Naar de inhoud

‘Het voelde als dat ik gefaald had’ (foto's)

Bron: NIVO

‘Het voelde als dat ik gefaald had’


De schaatskoorts zoals die onlangs heerste, trok decennia geleden wekenlang liefhebbers de Gouwzee op. 56 jaar geleden rond deze tijd ontvouwde zich een dorpsdrama dat heel Volendam in rouw dompelde. Eén van de overlevenden, Gerrit Smit (bokkum), verhaalt over het litteken van zijn leven.

,,Eigenlijk heb ik er nooit over verteld op latere leeftijd. En eigenlijk nooit verwerkt. Nu ik er mee wordt geconfronteerd, gaat het meteen weer leven. Drie begrafenissen van jonge kinderen in zo’n kleine gemeenschap, dat was voor die tijd iets bijzonders.”

,,Tot in details kan ik me die middag herinneren. Ik weet nog goed dat mijn vader altijd aangaf of we mochten schaatsen, of niet. Hij was altijd op de dijk, dus wist of het ijs sterk genoeg was. Die bewuste zaterdagmiddag had hij niets gezegd en toen hij met mijn moeder ‘op tok’ ging, pakte ik mijn schaatsen. Klaas Zwarthoed (koffiedik) en ik ontmoetten elkaar op weg naar het ijs. Hij kwam vanaf Het Brijkje aanlopen en even voorbij het huis van dokter Tuyp bonden we de schaatsen onder en gingen samen via de Haven naar de Helling.”

,,Het was al wat aan het dooien, toen we naar Marken schaatsten. Op een gegeven moment zagen we in de verte wat stippen: het waren Bollie van Vlaanderen en Crelis Kwakman. Het was duidelijk dat ze bij de geul in een wak zaten. Met een sjaal en liggend op onze buik probeerden we de jongens eruit te halen, maar binnen de kortste keren lagen we met z’n vieren in het ijskoude water.”

,,Crelis hield zich vast aan het riempje van mijn jas. Die twee zaten er zeker twintig minuten in. Zij riepen om hun moeder. Werden door de kou bevangen en konden niet meer, ze stierven langzaam. Als er eerder grote hulp zou zijn gekomen…”

,,Ik bleef rustig, kon goed zwemmen en voerde geen doodsstrijd. Op een gegeven moment zagen we Jan Snieder en Kees Stroek (bup) uit Marken vandaan komen en zij schoten ons te hulp. Stroek probeerde Klaas Koffiedik eruit te halen, maar viel er zelf ook in omdat het ijs steeds afbrokkelde. Wilde Jan Snieder omdraaien en hulp gaan halen, maar Kees riep hem terug.”

,,Ondertussen hing Crelis al dood aan mijn riempje en dat werd zwaar, dus die moest los. Ook Klaas werd op een gegeven moment door de kou bevangen. Kees en Jan wierpen mij een das toe, maar ik liet telkens los. Op een gegeven moment riepen ze dat ik ‘godverd….’ moest vasthouden en toen besefte ik dat ik móest. Vloeken mocht bij ons niet, dus dat maakte veel indruk op me.”

Hij kwam op het droge. ,,Kees en Jan hebben me naar de wal gesleept, waarbij ik even buiten bewustzijn ben geraakt. Ik weet nog wel dat alle mensen bij de wal al van het ijs waren. Op weg naar de Jozefstraat dacht ik aan mijn ouders, die vast boos zouden zijn op mijn natte pak… Later kwam de zus van Klaas Koffiedik langs. Of hij er bij was… Ik wilde terug naar de dijk, want ze gingen met de botters naar buiten om de lichamen op te dreggen.”

,,Ik ben een paar dagen thuis gebleven van school. We kregen als overlevenden een horloge namens het Carnegie Heldenfonds. Op school werd je met Godsdienst altijd meegegeven dat je moest redden, ook al moest je je leven geven. Maar ik voelde me als dat ik gefaald had, had een schuldgevoel. Terwijl het eigenlijk een wonder was dat er drie uit zijn gekomen… Maar dat was achteraf.”

