Henk Bond dankt engelbewaarder na overleven van mislukte parachutesprong (foto's)
Henk Bond dankt engelbewaarder na overleven van mislukte parachutesprong
Zijn vrouw waarschuwde hem nog en verwees naar de komische tv-reclame van zanger Fons en KPN. ,,Angela zei voor mijn vertrek: ‘Jij komt thuis met gaten in je broek en je handen vastgezet in het gips. Nie-gamen-nie en nie-bellen-nie’.” Henk Bond kan er nu om lachen. Maar de Volendammer beseft maar al te goed dat hij een God’s geluk heeft gehad. Ruim een maand geleden overleefde hij een vrije val van zes meter toen bij een solosprong uit een zweefvliegtuig zijn parachute plots inklapte. ,,Ik heb een dijk van een engelbewaarder.”
Hij is niet meer aan het ziekenhuisbed gekluisterd. ,,Ik ben de jongste bewoner hier”, zegt Henk Bond gekscherend, zittend aan de koffie in het St.Nicolaasof. Sinds een week wordt hij verzorgd in wat in de Volendamse volksmond ‘het ouwemannenuis’ heet. Bond ontvangt er alle bekenden met genoegen, langzaam maar zeker zich bewust wordend van het feit dat hij – vooralsnog – geen blijvend letsel heeft overgehouden aan het ongeval.
Het is geen waaghals. ,,Ik ben een type die altijd de risico’s afweegt, niet zo’n avonturier. De weken ervoor had ik er, nadat ik eenmaal had besloten te gaan, veel zin in. Echte nervositeit had ik niet. Het kriebelde wel. De spanning van de vraag of je een overwinning gaat behalen op je zelf, want zo zag ik het. De vraag of ik uit het vliegtuig zou durven springen.”
Zegen
,,Het leek me gewoon eens een keer leuk om te doen. Lekker hangen aan een parachute in het luchtledige, geen geluid, en gewoon neerkijken op de wereld van boven af, zoals ik dat vanuit een vliegtuig ook altijd zo mooi vind. Niet dat het een grote droomwens was. En zo hadden we het er eens over op onze dansavond. Iemand uit de dansploeg, Tine, had er ook wel oren naar en zo spraken we af. Mijn vrouw Angela zei meteen: ‘Mijn zegen hebben jullie, als jullie mij maar met twee benen op de grond laten.’ Ik dacht: we zien wel, misschien wordt het niks, uitstel, afstel… Maar toeval of niet, de dag erna kreeg ik een sms van een vriend van me, Jan Jonk, die in het leger bij de Nationale Reserve zit.”
,,Ze waren van plan om met een deel van hun peloton parachute te gaan springen. Of ik mee wilde. Tja, wat doe je dan? Ik had al eens eerder een oefening met die gasten meegedraaid, om te kijken of dat onderdeel van het leger ook iets voor mij was. Maar er ging toch iets teveel vrije tijd in zitten. Zodoende kende ik die gasten al en áls er al een mogelijkheid was om die springcursus te combineren met gezelligheid dan was dit dé gelegenheid. ‘Wél mooi ooooor’, zo eindigde zijn sms. Tine gebeld, alles geregeld, onderdak náást het vliegveld in Hilversum, alwaar de meerdaagse cursus ‘static line’ plaatshad.”
Het verhaal deed al gauw de ronde. ,,Ik kreeg uiteenlopende reacties. Van ‘wat ga jij nou doen, uit een goed werkend vliegtuig springen?’ tot ‘vogels horen in de lucht, vissen in het water en mensen met twee benen op de grond’, of zeer positief als ‘kicken man’ en ‘dat zou ik ook graag eens willen doen’.”
Na het kwartier maken volgde een lange sessie in het theorielokaal. ,,Tot ’s avonds half elf werden we min of meer gedrild. We moesten alles in het koppie stampen: springprocedures, de noodprocedure, alle mogelijke scenario’s werden steeds doorgenomen. Het werd zo vaak geoefend, dat als we ‘s nachts wakker schrokken, we zonder dralen de noodprocedure op konden zeggen. Veiligheid stond en staat uiteraard hoog in het vaandel.”
De volgende morgen mocht het gezelschap in de parachutes aan het plafond aanvoelen, hoe het voelt om erin te hangen. ,,Buiten aan de muur hing een half oefenvliegtuigje, waarin we oefenden met in- en uitstappen en ook het afspringen en de zogenaamde pararol, die gehanteerd moet worden bij het landen, zodat je niet op je benen terechtkomt, maar een rol maakt over de rechterkant van het lichaam, waardoor je de klap opvangt en jezelf zo min mogelijk beschadigt...”
