Naar de inhoud

De schat van Van Ginneken (deel III Slot)

Bron: Volendams Museum

De schat van Van Ginneken (deel III Slot)
Nieuws uit het Museumjaarboek 2007 door drs Piet Koning

Inleiding
In deel drie van het artikel van Piet Koning over het toch wel wat onderbelichte onderzoek van Prof. Dr. Van Ginneken naar de drie Waterlandse dialecten waaronder het Volendams worden de belangrijke conclusies getrokken. Het slotakkoord gaat niet alleen in op conclusies over de zaken waarbij Van Ginneken de plank heeft misgeslagen maar omschrijft met name de waardevolle inhoudelijke aspecten uit het dialectonderzoek. De schrijver spreekt dan ook niet voor niets de hoop uit dat een “in taal geschoolde Volendammer die nog naar een onderwerp voor een proefschrift zoekt” een vergelijkend onderzoek anno nu naar ons dialect zou willen uitvoeren. De meting uit 1943 van Van Ginneken ligt immers voor deze student klaar!

De conclusies van het onderzoek
Elke mens, dus ook de wetenschapper Jaap van Ginneken, is een kind van zijn tijd. De tijd van Jaap van Ginneken kenmerkte zich onder meer door een hang naar het eenvoudige, naar het primitieve, het eenvoudige van vroeger tijden. Vanaf 1850 hadden er in Europa grote veranderingen plaatsgevonden. Er kwamen steeds meer fabrieksproducten op de markt, de steden groeiden explosief en de typische culturele uitingen van kleine gemeenschappen verdwenen. Deze ‘vooruitgang’ zagen velen als een bedreiging van de traditionele leefpatronen en waarden. Het bewaren van de volkscultuur werd belangrijk en volken en bevolkingsgroepen die zuinig op hun verleden waren geweest, kwamen in het middelpunt van de belangstelling te staan: de Eskimo’s in Scandinavië, de Indianen in Noord-Amerika, de dessabewoners in Nederlands-Indië, de herders in Zwitserland en de boeren en de vissers in Nederland, ook die van Volendam.

Eerst ging het bij die belangstelling om volksliederen en volksverhalen, later ook om klederdracht, handwerk, boerderijen, botters, eigenlijk de gehele traditionele plattelandscultuur. Voor alles wat iets van het verleden uitstraalde, was er aandacht. Maar of die uitstraling ook op historische feiten berustte - en dat was in die beweging het zwakke punt -, werd nooit onderzocht. Men ging heel vrijblijvend met de historie om. Zo koos de theoloog Klaas Steur het traditionele geloof van Volendam als basis voor zijn theologische studies en colleges. Hij ging er daarbij voetstoots vanuit dat de Volendammers in 1930 op dezelfde wijze geloofden als in de Middeleeuwen. Zoiets hoefde niet bewezen te worden, dat mocht men, zo was de wetenschappelijke opvatting, - op gevoel - aannemen (zie ook Waarheid en roddel, vanaf blz 180 en Schipper op, schipper af, vanaf blz206).

Conclusie vanuit onderzoek naar de ‘drie Waterlandse dialecten’
Ook Jaap van Ginneken, die net iets vóór Klaas leefde, was deze opvatting toegedaan. Dat is hem niet kwalijk te nemen, want, zoals gezegd, van niemand kan je vragen te ontsnappen aan de opvattingen van de tijd waarin je leeft. Maar wij die buiten die tijd staan, dienen in dat opzicht daarom wel heel voorzichtig om te gaan met zijn conclusies vanuit het onderzoek naar de ‘drie Waterlandse dialecten’:

Pas tussen 1000 en 1100 werd Waterland en Zeevang voor bewoning toegankelijk
a. Zijn verklaring van gewoonten en gebruiken vanuit een nooit bestane prehistorie. Zo weten wij nu dat onze voorvaderen pas tussen 1000 en 1100 in het gebied Waterland en Zeevang konden doordringen: daarvoor was het een onbegaanbaar zompig veengebied. Jaap van Ginneken wist dat niet, sprak over het oude Waterland van 3000 jaar geleden (dat dus nooit had bestaan) en ontleende er een aantal van onze huidige eigenschappen en gebruiken aan: Het oude waterland heeft een hele reeks overblijfselen bewaard van het prehistorische moederrecht. Zo bewaren de vrouwen van Marken en Volendam ook na hun huwelijk nog altijd hun meisjesnaam, terwijl ook de familiebetrekkingen van moederszijde genuanceerder en intiemer zijn dan van vaderskant. Daarmee hangt dan het liturgisch aandoend gewaad vooral van Marken samen. De provisiekast te Volendam heette nog altijd ‘kamer’. Het is een relict van het geheime vrouwenvertrek. (blz. XX).