,,Slachtofferhulp had je destijds niet. Mijn vader was een goede bekende van dokter Duin en die had gezegd dat ik een paar keer na het spreekuur langs mocht komen, om met hem te praten. Dat is goed geweest voor me. Hij maakte me duidelijk dat ik geen schuld had.”

,,Mijn vader was behoorlijk van de kaart. Hij heeft jarenlang nachtmerries gehad. Zelf had ik daar geen last van. Ik weet nog wel dat ik bij het slapen gaan een paar keer ‘bezoek’ kreeg van een goede tante, die vrij snel na het drama overleed. Het opvallende was dat ze steeds uit het water naar boven kwam. Zij kwam afscheid van me nemen en vertelde me dat het goed zou komen. Qua geloof weet ik nog dat ik altijd een rozenkrans in mijn broekzak droeg. Dat moet er toe hebben bijgedragen, dat het zo met me is afgelopen.”

,,Sindsdien heb ik altijd moeite gehad met tv-uitzendingen en films waarbij mensen in het water vielen. De eerste Titanic-film kon ik niet helemaal bekijken, de laatste heb ik bewust bezocht en dat ging wel. Weet je: wat je als tienjarige nog niet hebt, dat komt wel als je ouder bent: het besef van wat er gebeurd is, dan raken dingen je meer. Dan krijg je ook pas het besef hoeveel ouders van jou houden als kind. Als mijn eigen kind later iets gevaarlijks deed als zomaar de weg oversteken, dan kon ik buiten zinnen raken… Uit angst dat mijn kind iets zou overkomen.”

,,Met een botterdag van de Rabobank ben ik later nog eens op de plek geweest en ook op de schaats. Dat raakte me dan enorm. Omdat het zo gevoelig lag heb ik het onderwerp vaak en lang gemeden. Anderzijds ben ik er onbevangen doorheen gegaan. Heb ik er geestelijk en lichamelijk niets aan overgehouden. Maar toen ik enkele weken geleden wat foto’s van Oud-Volendam op de mail kreeg en er prompt een foto van één van de begrafenissen van destijds tussenzat, toen was ik wel weer helemaal van slag. Ik sta ergens op die foto, achter wat mensen. Ik mocht vanwege school niet achter die van Klaas, dat werd voor me bepaald.”

,,Weken later, toen de vorst zich weer aandiende, stond ik weer te ‘kakooien’ op het ijs. Mijn ouders werden geïnformeerd en werden boos. Terwijl het volgens mij ook wel goed was om weer normale dingen te doen.. Maar elke 10 januari lijkt het alsof er een bel gaat. Dan komt die dag van ’53 weer terug. Ook onlangs op de 10e, toen viel het ook op zaterdag en hadden we de zelfde weersomstandigheden. Ben ik tijdens die schaatsdagen naar Monnickendam gereden met de auto en bij de Noord wezen kijken of ze daar schaatsten. Toen ik zag dat ze met een groepje daar reden, luchtte dat me op: gelukkig reden ze niet alleen…”

,,Je draagt het je hele leven mee. Ik heb me nooit als een held gevoeld, maar dat gevoel van falen ben ik gaandeweg kwijtgeraakt. Je gaat er toch met andere ogen naar kijken.”

,,Tijdens de Nieuwjaarsbrand was ik op de dijk, om de dochter van mijn vrouw te zoeken en toen ik de jongeren met de hangende vellen huid zag, kwam alles bij me naar boven. Aan de andere kant kan ik ontzettend genieten van de ijspret zoals men die laatst weer had op de haven en daarbuiten. Zoals ik in de jaren na het drama op die plaats nog voldoende schaatsprijzen heb gewonnen.”