Angst
Vanwege de mist kon het die dag niet in de praktijk worden uitgevoerd. De sprong werd geannuleerd. De volgende dag kon in de middag worden opgestegen en gesprongen. ,,Ik zat in de derde stick (ploeg) en moest er als eerste uit van de drie. Daar had ik ook om gevraagd, want ik wou de eventuele angst op de gezichten van mijn collega-springers niet zien, als ze uit het vliegtuig stapten. Juist die uitstap, vanuit het vliegtuig op het stepje onder de vleugel, juist dát was mijn angst. En mijn overwinning op mezelf en op mijn hoogtevrees, als dat zou lukken. En de instructeur had al gezegd ‘als je eenmaal buiten staat, kom je er niet meer in. Springen zul je, al moet ik je eraf duwen…’ Diezelfde instructeur had gedurende de dag iedereen diep in de ogen lopen kijken, of er geen personen tussen liepen met wazige ogen, of ogen vervuld van angst. Want dan werd je eruit gepikt en ging het feest niet door. Zover kwam het echter niet, terwijl er wel figuren tussen liepen, die lichtelijk tot zeer zenuwachtig waren.”
,,Na een minuut of vijf vliegen, keek instructeur André me lachend aan, wenkte me, en hielp me op mijn knieën. Een schietgebed richting boven volgde: ‘God, geef dat het goed gaat’. Vervolgens de linkerhand aan de handgreep achter het hoofd van André, de instructeur, rechtervoet naar buiten, vervolgens de rechterhand, linkervoet en tenslotte de linkerhand, de instructeur steeds aankijkend, want we mochten liever niet naar beneden kijken. Daar stond ik dan. Mijn overwinning op mezelf was dáár… ‘Ready?’, schreeuwde André. ‘Yes’, riep ik euforisch. ‘Go…’.”
,,En daar ging ik. Alleen. Het ging perfect. Van een vrije val is slechts seconden sprake; je hangt maar op één kilometer hoogte. Je maakt je parachute open, checkt, is-ie rechthoekig, dus niet vervormd, vlieg ik rechtuit, heb ik een twist, zijn de lijnen gedraaid, steeds moest je de checkprocedure afgaan. De twist had ik er snel uitgewerkt. De slider zat goed, alle luchtkamers in de parachute zaten vol en de stuurtoggles deden het. Met het oriënteren had ik vervolgens wat langer werk. Op een gegeven moment zag ik de landingsplek en stuurde erheen. Maar kijkend op mijn hoogtemeter, besefte ik dat ik wat te lang werk had gehad, dus tegen de wind in draaien was er niet meer bij, daar zat ik al te laag voor. Geen probleem, er stond praktisch geen wind, dus dan is vóór de wind landen heel goed te doen. Zo gezegd, zo gedaan…”
‘Het ‘krakgeluid’ ging door merg en been. De instructeur gaf geen dubbeltje voor me’
Van te voren was gezegd, dat de meeste beginners bij de eerste sprong te vroeg remmen. ,,Bij mij was dat niet anders. Ik remde op vijf meter van de grond en hing meteen stil. Normaal is het zo dat door de opwaartse thermiek de parachute openblijft en je het laatste stukje langzaam zakt. Zelden is het andersom: dat de neerwaartse luchtdruk sterker is dan de opwaartse. Alleen nu was dat even wel zo…” Gevolg: de parachute van Bond klapte in en de Volendammer maakte een vrije val van vijf tot zes meter. Hij heeft de klap tegen de grond echter niet gevoeld.
,,Het leek net of de camera werd uitgeschakeld, toen ik viel. De film stopte.” Hij moest naderhand van ooggetuigen de rest van de reconstructie horen. ,,Onze tweede instructeur, Ruud, liep rond op de landingsplek en heeft het zien gebeuren. Ik kwam neer met een enorme smak op mijn kont en probeerde me ook op te vangen met mijn armen.” De instructeur vertelde later dat het ‘krakgeluid’ dat hij hoorde, hem door merg en been ging. Bond: ,,Hij gaf geen dubbeltje voor me, vertelde hij me later.”
Vermoeden
De instructeur verleende eerste hulp en belde de ambulance. Bond: ,,Ik was wel bij kennis, want ik gaf antwoord op alle vragen, die werden gesteld.” Alleen kan hij het zich niet herinneren. ,,Tine, Jan en de anderen vervolgden hun tweede sprong, zoals we allemaal die dag twee keer zouden gaan en de dag erop nog drie keer. Ze hadden wel iets gehoord. Jan Jonk zag dat de ambulance wegreed, toen hij weer in de lucht hing.” Hij belde later met de vrouw van zijn gevallen maat, met het verhaal dat die voor controle naar het ziekenhuis moest in Utrecht.
