haalt en de gevolgen dagelijks in je omgeving ziet aan de vele geschonden jongeren in onze gemeenschap. Toch dient dit debat plaats te vinden. Niet in alleen om verantwoording af te leggen naar onze burgers maar ook om fouten te bespreken, van waaruit lering kan worden getrokken voor de toekomst. Onze bijdrage aan het debat van vanmiddag zal door meerdere leden van onze fractie worden gevoerd. De heer C.C.M. Schilder en ikzelf zullen het rapport beschouwen en ingaan op de verantwoordelijkheden van fractie. De heer C.G.M. Schilder zal daarnaast nog enkele specifieke aspecten uit het rapport Alders nader belichten. In de vergadering van 5 januari jl. spraken wij als raad met elkaar af dat we pas zouden reageren op de gebeurtenissen als deze door een onafhankelijke commissie zouden zijn onderzocht en hiervan een volledig beeld zou zijn ontstaan. Toen kort daarna de commissie Alders door de rijksoverheid werd ingesteld werd afgesproken pas verantwoording af te leggen in de raad wanneer het rapport van deze commissie zou zijn verschenen.
Uit het rapport van de commissie Alders valt te lezen dat zij bij de installatie van de commissie, niet bekend waren met het feit had het college van B&W en de CvK inmiddels al opdracht hadden gegeven voor een versneld onderzoek door Versteden en Polak. Net als de Commissie Alders hadden wij geen weet van deze commissie en stellen wij vast dat dit op zijn zachtst gezegd het overzicht en daarmee de duidelijkheid rondom deze dramatische gebeurtenis niet ten goede is gekomen. Wat wij van het rapport van de heren Versteden en Polak vinden is een ieder inmiddels bekend en we willen daaraan dan ook geen woorden meer vuil maken. In feite heeft de heer Alders met de beantwoording van verschillende vragen naar aanleiding van zijn rapport in relatie tot het rapport Versteden/Polak al aangegeven hoezeer de toonzetting van dat rapport suggestief en tendentieus is.
Het rapport van de Commissie Alders
De presentatie
Voorafgaand aan de bespreking van het rapport en onze verantwoordelijkheden dienaangaande als raadsfractie willen wij onze grote waardering uitspreken voor de presentatie van het rapport. Eerst werden alle direct betrokkenen in een besloten bijeenkomst geïnformeerd over alle bevindingen en pas daarna werden wij en de rest van Nederland op de hoogte gesteld van hun bevindingen. En als we dan de wijze van presenteren vergelijken met die van de heren Versteden/Polak dan zal een ieder beamen dat de laatstgenoemde heren nog veel moeten leren.
De inhoud
De soms spijkerharde conclusies ten spijt, moet worden vastgesteld dat de commissie Alders zeer zorgvuldig te werk is gegaan. Het rapport geeft een genuanceerd beeld van alle relevante gebeurtenissen in de afgelopen jaren, tijdens de ramp en de periode daarna. En laat eigenlijk nog maar weinig vragen over. Het is dan ook jammer dat niet iedereen heeft kunnen wachten op de uitslag van dit rapport, alvorens conclusies te trekken en beschuldigingen te uiten.
De conclusies
De conclusies van de Commissie Alders over de brandveiligheid in Nederland laten niets aan duidelijkheid over. Ze zijn veelal zoals gezegd spijkerhard maar gelet op de gebeurtenissen mag dit ook. Zoals ook u al heeft uitgesproken spreekt het rapport een collectief falen uit van alle bestuurslagen van de rijksoverheid en zijn ook verschillende conclusies over de organisatie van brandweer en gezondheidszorg niet mis te verstaan. Een positief oordeel valt slechts toe aan twee groepen.
