Naar de inhoud

Nieuwe handen. Verhaal over nieuwjaarsbrand Volendam (video)

Bron: RTV NH

De 15-jarige Gerie is één van de feestvierende jongeren die op nieuwjaarsnacht 2001 in het Volendamse café 't Hemeltje werd overvallen door een afschuwelijke brand. Grote delen van haar lichaam raakten ernstig verbrand. Van de ene op de andere dag wordt ze van een verliefde tiener vol toekomstplannen een brandwondenslachtoffer.Hoofdstuk 1
Soms schrik je wakker uit een nare droom en weet je even niet meer waar je bent. Je komt buiten adem overeind en je hart klopt in je keel. Waar ben ik denk je. Totdat je de rode cijfers van je wekker op het nachtkastje ziet. Met een diepe zucht laat je jezelf achterover zakken: het was maar een droom. Deze keer is het anders.

In dit verhaal schrijft Gerie over haar herstel in het ziekenhuis, de moeilijke tijd daarna en het medeleven van familie en vrienden. Haar boek is een persoonlijk verslag over het verwerken van een ramp. In 'Nieuwe handen' beschrijft Gerie onder meer hoe ze tien jaar na de ramp voor het eerst weer voet in 't Hemeltje zet, en hoe het tegenwoordig met haarzelf, haar familie en haar vrienden gaat. Gerie Smit studeerde Redactie en Mediaproductie aan de Hogeschool van Amsterdam en is redacteur bij RTV Noord-Holland. Hieronder volgen de eerste 8 hoofdstukken uit haar boek:

gerie

Ik schrik wakker uit een heel nare droom en open voorzichtig mijn ogen. Het doet zeer. De zon schijnt door het raam en mijn ogen kunnen het vele licht niet verdragen. Dommerd. Ik ben vergeten de rolluiken dicht te doen. Ik wil overeind komen, maar dat lukt niet. Ik zit vast aan mijn bed. ‘Waar ben ik?' wil ik zeggen, maar ik kan niet praten. Er zit iets in mijn mond en in mijn neus. ‘Wat is dit?' schiet er door mijn hoofd. Ik wil het eruit trekken, maar iemand houdt me tegen. ‘Nee Gerie,' zegt een onbekende stem. Ik word naar achteren geduwd.

Opnieuw probeer ik mijn ogen te openen. Pijn! Ik knijp ze samen en probeer door mijn wimpers te kijken. Er staat een vrouw in een witte jas voor me. Weer probeer ik overeind te komen. ‘Wie ben jij?' roep ik. Maar er komen geen woorden uit mijn mond. Ik probeer mijn handen los te trekken van het bed. Dat ding in mijn mond moet eruit! ‘Nee Gerie, blijf liggen,' zegt de vrouw in de witte jas. Ze duwt me tegen mijn schouders naar achteren. ‘Rustig, rustig, ga maar weer slapen,' sust ze. Ik sluit mijn ogen en hoop dat het allemaal een droom is. Maar wanneer ik mijn ogen weer open, zie ik niet de rode cijfers van de wekker. Er is helemaal niets in de kamer wat ik herken. Ik probeer diep na te denken: ‘Wat is er gebeurd? Waarom zit ik vast? Wat heb ik gedaan?' Ik ben opeens zo moe dat ik moet vechten tegen de slaap. Ik wil niet opgeven, maar ik kan niet meer en val toch weer in een diepe slaap.

Hoofdstuk 2
09.00 geven de cijfers van de wekker aan. Ik rek me uit; het is nog lang geen zes uur en ik draai me nog een keer om. Oudejaarsdag is aangebroken. Ik hoef vandaag niet naar school en ook niet te werken. Twee jaar lang stond ik elke feestdag in een delicatessenzaak op de dijk in Volendam. Oudejaarsdag was altijd de drukste dag van het jaar. Van 's ochtends tot 's middags maakte ik honderden hapjesschalen. Ik had er genoeg van om elke feestdag te werken, dus ben ik aan de slag gegaan in een viswinkel in Uithoorn. Elke zaterdag word ik om zes uur 's ochtends opgehaald, wat verschrikkelijk is, maar daar staat tegenover dat ik op zon- en feestdagen nooit hoef te werken. De winkel is dan gesloten.

De wekker springt op 09.37 als ik mijn ogen weer open doe. Ik wou dat ik iets langer had geslapen en sla het dekbed van me af. De zenuwen gieren door mijn lijf, niet alleen omdat ik super veel zin heb in vanavond, maar ook omdat dit wel eens de avond kan worden waarop ik met Jeroen mee naar huis ga. Ik heb al tijdje een oogje op hem en ik weet zeker dat hij hetzelfde voor mij voelt. Ik merk het aan alles. De manier waarop hij naar me kijkt en tegen me praat is anders dan voorheen. Ik ken hem al jaren. Behalve dat hij maar een straat verderop woont, is hij de vriend van Freek, die al een tijdje verkering heeft met mijn vriendin Marieke.