b. De eerste Baskische afscheiding?
Het dialect van Volendam, zo schrijft Van Ginneken, is in vergelijking met dat van Marken en Monnickendam echter ook een smeltkroes waarin talen gemengd zijn. Het Volendams kenmerkt zich met name door de sterke lippenstulping zowel bij het uitspreken van medeklinkers die met de lippen gevormd worden zoals de b, p en m, als bij de uitspraak van de ee in bijvoorbeeld keujk, bleujf, greujp, Ameujrika. Dat herkent Jaap van Ginneken, die het Baskisch heeft bestudeerd, als typisch iets van de mediterrane rassen. Vervolgens bedenkt hij er een aannemelijk verhaal bij: Spaanse soldaten die met Volendamse meisjes trouwen en er blijven wonen. Het groepje Spaanse, misschien Baskische vissers, dat om de een of andere reden door de Bossu, de Spaans-Belgische vlootvoogd op der Zuiderzee daar aan land gezet, en met vrouwen uit Waterland huwde, behield begrijpelijker wijze zijn Roomse geloof, ook toen Edam, de gemeente waartoe Volendam als wijk 7 behoorde, op het einde der 16de eeuw tot de hervorming overging (blz. XXII). Jaap van Ginneken hoefde hiervoor geen harde bewijzen aan te voeren. Het was een van zijn intuïtieve invallen, waarmee hij, zo bleek dan vaak later, de juiste wetenschappelijke zoekrichting had aangegeven. Dat geluk had hij niet met zijn Basken. Ja, of het moet zijn dat onze drang om van Edam af te komen zijn oorsprong vindt in de Baskische afscheidingsbeweging.

c. Een invasie van de oost- en de zuidkust van de Zuiderzee?
Even onwaarschijnlijk is de oplossing die Van Ginneken aandraagt voor de grote Oost-nederlandse invloed op ons dialect. In het veldonderzoek constateerde hij dat er wel duizend Volendamse woorden waren die vol-deden aan Oostnederlandse klankwetten.
- de lange aa die als ao wordt uitgesproken: Aaltje = Aoltje; aardig = aordig;
- de umlaut in verkleiningswoorden: bot wordt bötje (uitspraak: butje); pot wordt pö tje;
- de korte a in bijvoorbeeld plas (uitspraak met uitgetrokken mondhoeken).

Zijn verklaring hiervoor: Toen de Zuiderzeevissers van Urk, Huizen, Bunschoten, Harderwijk. Kampen, Vollenhoven en Genemuiden langzaam maar zeker collectief tot de hervorming overgingen, trokken degenen onder hen, die katholiek wilden blijven - de een voor, de ander na - naar wijk 7 van Edam, waar trots schout en staten een typisch mediterraan katholicisme bleef voortbestaan, waardoor Volendam zich nog heden van de hele omgeving onderscheidt (blz. XXIII).

Volendam voldoet aan een aantal Oost-Nederlandse klankwetten
De redenering van Jaap van Ginneken is helder. Omdat Volendam voldoet aan een aantal Oost-Nederlandse klankwetten, moeten er zich in het verleden een flink aantal Oost-Nederlanders in ons dorp hebben gevestigd. Hij stelt dan dat in de tijd van de reformatie alle vissers rond de Zuiderzee die van het protestantisme niets moesten hebben, naar Volendam getrokken zouden zijn. Weer een inval, maar weer geen goede, zoals later bleek, toen hier geen enkele aanwijzing in de historie te vinden bleek. 