Allereerst aan alle individuele hulpverleners, die soms met verlies van of gevaar voor eigen leven, zonder adequate leiding, hun uiterste hebben gedaan om te redden wat er te redden viel bij een ramp die zoals we hebben gelezen door de eerst verantwoordelijke niet tot ramp werd benoemd, waardoor het rampenplan niet in werking werd gesteld. De tweede groep die door de commissie positief wordt beoordeeld is de Volendamse bevolking en samenleving. Immers zoals de commissie heeft geconstateerd, speelde de gemeente bij de bevolkingszorg, op de inzet van enkele individuele ambtenaren na, in de eerste nacht geen enkele rol.
Daarnaast stelt de commissie het kenmerkend te vinden dat de ondersteuning in de eerste week voor het overgrote deel tot stand kwam op eigen en ongecoördineerd initiatief van maatschappelijke organisaties of de Volendamse gemeenschap zelf. Vanaf deze plaats willen wij dan ook alle mensen die hulp hebben geboden, zowel in de eerste uren als daarna hartelijk bedanken voor hun bijzondere inzet en prestatie. Alders noemde het bovenmenselijk, wij hebben daar niets aan toe te voegen en noemen het maar Volendams. Wij kunnen ons ook grotendeels vinden in de conclusies van de commissie. Deze zijn in het algemeen zoals gezegd spijkerhard en onthutsend maar blijkbaar is het niet anders.
Over gedogen en cultuur.
Gezien de presentatie van het rapport Alders, alsmede de wijze waarop leden van de gemeenteraad en de pers zijn omgegaan met het hele gebeuren rond de rampzalige nacht van 31 dec op 1 jan 2001 wil ik hierover de volgende zaken opmerken. Wellicht hebben wij mensen of bedrijven die wij kennen (maar kan dat wel anders) wel eens een plezier gedaan. Altijd paste dit dan echter binnen de wettelijke kaders. Uiteindelijk blijkt ook dat dit bedrijfsleven zich positief opstelt en bereid is de gemeente ook ten dienste te zijn. Dit blijkt onder meer uit het recent afgesloten convenant wat ervoor zorgt dat de slachtoffers, ondanks hun handicap, aan het werk kunnen binnen onze gemeente.
§ Daarnaast is het zo dat het rapport van de commissie Alders stelt eenduidig dat de “Volendammer bestuurscultuur”, alsmede de situatie rond de gebruiksvergunningen, geen aanleiding vormen tot, of oorzaak zijn van de ramp.
§ Het veelvuldig herhalen, door andere politieke partijen en verschillende persgeledingen, van de begrippen cultuur / bestuurscultuur met een sterk negatieve lading is derhalve niet terecht gebleken en zal mogelijk als enig resultaat hebben dat een kloof is gecreëerd tussen VD’80 en de Volendammer gemeenschap.
§ Of dit wel of niet ook de bedoeling was zal wel nooit duidelijk worden. Vast staat wel dat de politiek door deze handelswijze verder dan ooit van de burgers is komen af te staan.
Of men ons nu vooruitstrevend of conservatief vindt, zaken zoals;
1. De ontwikkelingen aangaande de kerken.
2. De realisering van het verpleegtehuis.
3. De ontwikkeling van het onderwijs in onze gemeente.
Alsmede vele andere zaken die gerealiseerd zijn spreken duidelijk voor een krachtig en doortastend bestuur met oog voor de toekomst.
Tenslotte wil ik in deze bijzondere raadsvergadering een opmerking maken over onze fractievoorzitter, de heer Keizer. Als er namelijk één persoon in deze raad aanwezig is die zich boven alle kritiek verheven zou moeten als het gaat over gedogen en vriendjespolitiek, zo daar überhaupt al sprake van zou zijn, dan is dat Wim Keizer. Week in, week uit, maand in, maand uit, vergadering in, vergadering uit is hij begonnen over allerhande zaken aangaande veiligheid en gedogen.
3. VD’80 van 1980 tot heden.
VD’80 is in 1980 opgericht en heeft, vanaf 1982 tot 19 december 1999, zowel raadsverantwoordelijkheid gedragen als verantwoordelijkheid voor het dagelijkse bestuur van de gemeente, collegeverantwoordelijkheid.
