Vissers en paling sterven samen uit
Vissers en paling sterven samen uit
Overbevissing en glasaalvisserij Zuid-Europa belangrijke oorzaken. De paling, nu tijdens veel nieuwjaarsrecepties op toastjes geserveerd, staat op uitsterven. Een vangstverbod moet de vis redden. Maar ‘Volendam als vissersdorp is op sterven na dood’.
Het groene schijnsel van de radar is het enige licht dat de stuurhut van de VD119 verlicht, de vissersboot heeft zojuist de haven van Volendam verlaten en vaart het Markermeer op. Schipper Jan Keijzer (44) zit op zijn gemak achter het stuurwiel en draait zo nu en dan aan de knoppen van de radar. Zijn knecht Winfried Butter (34) is in het vooronder nog even onder de wol gekropen. Omdat het ruim twee uur varen is naar de visgronden, begint iedere werkdag al om vijf uur ’s ochtends. Volendammers verdienen al generaties de kost met vissen op paling. Door de zeer sterk teruglopende palingstand komt echter het einde in zicht. “Volendam als vissersdorp is op sterven na dood”, zucht Keijzer.
In 1950 vingen palingvissers op het IJsselmeer nog circa 4.000 ton vis per jaar, tegenwoordig is dat zo’n 250 ton. De belangrijkste oorzaak voor de teruglopende visstand zijn de afgenomen aantallen jonge paling, glasaal. De jonge vis die tegenwoordig Nederland binnenkomt, is nog maar 2 procent van de hoeveelheid die in de periode 1960-1970 haar entree maakte. Biologen waarschuwen voor het uitsterven van de vis. Een algemeen vangstverbod zou de vis voor uitsterven moeten behoeden.
Volendam telt tegenwoordig nog maar elf actieve palingvissers. Tien jaar geleden was dat nog het drievoudige. In totaal zijn op het IJsselmeer zo’n zeventig bedrijven actief, met circa 180 werknemers. Op andere Nederlandse binnenwateren werken nog eens 280 palingvissers. Behalve de directe economische waarde heeft de bedrijfstak ook een sociale, culturele en toeristische betekenis als ‘sfeermaker’ op het IJsselmeer.
Hoewel biologen en vissers het vaak oneens zijn, erkent Keijzer dat de vangst (en dus de palingstand) hard achteruit is gegaan. Hij is het niet eens met de stelling dat, “zoals vaak wordt gezegd”, de IJsselmeervissers de oorzaak van het probleem zijn.
Aalscholvers, steeds schoner water en zeker de glasaalvisserij in Zuid-Europa, zijn volgens de Volendammer visser factoren die niet onderschat moeten worden. Aalscholvers eten volgens Keijzer grote hoeveelheden vis. Door de verbeterde waterkwaliteit zitten er minder algen in het water en is het voedselaanbod voor de paling klein.
Grootste bedreiging is echter het ontbreken van glasaal. Deze wordt door vissers in Spanje, Portugal en Frankrijk met tonnen tegelijk uit het water gehaald. Glasaal wordt gebruikt voor consumptie en om palingkwekerijen in Europa en vooral Azië van jonge vis te voorzien.
De oplossing is volgens Keijzer is een vermindering van vissers en materiaal. “Dat is de enige manier om te zorgen dat er genoeg paling overblijft, zodat enkelen nog een goede boterham kunnen verdienen.” De resterende vissers moeten volgens hem echter niet bedolven worden onder regelgeving. “Anders is het nog niks.” Ook ziet de visser een oplossing in het uitzetten van glasaal uit Zuid-Europa. “Koop een paar ton van de vis die daar jaarlijks wordt gevangen en laat die los in het IJsselmeer.”