Het veldonderzoek naar spraakkunst en woordenschat van Volendam
De conclusies die Van Ginneken voor de geschiedenis van het Volendamse volk trok uit het taalonderzoek, mogen dan niet juist zijn: er is immers later geen enkele aanwijzing gevonden voor Baskisch bloed in onze aderen, noch voor het feit dat ons dorp ooit het vluchtoord geweest is voor de restkatholieken onder de Zuiderzeevissers. Maar daarmee is er niets negatiefs gezegd over het veldonderzoek met daarin een beschrijving van de spraakkunst en van de woordenschat van het Volendams. Integendeel, over dat veldonderzoek kan ik zeer positief zijn:

a. Het is grondig opgezet en goed uitgevoerd.
Jaap van Ginneken heeft met een werkgroep van twaalf studenten gedurende een half jaar intensief onderzoek gedaan naar de grammatica van het Volendams, dus naar de wijze waarop klanken, klinkers, medeklinkers, woorden en zinnen werden gevormd, en er is een zeer uitvoerige thematische beschrijving gegeven van de woordenschat.

b. Er was een scherpe controle op de geschiktheid van de informanten en op de verkregen resultaten.
De dragende informanten in Volendam, Krelis Tuyp. Jufrouw Griet Buys en meester Jan Steur, noemt Jaap van Ginneken zelf ‘een kleine groep vrienden en vertrouwde en verknochte medehelpers’ en wij die ze gekend hebben, weten dat het in hun karakter lag om scherp te controleren of wat ‘die jassen’ opschreven ook juist was.

c. Het notatiesysteem was geschikt om het dialect weer te geven.
De fonetische spelling, dat is de wetenschappelijke manier om de uitspraak te noteren, is speciaal voor dit onderzoek door dr. Jo Daan, bekend van haar onderzoek naar de taal van het voormalige eiland Wieringen, ontworpen.

Als geoefend dialectspreker kan ik zeggen, dat dit fonetische schrift zeer geschikt is om de uitspraak van het Volendamse dialect weer te geven. Als er ooit een inburgeringexamen komt voor onze gemeentelijke ambtenaren, kan het zonder meer de basis voor hun taalexamen zijn.

Daarmee danken wij aan Jaap van Ginneken een goede spraakkunst en een uitvoerige beschrijving van de woordenschat van het Volendams van ruim 60 jaar geleden. Dat onderzoek is historisch van groot belang. Het maakt het mogelijk onze taal van toen te vergelijken met onze taal van nu.

Tot slot
Het onderzoek van Van Ginneken laat zien dat ons dialect sinds 1943 veranderd is. Alleen met behulp van het werk van Jaap van Ginneken kan dat nog zichtbaar gemaakt worden: andere bronnen zijn er niet meer. Dat maakt dit veldonderzoek voor het Volendams heel waardevol, dat maakt het een taalschat. Aan het bewaren, het oppotten van deze schat, zoals Sinte Pieter Salomons met een deel van de Lutineschat deed door hem opnieuw in de grond te stoppen, heb je niets. Je moet hem, net als Pieter Keuken, Buijssie en Jaap van Wouter deden, goed gebruiken. Daarom doe ik tot slot drie wensen. 

  1. Ik hoop dat we bij toekomstig taalonderzoek naar ons dialect zoveel mogelijk aansluiten bij het veldonderzoek van Jaap van Ginneken qua opzet, thematisering en fonetische spelling. Alleen dan kan het zijn waarde houden als eerste meting qua spraakkunst en woordenschat. 
  2. Ik hoop dat bij een in taal geschoolde Volendammer die nog naar een onderwerp voor een proefschrift zoekt, bij het lezen van dit artikel de handen gaan jeuken: de meting uit 1943 ligt voor hem klaar. 
  3. Ik hoop dat ze aan professor doctor Jaap van Ginneken denken, als ze straks in de Zuidpolder een naam voor een straat tekort komen. Er is al een professor van Ginnekenstraat in zijn geboorteplaats Oudenbosch en zelfs in Nijmegen is er een, waar ze als universiteitsstad toch wel wat van hoogleraren gewend zijn.

Gezien zijn onderzoek naar Volendams taal, zo kolossaal in kwaliteit en kwantiteit, zou daar een derde vernoeming niet misstaan. Maar let wel, niet die straat is het belangrijkste, voor wie hem wil eren. Het belangrijkste is dat er verder gewerkt wordt met de schat die hij Volendam heeft nagelaten.

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.