Bond: ,,Na onderzoeken en scans bleek het echter iets erger te zijn. Een wervel gebroken op twee plaatsen, bekken links voor tweederde losgescheurd van de ruggengraat en twee polsen gecompliceerd gebroken. Ze stonden allebei in een s-vorm. In eerste instantie waren ze ook nog bang voor mijn nek, want daar kwam een brace omheen. Al die tijd was Ruud bij me gebleven om op me in te praten. Zelf kwam ik in de ambulance pas bij positieven. Ik hoorde een sirene en dacht: oei, die is voor mij, dus dat is niet goed. De volgende flard was dat ik door de scanner heenging. Dat bevestigde dus mijn vermoeden.”
De doktoren vertelden meteen, dat het een langdurige kwestie ging worden. Bond: ,,Eerst een paar weken liggen, daarna diverse operaties en een hele lange revalidatie. Een half jaar minimaal, daar moest ik op rekenen. Áls alles al helemaal weer in orde kwam. Mijn wereld stortte in. Terwijl iedereen zei dat ik mazzel had gehad, want ik leefde nog en in alle vitale delen zat nog beweging. Zelf wist ik niet, wat ik moest denken.”
Allerlei vragen over het onheil rolden in Bond’s bovenkamer over elkaar heen. ,,Ben ik beschermd? Gered en behoed? Of had ik pech? Wie weet wat er was blijven hangen als ik het bewust had meegemaakt? Geloof heeft altijd een rol gespeeld in mijn leven. Mijn moeder zei altijd: ‘Je krijgt van Onze Lieve Heer elke week 168 uur. Vind je het dan teveel om één uurtje aan hem terug te geven, door even naar de kerk te gaan?’ Ik ben ook altijd wekelijks naar de kerk gegaan vanaf de Heilige Communie. Het is een deel van mijn leven geworden en ik zou er ook niet buiten kunnen, die wekelijkse mis. Het geeft mij veel kracht.”
,,Mijn vrouw en ik hebben ons in de loop der jaren meer in ons katholieke geloof verdiept, waardoor we er meer van geleerd hebben dan gemiddeld tegenwoordig. Voor mij is het dus een feit dat de Heer altijd bij ons is, dat hij ons hoort, ziet, beschermt en helpt, 24 uur per dag. Daar twijfel ik nooit aan. Wél kunnen we hem door eigen schuld bij ons vandaag jagen, door liefdeloosheid, stommiteiten en hoogmoed, kort samengevat: zonden.”
Als vrachtwagenchauffeur bij Bart Smit (,,Mijn passie en dat mis ik echt”) en voorheen bij Jonk Transport en Tol Containers zit hij inmiddels zo’n twintig jaar dagelijks langs de weg. ,,Als chauffeur stort ik me elke dag in de jungle. Ik heb dus al het nodige meegemaakt aan bijna-ongelukken en ik ben al meerdere malen op miraculeuze wijze aan de dood ontsnapt, waarvan een aantal gevallen echt onverklaarbaar zijn. Daarom twijfel ik niet of er een God is. Hij heeft mij een dijk van een engelbewaarder gegeven. Welk werk je ook doet, het brengt altijd risico’s met zich mee. Nu ging het om parachutespringen. Ik vraag me wel af: tartte ik daar het lot niet mee? En zou je dan toch beschermd worden, als je het zelf gaat lopen opzoeken? Ach, er gaat zoveel door je hoofd naderhand.”
Het herstel verloopt ongekend voorspoedig. ,,Ik werd op de spoedlijst gezet voor de verschillende operaties. Ik moest eerst dagenlang platliggen. Verschrikkelijk. Half verdoofd door pijnstillers, en toch ook overmoedig. En ik kan normaal geen twee tellen stilzitten… De eerste kaart was van schoonzus Natasja. Met daarop een foto van mijn vrachtwagen, ingevoegd de aankondiging voor het piratenfestival op 4 juli. Met de tekst ‘je zorgt maar dat je erbij bent’. Dat was voor mij de knop, die ik nodig had. Op die datum wil ik hersteld zijn.”
‘Dit is een wonder, ik heb God uitvoerig bedankt’
De kaarten met beterschapswensen, smsjes en telefoontjes stroomden binnen. ,,Het was werkelijk overweldigend. Uit de meest uiteenlopende en ook onverwachte hoeken kwamen ze vandaan. Het is geen cliché, het werkt écht mee aan een spoedig herstel. Er wordt echt veel aandacht aan besteed en uit veel kaarten kon ik echt de schrik, de bezorgdheid en de liefde voelen. Daar ben ik iedereen heel dankbaar voor.”