Ik rek me weer uit, trek een paar sokken aan en loop de trap af. Beneden zitten mijn vader, moeder en zus Carolien al aan tafel. ‘Jullie hadden mij best mogen roepen. Ik was al wakker,' zeg ik als ik zie dat de zak met witte zachtjes bolletjes leeg is. ‘Moet je maar eerder opstaan,' zegt Carolien zonder op te kijken. Ik pak een bord, schuif aan en eet een oude bruine boterham. Wat zal ik eens gaan doen om deze dag door te komen? ‘Wat ga jij vandaag doen?' vraag ik aan Carolien. ‘Ik moet vanmiddag bij Franks moeder eten.' ‘Het enthousiasme straalt van je gezicht.' Niet dus! Frank is al ruim vier jaar mijn zwager. Mijn zus kan het niet zo goed vinden met haar schoonmoeder.

‘Misschien valt het vanmiddag wel hartstikke mee,' mengt mijn moeder zich in het gesprek. ‘Het is een heel lieve vrouw,' mijn moeder staat op. ‘Jullie ruimen de tafel af en doen de afwas.' ‘En vanavond kun je weer lekker bij je vriendinnen zijn,' zegt mijn vader. Ook hij schuift zijn stoel naar achteren en hij gaat naast mijn moeder op de bank zitten.  ‘Ga je Oud en Nieuw niet met Frank vieren?' Ik neem een slok van de thee die inmiddels al koud is geworden. ‘Nee, ik ga met de meiden naar het club- en buurthuis en Frank zit met zijn vrienden in 't Gat.'

‘Gezellig.' Ook ik zit vanavond in 't Gat. Jan, de vriend van mijn beste vriendin Roos, zit daar ook, het is zijn stamkroeg. En aangezien Roos de kaarten voor het oudejaarsfeest heeft geregeld, zit ik samen met mijn vriendinnen Marieke, Tess, Katie en natuurlijk Roos in 't Gat, het grootste café van Volendam. Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar ik had liever in café 't Hemeltje gezeten, want daar zit Jeroen.

Al dagen heb ik een discussie met mijn moeder over de tijd waarop ik nieuwjaarsnacht thuis moet komen. Wil ik samen met Jeroen naar huis, dan heb ik wel iets meer tijd nodig. ‘Ma, moet ik vanavond echt om één uur thuis zijn?' Ik zet mijn puppyogen op en sta voor de tv, zodat ik alle aandacht heb. ‘Ja,' ze wuift met haar hand dat ik opzij moet. ‘Maar Roos en Marieke...' ‘Dat moeten Roos en Marieke weten,' onderbreekt ze me. Ze weet al precies wat ik ga zeggen. De rest van mijn vriendinnen heeft geen klok mee, maar mijn moeder geeft daar niets om. ‘Maar maáá.' Als een klein kind stamp ik met mijn voeten op de grond.

‘Geer, ophouden. Hier hebben we het eerder over gehad. Je bent vijftien jaar. Nog veel te jong om überhaupt in de kroeg te zitten. De nacht is voor ongedierte. Je zorgt dat je voor één uur thuis bent, zo niet, dan zwaait er wat.' ‘Pá?' probeer ik nog. ‘Je hoort wat je moeder zegt.' Opnieuw teleurgesteld en zo hard als ik kan loop ik naar boven. Ik sla de deur van mijn slaapkamer dicht en loop door mijn kamer, die te klein is om mijn woede aan te kunnen. Ik pak mijn gitaar en speel de eerste akkoorden van het nummer ‘Quietlittleplace' van K's Choice: ‘In this quiet little place I can't remember having known a different pace. In this quiet little place I can surrender to the beauty of it'sfase. And now everything I see, whether it's an airplane or a tree it makes me wonder. About the things I must have missed and the chains around my wrists, they are no longer,'zing ikzachtjesmee.

Ik ben te onrustig en grijp het verkeerde akkoord. Mijn gitaar maakt een vals geluid en ik hang hem terug. Ik moet iets anders doen. ‘Ma, ik ga hardlopen,' schreeuw ik naar beneden terwijl ik mijn sportkleren uit de kast haal. ‘Nee, dat ga je niet,' schreeuwt Carolien naar boven. ‘Ik heb gisteren afgewassen en vandaag is het jouw beurt.' Elke ochtend weer dezelfde discussie.
‘Jij gaat toch alleen maar op je dikke kont zitten,' roep ik, maar ik weet dat ze gelijk heeft. Met mijn sportkleren aan ren ik naar beneden, stapel de bordjes op en pak een mok thee uit de handen van mijn zus. ‘Ik ben nog niet klaar.' 'Ik moest toch afwassen!' In een razend tempo ruim ik de tafel af, was de borden, bekers en messen af, trek mijn schoenen aan en loop de deur uit. Met een dikke trui en wanten aan ren ik via het oude fietspad naar Edam. Er staat weinig wind, moeiteloos sprint ik langs het atletiekveld richting de haven van Edam. Ik ben aan het trainen voor komend wedstrijdseizoen. Ik atletiek al een aantal jaren en word er steeds beter in, dus heb ik besloten om fanatiek mee te doen aan wedstrijden. Mijn specialiteit is langeafstandsrennen. Naast mijn trainingen op het veld ren ik twee keer per week tien kilometer hard. Ook ben ik veel op mijn wielrenfiets te vinden. Volgens mijn vader is dat heel goed voor mijn conditie. Vorige zomer heeft hij een tweedehands wielrenfiets voor me gekocht, een oudje, maar de versnellingen doen het prima. Nu maken we samen lange tochten langs het IJsselmeer.