Uit de Nivo van vrijdag 16 januari 1953
Het ijs eist drie slachtoffers
Grote verslagenheid in ons dorp
*Moedig reddingswerk van enkele jongens
*Een der redders werd zelf een slachtoffer



Een vreselijk ongeluk heeft Volendam op ‘t rustige Zaterdagmiddaguur opgeschikt, toen de jobstijding door ’t dorp ging: “Drie jongens verdronken”. Zoiets geloof je direct niet zomaar uit de eerste hand. De tijdingen waren zo verwarrend en ieder wist er net zoveel van dat ’n klein vonkje hoop bleef smeulen dat ’t misschien toch niet waar was. Maar op de Dijk kon je direct merken dat er toch iets bijzonders gaande was. Wanneer zoveel mensen dicht opeengepakt staan, dan ligt ‘t voor de hand dat er iets gaande of iets gebeurd was.

De laatste jaren merkte je zo’n toeloop niet meer. Ja, in de oorlogsdagen was er zo af en toe wel eens een gebeurtenis, die hetzelfde beeld te zien gaf, als er slachtoffers waren, razzia’s geschied waren, parachutisten in zee verdwenen of een beschoten sleepboot in de Haven heil had gezocht. Maar deze Zaterdagmiddag lag er toch wel ’n bijzondere trek op de gezichten der saamgegroepte mannen en vrouwen langs de zeekant der dijk.

Dat deed ons denken aan sombere dagen als de zee weer een slachtoffer had opgeëist zoals enkele jaren terug. Maar in de twintiger jaren vroeg de zee doorgaans ieder jaar – zoals de vissers berekenden – een slachtoffer. Toen Volendam nog klein was, was het meeleven nog intenser als in onze dagen, nu ‘t dorp zo groot is geworden, dat de meeste mensen mekaar niet meer kennen. Dat was voor de twintiger en meer jaren terug heel anders. Toen kende ieder iedereen. ’t Dorp was in veel sterkere mate een eenheid en ‘t leed van ’n ander werd dieper meegevoeld.

Dat dit meeleven thans ook nog voldoende sterk is, wil ik niet betwijfelen. Het bewijs is er ten overvloede, gezien de druk die deze dagen over ’t dorp lag. Want het drievoudig ongeluk bleek helaas maar al te waar, de zee had drie jeugdige slachtoffers opgeëist.

Het bleken de 11-jarige Cornelis Kwakman (van Kl. v.d. Burgemeester), de 10-jarige Jan van Vlaanderen (van Kl. Pan) alsmede de 13-jarige Klaas Zwarthoed (van Fr. Doede) te zijn. De drie jongens J. Snieder, Kees Stroek en de 10-jarige Gerrit Smit, werden gered. Het ongeluk is nogal gecompliceerd geschied. Het zachte weer had honderden op de schaats en prikslede naar het IJsselmeer gelokt. Het zeeijs van enkele nachten zwakke vorst, was uiterst broos en dun. In de Golf van Madoet en die van Wullempie – zoals de volksmond de inhammen ten Noorden en ten Zuiden noemt – kan men lang iets wagen op het ijs, daar hier door de kisvorming het ijs altijd tot het laatst een vertrouwde dikte heeft. Maar de onbezonnen jeugd wordt gelokt door de verte en de Bukdijk werkt schijnbaar als een magneet. Zo waagde menigeen zich zover uit de wal, dat zij op enkele meters afstand de Marker boot zagen voorbijvaren. Een jongen op die hoogte zakte met de ijzers tot de zitplank door het ijs en is toen toch maar haastig teruggegaan.

