‘Vangstbeperking is doodsteek’
‘Vangstbeperking is doodsteek’
Bioloog Willem Dekker, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek (RIVO), waarschuwt al sinds 1998 voor het uitsterven van de paling. De bioloog doet al twintig jaar onderzoek naar paling en promoveerde in 2004 op de Europese aalpopulatie aan de Universiteit van Amsterdam. Zes jaar geleden adviseerde hij samen met internationale collega’s al om per direct alle vangsten stil te leggen, van glasaal en volwassen aal.
In september was de bioloog in Brussel aanwezig tijdens overleg tussen de Europese Commissie, vissers en biologen. Daar werd gesproken over maatregelen die de paling voor uitsterven moeten redden. Het voorstel dat daar werd besproken, was een algemeen Europees vangstverbod voor twee maanden per jaar.
Niet wat Dekker oorspronkelijk voorstond, maar “iets is beter dan niets”. In 2003 waren er al plannen om maatregelen te nemen, maar die liepen op niets uit. Tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie, het afgelopen halfjaar, werd de kwestie opnieuw op de agenda gezet. Volgens Dekker is de achteruitgang van het IJsselmeer niet specifiek aan de vissers te wijten. “Het was al mis een het is nog steeds mis.” Hoewel de exacte oorzaak nog altijd niet is aan te wijzen, moeten de vissers volgens de bioloog ook naar zichzelf kijken. Het IJsselmeer is namelijk het zwaarst overbeviste water ter wereld. “Slechts 1 op de 700 palingen wordt uiteindelijk paairijp en weet de zee te bereiken.”
De oorzaken die Keijzer aangeeft: aalscholvers en schoner water, kloppen volgens de bioloog deels wel. Maar het zijn niet de zaken die uiteindelijk de doorslag geven bij het herstel van de aalpopulatie. “De aalscholvers eten zo’n 20 ton vies, terwijl de vissers er jaarlijks zo’n 200 tot 250 ton uithalen.” Ook de verbeterde waterkwaliteit speelt volgens hem geen grote rol. De vissers focussen volgens Dekker eenzijdig op deze onderdelen terwijl zij ook naar zichzelf moeten kijken.
Over de andere oplossing die Keijzer aangeeft - het uizetten van glasaal die in Zuid-Europa is gevangen – zijn volgens de bioloog zeer zware discussies gevoerd door wetenschappers. Hier kleven mogelijk risico’s aan zoals genetische vervuiling en een mogelijk verlies van oriëntatiegevoel bij de vissen. Zij kunnen de weg naar zee niet meer vinden, waardoor uitzet niet helpt bij het verbeteren van de paaistand. De oorzaak van de slechte palingstand is volgens Dekker te wijten aan een combinatie van factoren. In zijn proefschrift noemt hij de volgende oorzaken: overbevissing. Gebrek aan opgroeigebieden, klimatologische veranderingen, vervuiling en ziektes.
Hoewel het internationale wetenschappelijk advies stelt dat de visserij helemaal moet stoppen, snapt Dekker heel goed dat de uiteindelijke oplossing een compromis zal zijn tussen bescherming en visserij. Het voorstel van Keijzer: vermindering van materiaal en vissers, daar kan Dekker wel inkomen. Met de kanttekening dat de visserij op het IJsselmeer forser gereduceerd zal moeten worden dan op de overige Nederlandse binnenwateren – rivieren, meren en polders – om een duurzame visserij te realiseren. “Hooguit vier of vijf boten zouden over kunnen blijven. Maar om deze rendabel te laten functioneren, zouden die schepen volledig geautomatiseerd moeten zijn”, meent Dekker.
Volgens Keijzer betekent een nieuwe vangstbeperking de doodsteek voor zijn bedrijf. Hij verwacht dat de nieuwe gesloten periode voor schieraal in het najaar zal gelden. Dan trekken de volwassen paairijpe vissen (schieraal) naar zee om te paren in de Sargassozee, een zeegebied zuidelijk van Bermuda dat groter is dan heel Europa. “Juist van deze periode moeten wij het hebben omdat deze vissen voor gewicht zorgen. We mogen al niet vissen van januari tot mei, nog een gesloten periode betekent dat we de helft van het jaar geen inkomen hebben.”
Wanneer de BD 119 twee uur na vertrek aankomt bij de eerste fuiken, klimmen Keijzer en zijn knecht Winfried Butter in de kleine bijboot die naast het schip ligt. Ze starten de buiten-boordmotor een varen naar de palen die de fuiken op hun plek houden. Gehuld in waterdichte jassen en broeken halen ze de netten uit het water en legen de inhoud in een stalen bad die midden in de boot is gelast. Dikke schieralen, bot, spiering, rivierprik, een enkele snoekbaars en zalm. Met een klein schepnet wordt het merendeel van de bijvangst weer terug in het water gegooid. Een grote zwerm meeuwen stort zich in het water voor een makkelijke maaltijd.