We moeten afspreken of we bepaalde risico's aanvaarden
We moeten afspreken of we bepaalde risico's aanvaarden
De echo's van de cafébrand in Volendam en de vuurwerkramp in Enschede klinken nog steeds. De overheid spreekt boude taal. Het is afgelopen met het gedogen. Maar zijn we er dan?
Verwarring en verbijstering, dat waren en zijn de gevoelens van velen na de rampen die ons getroffen hebben in Enschede en Volendam. We waren in de voorafgaande jaren zodanig in slaap gesust dat we niet meer wisten dat dit soort dingen ook ons zouden kunnen overkomen. En toen het onvoorstelbare toch werkelijk mogelijk bleek, tuimelde eenieder over elkaar heen om in de verwarring met het wijzen naar een ander de schuldvraag en, belangrijker nog, de aansprakelijkheid te ontlopen.
Aanzien
Dat de samenleving al enige jaren groot geloof en belang hechtte aan een terugtredende overheid en zelfregulering waren al degenen die de overheid in de beklaagdenbank zetten, vergeten. Om een voorbeeld te noemen: de bouwregelgeving die in 1994 door het parlement werd vastgesteld, beperkte de bemoeienis van de gemeente bij het gebruik van gebouwen tot het minimum.
En laten we wel wezen, in de jaren vóór de rampen waren brandpreventiemedewerkers die exploitanten wezen op de gebruiksbepalingen - zoals het in werking hebben van de beroemde groene uitgangbordjes, het obstakelvrij houden van nooduitgangen, etcetera - nou niet bepaald degenen die in de maatschappij op aanzien en respect konden rekenen. Ik wil maar zeggen het klimaat voor de handhavende overheid was, door de opstelling van de samenleving en de gekozenen die de hand op de collectieve knip moesten houden, weinig stimulerend.
Zoek ik daarmee de schuldloosheid van de overheid? Wis en zeker niet; we hadden ons er niet bij neer moeten leggen. We hadden kunnen en moeten weten dat ondanks alle preventie en regelgeving de effecten van incidenten buitensporig groot kunnen zijn.
Ook nu nog, een jaar na 'Volendam' bespeur ik sterke tendensen om vanuit de 'eigen koker' geredeneerd met de problematiek om te gaan. De gebruiker wijst naar de overheid, de overheid wijst op de verantwoordelijkheden van exploitanten en gebruikers en binnen de overheid let iedere koker (departement, gemeente, hulpverleningsdienst, enzovoort) erg sterk op de eigen mogelijkheden en onmogelijkheden.
Waar het mijns inziens aan ontbreekt, is het formuleren van een soort raamwerk waarin helder en duidelijk is wie waarvoor de principiële verantwoordelijkheid draagt. Van daaruit kan dan iedere partij de maatregelen nemen die uit die verantwoordelijkheid voortvloeit en de kosten daarvan op zich nemen. Laat ik een poging tot formulering wagen.
In de eerste plaats acht ik Den Haag (regering en parlement) verantwoordelijk voor de beantwoording van de vraag of wij als samenleving een bepaald risico wensen te nemen. Bij deelonderwerpen zullen wij steeds meer moeten kiezen, zoals we dat bijvoorbeeld bij het verkeer gedaan hebben. We accepteren bij onze mobiliteit dat we als weggebruikers relatief enorme risico's wensen te lopen (1000 doden per jaar).
Gevolgen
Als wij met oudjaar vuurwerk willen afsteken, accepteren we eventuele ernstige gevolgen. Als we om allerlei redenen op lpg rijden, accepteren we dan het risico en de gevolgen daarvan als het ergens een keer fout gaat bij een vulstation of een opslag en binnen een straal van 300 meter ernstige gevolgen kunnen plaatsvinden? Transport van gevaarlijke stoffen achten wij noodzakelijk voor onze productieprocessen en we accepteren derhalve dat er een keer iets kan gebeuren.
Uit mijn toonzetting blijkt al wel dat het allemaal niet zo helder is. Ik pleit er echter voor om nadrukkelijk steeds weer die afweging te maken. Als de samenleving eenmaal een risico accepteert, is het mijns inziens de verantwoordelijkheid van de gebruiker, exploitant, eigenaar dat hij zodanig maatschappelijk onderneemt dat redelijkerwijze de kans op een schadelijk incident zo klein mogelijk is. Het gaat dan niet aan om naar de overheid te wijzen. De overheid kan en moet natuurlijk daar wel grenzen aangeven door regelgeving of afspraken met de betrokken bedrijfstakken.
Het moet me daarbij van het hart dat ik absoluut geen vertrouwen heb in de mogelijkheid dat de wetgever achter het bureau alles kan regelen. Net zoals we dat bijvoorbeeld doen in de vuilverwerking verwacht ik veel meer heil van raamwetgeving, waarbinnen de branches zelf tot kwaliteitszorg en certificering komen. Dat doet ook het meest recht aan het principe dat de gebruiker zelf moet opdraaien voor de kosten die aan zijn ondernemen zijn verbonden. Bovendien komt de zaak dan te liggen binnen de regels van productaansprakelijkheid. We weten maar al te goed dat als je schadeclaims in het vooruitzicht stelt de ondernemer wel uitkijkt en de verzekeringsmaatschappijen eisen gaan stellen.
Als laatste trap in de verdeling van verantwoordelijkheden komen de gemeenten en hun veiligheidsdiensten (veelal op regionale schaal) in beeld. Zij zullen ernst moeten maken met het toezicht; zij zullen niet bang of terughoudend meer mogen zijn bij het afdwingen van de wijze waarop we omgaan met geaccepteerde risico's. Daar zullen zij dus veel en deskundige mensen voor nodig hebben en dus ook de middelen om dat te betalen.
Erkenning
Maar bovenal is het draagvlak van de samenleving nodig; de erkenning dat we een overheid hebben om gewenst en noodzakelijk gedrag af te dwingen.
In een kort artikel als dit dreigt natuurlijk enige ongenuanceerdheid, maar de boodschap is wel samen te vatten:
- We spreken af of we bepaalde risico's accepteren.
- Zo nee: stoppen met die risico's en de kosten die stoppen met zich brengt betalen. Zo ja: randvoorwaarden stellen.
- De beheerder van het risico gedraagt zich met inachtneming van die voorwaarden.
- De gemeenten (en hun regio's) zien voortdurend toe.
Voorkomen we dan alle rampen? Nee natuurlijk niet, maar wel de verbijstering en verwarring, waarmee ik begon.
Willem Urlings is burgemeester van Hoogeveen en voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Brandweer en Hulpverlening.