Ook hoorde hij alle – al dan niet verdraaide – verhalen die weer de ronde deden. ,,Iemand belde mijn broer Edwin, of ik wel goed bij mijn hoofd was, om zónder parachute uit een vliegtuig te springen. Daar kun je toch alleen maar om lachen.”
De diverse reparaties aan het lichaam werden ondersteund door cement, ijzeren pennen, dwarsstangen, schroeven en er werd hier en daar teruggebogen wat krom was. ,,Vol verbazing hoorde ik dat de rug mocht belasten en mijn nek volledig werd vrijgegeven. Ook de bekkenoperatie was geslaagd. Nadat me eerst in het vooruitzicht was gesteld, dat ik weken moest liggen. Dit was voor mij een wonder. Mijn eerste gedachte was: ‘hoezo helpt bidden niet?’ Ik heb God uitvoerig bedankt.”
,,Ik leek in het begin wel een pasgeboren lammetje, zo wankel stond ik op mijn benen. Ik was blij en zag het weer een beetje zitten. De dinsdag daarop waren mijn polsen aan de beurt om geopereerd te worden. Ze waren al twee keer ‘gezet’. Ze bleken zwaar beschadigd, tot in het gewricht. Het moest gerepareerd met stalen plaatjes. Het scheen toch wel ingrijpend te zijn voor mijn lichaam, want mijn bloeddruk schoot steeds omhoog als reactie op de pijn. In de dagen erna heb ik erg veel pijn gehad in mijn armen, ondanks de pijnbestrijding. De volgende morgen kwam de chirurg aan mijn bed, om te vertellen dat de missie was geslaagd.”
,,Al die tijd ben ik door de verpleging met alle geduld en liefde verzorgd. Als je niks mankeert, sta je daar natuurlijk niet altijd bij stil, maar die verplegers en verpleegsters waren mijn helden en dat heb ik hen verteld. Zoals ik ook het verplegend personeel van de trauma-afdeling in Utrecht heb bedankt en uitvoerig afscheid nam van mijn kamergenoten. Je deelt toch drie weken lang lief en leed met elkaar en raakt aan elkaar gehecht.”
Vervolgtraject
De ‘transferdeskundige’ was hem minder gezind. ,,Als ik niet nog aan het infuus gelegen had, had hij me al naar huis willen sturen. Waarop ik hem niet begrijpend aankeek, want ik mocht zes weken lang niks doen met mijn polsen. Ik zei tegen hem, dat naar huis gaan geen optie was. Hij hield vol, dat ik niet in aanmerking kwam voor een vervolgtraject. Na drie kwartier bakkeleien heb ik hem gezegd dat ik een einde maakte aan dat gesprek en dat we dus in remise zaten. Nadat hij overlegd had, zei hij later tussen neus en lippen door dat ik een paar dagen later verwacht werd in het Sint Nicolaashof in Volendam. Ik was zo blij als een kind. In mijn geliefde Volendam verzorgd worden en hopelijk vanuit die plek revalideren.”
,,De polsen geven nog veel pijn, waardoor het slapen ’s nachts moeizaam gaat, maar dat haal ik overdag in. Het is wel raar om afhankelijk te zijn van anderen, want mijn ‘gat’ moet ook afgeveegd worden. Ik ben blij dat er mensen zijn die dat voor anderen doen. Ook mijn vrouw Angela verdient een enorme pluim, want ze kreeg er een dagtaak bij om alles voor mij uit te zoeken en in de file dagelijks heen en terug naar Utrecht te rijden, dan ben je toch tussen de zes en acht uur per dag kwijt.”
Of hij ooit nog eens gaat parachutespringen… ,,Nou nee, toch maar niet. Het lijkt me niet zo wijs om het opnieuw op te gaan zoeken. Niet dat ik het iemand af zou raden. Maar het moge duidelijk zijn dat het niet zonder risico’s is. Achteraf gezien had ik misschien beter eerst een tandemsprong kunnen maken. Ik heb ook niet echt kunnen genieten. Het is nog geen routine, dus van het uitzicht merk je dan nog niks. Je bent niet zo relaxed als in een normaal vliegtuig. Je moet er immers voor de eerste keer in je ééntje uit…”
Foto Henk Bond: ,,Er gingen in het ziekenhuis allerlei vragen door me heen. Ben ik behoed of heb ik pech gehad?”