Minder gelukkig waren de twee jongens J. van Vlaanderen en C. Kwakman, twee buurjongens van elkaar. Beide jongens zaten op een slee en prikten halverwege de Bukdijk. Op een onheilsogenblik gebeurde het, dat ‘t ijs brak en de jongens spartelden in zee. Op een tamelijke afstand zagen de 13-jarige Klaas Zwarthoed en de 10-jarige Gerrit Smit het ongeluk gebeuren. Zij riepen om hulp naar de verre wal, maar hun hulpgeroep werd niet begrepen of verstaan door de vele rijders dicht langs de kust. De twee moedige jongens schaatsten onvervaard naar de onheilsplek, maar bij hun reddingspogingen gingen zij ook door het ijs. Goede zwemmers als zij waren bleven zij pogingen doen de twee te redden. Ondertussen kwamen uit de richting van Marken de 16-jarige Jan Snieder en de 15-jarige Kees Stroek. Zij hadden het tweede tweetal door het ijs zien gaan en begaven zich haastig naar de plaats. Bij de eerste reddingspoging maakte J. Snieder gebruik van zijn broekriem, die hij liggend op zijn buik naar de kleine Van Vlaanderen toewierp. K. Stroek wist G. Smit op het droge te brengen. Toen probeerden zij de 13-jarige Zwarthoed te helpen, maar bij dit pogen begaf het ijs zich onder de jeugdige Stroek. Zijn vriend Snieder hielp hem weer uit het water, maar direct daarna ging op zijn beurt Snieder weer door het ijs en was de taak van de geredde om de redder te helpen. De tragiek kreeg toen haar hoogtepunt. Een jongenshand stak nog boven water uit, het was die van de moedige K. Zwarthoed, die bij zijn reddingspoging zelf het leven zou laten. Lang had hij zich bovengehouden en gezocht naar de twee eerste drenkelingen. Toen is de knaap bevangen door de koude de bezinning kwijt geraakt. Nog werd een riem naar de hand toegeworpen, maar deze greep niet en zonk weg tussen de brokken ijs. Drie jonge levens lagen op de zeebodem. Wie dorst het vege lijf te wagen, het zou zinloos geweest zijn. Ontsteld van de doorgestane belevenis, ging het drietal meer dood dan levend terug naar ’t dorp.

Het verbijsterende nieuws bracht grote verslagenheid in ’t dorp. Drie gezinnen werden in diepe rouw gedompeld. Toen dit onheilsbericht algemeen was doorgedrongen, stonden dra honderden mensen als wezenloos te turen naar zee. Men wist daar ergens een wak, waarin drie lichamen lagen, maar het menselijk oog kon de afstand niet overbruggen. Plots was het gedaan met de ijspret. De zee liep leeg, alleen in de eerder genoemde inhammen was nog wat jeugdig volkje blijven glijden.

Akelig doods en verlaten lag daar de zeevlakte in de greep van ’t ijs. Menigeen vroeg zich terecht af, of er geen pogingen werden aangewend om de drie doden te bergen. Marken was telefonisch van het ongeluk op de hoogte gesteld, en de verwachting was, dat men van Marken uit iets zou ondernemen. Maar ook van daaruit zou het moeilijk zijn bij de plek te komen. Toch zag men op de dijk een kleine stip zich op de Bukdijk voortbewegen en het vermoeden werd geuit, dat men van daaruit op verkenning ging.

Maar in tijden van rampen en slagen voelt Volendam zich bijzonder één. Dat is altijd gebleken. Men leeft met elkaar mee, wil iets doen om het leed van de ergste proporties te ontdoen. De lichamen moeten uit zee. Dat was in ieder geval een angel minder in ’t priemende leed van de nabestaanden.

Zo tegen ‘t vallen van de eerste donkerte gingen drie kotters en een olieboot de haven uit. Wat weinigen vermoed hadden, bleek toch ’n feit. Het ijs, waarop zovelen voorkort nog zorgeloos gleden, brak als koek onder en voor de boegen. Zonder noemenswaardig oponthoud baanden de schepen zich een weg door ’t ijs. In een goed half uur was men bij de plek waar de drie het leven hadden gelaten. Met de eerste vis met de haakstok had men het eerste slachtoffer reeds boven. Met een tweede poging werd de tweede opgehaald en na enkele minuten tasten met de stok over de zeebodem was ook de laatste geborgen.

De Dijk stond zwart van de mensen toen de vaartuigen terugkwamen. Men kon haast niet begrijpen, dat men in zo’n korte spanne tijds, de drie lichamen had weten op te halen. Maar de gelukkige vangst was een feit. De lichamen werden naar het W.G. Kruisgebouw vervoerd en daar onderzocht en opgebaard. Later in de avond werden de lichamen reeds gekist, aan de families der slachtoffers overgedragen

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.