Naar de inhoud

“Pers en getroffenen hebben elkaar nodig”

Bron: Stichting Impact

“Pers en getroffenen hebben elkaar nodig”
Dr. A.J. (Jan) Schukkink was ten tijde van de vuurwerkramp in Enschede voorlichter bij de gemeente Enschede. Direct na de ontploffing werd hij ingezet voor voorlichting aan het publiek en de pers.

“Kort na een ramp is de mediadruk zeer hoog. Zowel de regionale, de nationale als de internationale media stonden in Enschede te trappelen om aandacht. Vrijwel direct na de ramp hebben we heel bewust bepaald welke media we het eerst wilden bedienen. Het werd al snel duidelijk dat het geven van concrete, juiste en tijdige informatie een belangrijk houvast voor de getroffenen in de periode direct volgend op de ramp betekende en daarom onze eerste prioriteit verdiende. Regionale media zijn daarvoor geschikter gebleken dan de landelijke media. Goed informeren van de lokale media, waaronder de rampenzender vormde zodoende een belangrijke conditie voor psychosociaal herstel van getroffenen. Regionale media kregen dus in eerste instantie voorrang van ons. Dit uitgangspunt maakte het eenvoudiger om op koers te blijven in het totale persgeweld. De BBC wilde tenslotte ook met spoed antwoord op hun vragen.”

Het belang van het tijdig verstrekken van de juiste informatie werd al snel onderkend bij de voorlichters van Enschede. In de eerste week na de ramp gaf de burgemeester vier maal per dag een pers-update. In de periode direct na de ramp werd het verschil duidelijk tussen de werkwijze van regionale en landelijke pers. "Lokaal hebben we dit ook onderscheiden door de publieksvoorlichting te scheiden van de persvoorlichting en deze onder te brengen bij het Informatie en AdviesCentrum nazorg vuurwerkramp."

Schukkink vervolgt: “Herkenbare patronen in het gedrag van de media werden zichtbaar in de verschillen tussen de werkwijze van enerzijds lokale en regionale media en anderzijds de landelijke media. De lokale en regionale media toonden in hun berichtgeving vooral compassie, terwijl de landelijke media het gebeuren met veel meer distantie benaderden. Regionale media hadden een andere agenda omdat ze een andere, meer directe relatie met de slachtoffers hadden. Het werd bijvoorbeeld al snel duidelijk dat de landelijke media bijna allemaal dezelfde soort vragen stelden. Dat waren vragen als: Wie is verantwoordelijk? Wat is de oorzaak? Wat doet u eraan om de situatie meester te worden en wat zijn de risico’s voor de gezondheid? Duidelijkheid over de vraag welke kop moest rollen werd meestal belangrijker gevonden dan wanneer de mensen weer hun huizen in mochten. Dat laatste was dan weer meer het onderwerp voor de regionale en lokale media.”

Hij besluit: “Wat mij vooral is opgevallen is de coalitievorming tussen pers en getroffenen. De belangen van getroffenen werden met veel sympathie door de pers belicht en pasten in de kritische benadering van de overheid die bovendien in het beklaagdenbankje zat. De gemeente besefte dat heel goed en was er dan ook alles aan gelegen om zo snel en goed mogelijk te helpen. Je moet bovendien niet vergeten dat mensen in een verzorgingsstaat gewend zijn zich tot de overheid te richten als zich calamiteiten voordoen. Vaak leidde dat tot een situatie waarin je bij de verschillende programma’s steeds weer dezelfde getroffenen hun verhaal zag doen. Getroffenen beseften daarbij veelal niet wat een enorme inbreuk dat op den duur kon betekenen op hun privacy. Sommigen worden tot op de dag van vandaag geconfronteerd met hun optreden in diverse programma’s en kranten van toen – achteraf niet altijd tot hun eigen genoegen of in hun belang. Ze zijn als het ware vast komen te zitten in hun identiteit van slachtoffer.”

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.