Na 1999 hield de verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van de gemeente op te bestaan voor VD’80 daar een nieuw college werd gevormd, bestaande uit wethouders van het CDA, de VVD en de PvdA.
De feiten en de positie, het handelen en de houding van VD’80
Feiten:
1. Wethouder Schilder heeft in 1996 inderdaad, namens de gemeente, gesteld dat om praktische redenen Edam-Volendam, op dat moment geen uitvoering aan deze wet kon geven.
2. Het toenmalige college heeft vervolgens aansluiting gezocht bij de regio om zodoende tot een oplossing te komen. In 1997 is deze gekomen in de vorm van een bijstelling van de norm.
3. Na bijstelling van de norm is later een brandpreventiemedewerker aangesteld. Deze is op 1 september 1999 aan het werk gegaan.
4. Voor die tijd werden evenwel ook controles uitgevoerd door de brandweer. De toenmalige commandant is daartoe benaderd en deze heeft deze taak op zich genomen en naar beste kunnen uitgevoerd.
5. De constatering dat er sprake is van achterstand bij het verlenen en controleren van vergunningen is correct.
6. De Wir War Bar is in 2000, meerdere malen op professionele wijze door de brandpreventieambtenaar gecontroleerd. Hiervan en van de geconstateerde situatie is melding gemaakt bij het dagelijks bestuur van Edam-Volendam.
Deze zaken beschouwende, alsmede de portefeuille-invulling van de VD’80 wethouders brengt ons tot het volgende:
· Vanaf 1996 tot 2000 zijn de gemaakte afspraken nagekomen en is men uiteindelijk gekomen tot een afdoende opgeleide brandpreventieambtenaar die is begonnen met de controles die behoren bij de verlening van gebruikersvergunningen.
· Er is sprake van een achterstand voor wat betreft het verlenen van vergunningen. Deze achterstand is ook de VD’80 wethouders aan te rekenen, daar men binnen het dagelijks bestuur (het college) wellicht harder had kunnen en ook moeten aandringen op spoed. Ook de raadsfractie van VD’80 had wellicht harder aan moeten dringen op spoed.
· In 2000 is door de brandpreventieambtenaar ook de Wir War Bar meermalen gecontroleerd. Hiervan is tenminste 3 maal gerapporteerd aan het dagelijks bestuur van de gemeente.
· Het toenmalige dagelijks bestuur, waarin géén VD’80 wethouders zitting hadden, heeft niet de moeite genomen hier adequaat op te reageren, met alle gevolgen van dien. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt enkel en alleen bij de leden van het toenmalige dagelijkse bestuur van Edam – Volendam en nergens anders.
· Dat de fractie van VD’80 zich zorgen maakte over de opvolging en controles van het barbezoek moge blijken uit het gegeven dat zij, begin 2000, een motie heeft ingediend om de politie te ondersteunen in haar controlerende taak. Brandpreventie was eveneens een onderdeel van de voorgenomen controle-uitbreiding welke werd voorgesteld in deze motie.
· Bij monde van haar fractievoorzitter heeft VD’80, op niet aflatende wijze, bij nagenoeg elke gelegenheid en iedere vergadering van de commissie Algemene Zaken, haar ongenoegen geuit en alternatieven geopperd over de gang van zaken in het uitgaansleven te Volendam. Ook in haar Algemene Beschouwingen maakt zij hier regelmatig gewag van, onder meer onder de behandeling van de hoofdfunctie “Openbare orde en veiligheid”.
· Gesteld kan ook worden dat VD’80 nooit voornemens is geweest op welke wijze dan ook te bezuinigen op onze brandweerkorpsen. VD’80 heeft zich altijd uitgesproken niet financieel te zullen beperken daar waar het gaat om professionalisering, maar was geen voorstander van een beroepsbrandweerkorps, daar zij van mening is dat onze brandweerkorpsen prima zijn getraind en toegerust en dat dit derhalve geen wezenlijke vergroting zou inhouden van de veiligheid voor onze burgers. Ook gedurende de rampzalige nacht heeft onze brandweer naar onze mening bovenmenselijk gepresteerd.
