Naar de inhoud

Jan Leeflang: de Volendamse Robert Redford

Bron: Telegraaf

Jan Leeflang: de Volendamse Robert Redford
’Hoe gaat het met…’ is een rubriek waarin een oudgediende uit het (prof)voetbal centraal staat. Vandaag: Jan Leeflang, oud-speler van FC Volendam: „Bij de meeste clubs klikte het gewoonweg niet.”

Nee, voor het weergeven van de voetbalcarrière van ras- Volendammer Jan Leeflang heeft men geen A4’tje nodig. Door zijn recalcitrante gedrag kwam zijn naam vaker op de lijst ’overschrijvingen’ voor dan op het wedstrijdformulier. Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers. Al zou Hij van boven er nog eens toe besluiten om er een top tien op na te houden; er zou ongetwijfeld een podiumplaats zijn voor Jan Leeflang. De oudprofvoetballer van de FC Volendam die het kunstje ’beheerste’ om mensen met een enkele opmerking op tilt te krijgen.

Ooit trad hij op als analyticus en beschouwde hij, ten overstaan van de lokale pers die immer aan zijn lippen hing, de mindere prestaties van het Edamse EVC. In het team waarin hij de positie van midvoor bekleedde, deelde hij het journaille mee: „We hebben een uitstekende voorhoede. We zoeken alleen nog een links- en een rechtsbuiten.” Woorden van graniet waardoor men bij EVC voortaan liever zijn hakken dan zijn tenen zag…! Daarna verkaste hij naar Purmersteijn. Hij had het vet nog niet van zijn kicksen gespeeld of ook daar kwam zijn naam alleen nog maar voor op de lijst van vertrekkende spelers. „Het klikte niet.”
„Ik ben recht voor zijn raap”, geeft Jan inzage in zijn karakter waar geen plaats is voor tolerantie. Die strikte scheidslijn van wit en zwart tastte ook de familiebanden aan. „Ga er ben, ik aan twee stoelen genoeg heb. En op die ene liggen m’n benen”, schatert de man die uit een nest van negen komt. Ondanks dat zijn beschouwingen geen streepje grijs kennen, is hij in Volendam en ver daarbuiten een kleurrijk figuur.

De manier waarop hij bij de betaalde tak van de FC Volendam aanlandde is curieus. „Voetbal had lange tijd niet mijn interesse. Ik liep graag lange afstanden en schreef me eens in voor de marathon van Rotterdam. Ongetraind kwam ik aan in vierenhalf uur. Ik was steendood. Magere Hein zag ik al wenken. Een aantal vrienden van mij speelde in het zevende van de amateurs en ze nodigden mij eens uit om mee te doen. Toevallig stond Joep Steur, de hoofdtrainer van de betaalde sector, te kijken. ’Je moet ’s langskomen’, liet Joep aan Jan weten. Ik wist geeneens waar de ingang van het hoofdveld was. Na twee weken liet Joep mij invallen en daarna speelde ik met grote regelmaat in de hoofdmacht. Twee seizoenen later stopte het feest om financiële redenen. Daarna ben ik bij de zaterdagamateurs van Volendam gaan spelen. Ik kwam er in een prachtige lichting met allemaal jongens die er een lange carrière in het betaald voetbal hadden op zitten. Onder meer wonnen we, terwijl we voor de competitie in de tweede klasse voetbalden, de landelijke beker. Een pure sensatie”, schets Jan het vervolg van zijn voetballoopbaan.

„Ik heb heel wat trainers meegemaakt. Het beste kon ik overweg met Wim Keizer (de broer van oud-arbiter Jan: red.) en Ron van Niekerk. Ron en ik begrepen elkaar. Wim Keizer was de enige trainer bij wie ik zonder tegenzin bij op de bank zat. Wim kon zo allejezus mooi lulle. En gelukkig nooit over voetbal hè. Wim was ook bijzonder in de behandeling van blessures. Als je een kwetsuur had ging het buitenblad van een rode kool erop. Hielp dat niet, kwam er een wondermiddel aan te pas; Red Hot. Ik verdenk hem ervan dat hij het zelf fabriceerde. Het spul was zo heet op je huid dat je de neiging had de haven in te springen.”

Ook als hij niet op zijn mooist werd gefotografeerd, ageerde Jan. „Er stond eens een oerlelijke foto van mij in de krant. Schreef ik dat ik wist dat ik Robert Redford niet was, maar ook niet zo lelijk als afgebeeld. Iedereen las de ingezonden brief en mijn bijnaam was voortaan Robert Redford. Ik gaf de mensen waar voor hun geld. Kocht een hoed, een jas tot op de enkels en een zonnebril waar een maandsalaris ontoereikend voor was. Gebruld hebben ze.”

Gevraagd naar hoe het hem maatschappelijk gaat, smijt hij er een doordenkertje uit: „Ik begon met niets en het meeste daarvan heb ik nog over…!” laat hij met een big smile weten. „Ik ben distributeur van een aantal dag- en weekbladen. Die help ik zelf rondbrengen. Mooi beroep, alleen dat je elke ochtend om 4 uur op moet is minder”, geeft hij aan waarmee hij de schoorsteen laat roken.

„Geloof me, ik ben niet zo moeilijk”, stelt hij tot slot. „Maar een woerd is nu eenmaal het gelukkigst als hij in zijn ’eendje’ zit…!”

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.