Conclusies.
VD’80 heeft vanaf haar oprichting geijverd voor een veilige samenleving in de breedste zin van het woord en heeft zich ook altijd bereid verklaard hier de nodige financiële middelen voor beschikbaar te stellen. De prioriteit was derhalve hoog.
VD’80 heeft, conform een van haar primaire doelstellingen, altijd gestreefd naar openbaarheid van bestuur, daarmee aangevend wars te zijn van politieke Haarlemmerdijkjes en zogeheten gedoogculturen.
Tijdens de periode waarin VD’80 wethouders verantwoordelijkheid droegen voor het dagelijkse bestuur van Edam – Volendam hebben zij meermalen laten zien hard op te treden tegen onwenselijke situaties. Te denken valt hierbij onder meer aan de sluiting van de garageboxkroegen.
Daar waar zaken, naar de mening van VD’80, niet goed dreigden te gaan heeft zij geprobeerd bij te sturen door het indienen van moties. Regelmatig is van dit soort zaken ook gewag gemaakt tijdens vergaderingen van de commissie Algemene Zaken. VD’80 is mede verantwoordelijk voor de ontstane situatie rond de gebruiksvergunningen en had hier wellicht meer aandacht aan kunnen en moeten besteden. Het is een gegeven dat de Wir War Bar wel tot de gecontroleerde etablissementen behoorde en dat deze controles (tenminste 3) allen hebben plaatsgevonden, met rapportering naar het DB, in 2000.
VD’80 droeg toen géén collegeverantwoordelijkheid meer. Kortom, VD’80 aanvaart wel de raadsverantwoordelijkheid die hoort bij het bezetten van de raadszetels. Ook aanvaarden haar voormalige wethouders de verantwoordelijkheid voor die periode dat zij deel uitmaakten van de verschillende colleges tot eind 1999.
Daar echter;
- De RAMP zich voltrok in 2000 en er toen geen VD’80 wethouders in het college zaten.
- Ten tijde van de collegewisseling alle gemaakte afspraken tot op dat moment waren uitgevoerd.
- De bestuurscultuur, alsmede de situatie rond de gebruiksvergunningen, aldus het rapport Alders geen aanleiding tot, of oorzaak van de ramp zijn.
- De Wir War Bar in 2000, tot tenminste 3 maal toe gecontroleerd is en het dagelijks bestuur hiervan, eveneens tot tenminste 3 maal toe, een rapportage heeft ontvangen.
Kunnen de VD’80 wethouders dáár geen verantwoordelijkheid, anders dan de al eerder genoemde raadsverantwoordelijkheid, voor nemen.
Volendam’80 in de toekomst
Als het rapport ons een ding duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat we als raadsfractie het college kritisch moeten beoordelen en controleren op de uitvoering van door de raad vastgesteld beleid. Voor ons betekent dit dat we het college zullen beoordelen op de feitelijke aanpak van problemen en de kwaliteit van de voorstellen. Zo nodig zullen wij het college ter verantwoording roepen wanneer beleid niet voldoende of tijdig wordt uitgevoerd.
U heeft uitdrukkelijk gezegd dat de raad in de toekomst meer op hoofdlijnen moet besturen. Wat ons betreft staan wij hier volledig achter. Desondanks zullen onze fractieleden altijd aanspreekbaar blijven voor de individuele burger bij zaken die naar onze opvatting niet goed gaan. Vanzelfsprekend zullen wij dergelijke aangelegenheden in eerste instantie via de commissievergaderingen aan de orde stellen, maar als het naar onze opvatting noodzakelijk is, zullen wij er ook in raadsvergaderingen op terugkomen.