Via de dijk keer ik weer terug naar Volendam. Met kriebels in mijn buik denk ik aan wat me vanavond allemaal te wachten staat. Ik ren langs het winkelcentrum en zie dat de winkels open zijn. Ik had besloten om mijn zwarte jurkje dat ik met Kerstmis aan had aan te trekken, maar misschien kan ik toch nog iets nieuws kopen. Ik moet er vanavond wel goed uitzien, wil ik niet alleen naar huis. Eenmaal thuis spring ik onder de douche, trek iets gemakkelijks aan en wip op mijn fiets richting het winkelcentrum. Het is er druk. Logisch, want er is uitverkoop. Ik pas verschillende rokje en jurkjes, maar het staat allemaal zo tuttig. Uiteindelijk kies ik voor een spijkerbroek met daarop een oranje truitje. Thuis schuif ik aan tafel, waar het middageten klaarstaat: ‘Alweer snotlof,' zeur ik terwijl ik appelmoes over het witlof gooi.  ‘Ja Geer, je vader en ik vinden het nu eenmaal erg lekker.' Mijn moeder schept een paar aardappelen op mijn bord. ‘Niet zo veel.' Ik duw de lepel weg van mijn bord. 'Een goed bord warm eten zal je goed doen,' zegt mijn vader, zoals elke zondag.

Na het eten laat ik mijn moeder mijn nieuwe aanwinst zien. ‘Die spijkerbroek staat je heel leuk,' zegt ze. Ik draai rondjes in de woonkamer. ‘Ik weet alleen nog niet welke schoenen ik hieronder aan moet trekken.' Ik trek mijn gympen uit de kast. ‘Nee, niet je gympen. Je moet je zwarte laarzen aan.' Ik probeer beide schoenen en mijn moeder heeft gelijk. De laarzen staan veel leuker. Ik kleed me weer om en plof op de bank. Het is al twee uur, nog drie uur te gaan. Om vijf uur heb ik bij Tess afgesproken. We gaan samen lekker tutten. Ik pak de afstandsbediening stiekem bij mijn vader vandaan, die in zijn stoel lig te ronken. Ik zap langs de kanalen en roep onze spaniël Trevor, die op mijn buik gaat liggen. Langzaam val ik in slaap.

Hoofdstuk 3
Ik schrik wakker, wat een fel licht! Snel knijp ik mijn ogen weer dicht. Opnieuw probeer ik mijn ogen te openen. Er klopt iets niet. Mijn hart begint sneller te slaan terwijl ik door de vreemde kamer kijk. Er is iets gebeurd, ik lig niet in mijn eigen bed. Ik probeer rechtop te komen, maar dat kan niet. Ik zit vast. Mijn handen zitten vast aan het bed. Ik kijk om me heen. Nu weet ik het weer. Vaag komen er beelden terug van wat er vannacht is gebeurd.... maar dat kan niet. Dat kan niet waar zijn. Dat heb ik gedroomd. Ik probeer zachtjes te bewegen door mijn hoofd van het kussen te tillen. Er ligt iets op me en er zit iets om mijn nek. Rechts naast het bed staat een computer met groene lijnen die telkens op en neer bewegen. Aan de andere kant van het bed piept iets. Ik moet hier weg en til voorzichtig mijn armen op, die helemaal zijn ingepakt. Mijn benen, schiet het door mijn hoofd. Ik kan mijn benen bewegen en ik laat mijn hoofd weer rustig op het kussen zakken. Op de muur voor me zie ik een kaart hangen met een grote zon erop. Ik speur met mijn ogen de rest van de kamer af. De kamer is vrij groot. Links van me is een raam, waar een gele smiley voor hangt. Er is iets op geschreven, maar ik kan niet lezen wat. Ik tuur door het raam naar buiten en kijk over de toppen van de bomen. Lang kan ik er niet naar kijken, dat komt door het licht dat naar binnen schijnt. Het piepen naast het bed wordt erger. Ik wil eruit. ‘Hallo,' wil ik zeggen, maar ik kan niet praten omdat er iets in mijn mond zit. Ik probeer geluid te maken en de aandacht te trekken doormet mijn benen tegen de rand van het bed te trappelen. Ik schreeuw, maar er komt alleen maar een gedempt geluid uit mijn mond. Ik probeer het nog eens en nog eens. Maar niemand die me hoort of ziet. Ik ben helemaal alleen.

Hoofdstuk 4
‘Heb je knoflook gegeten?' vraagt Tess terwijl ze met een kwastje mijn ogen bewerkt. ‘Nee,' zeg ik met mijn handen voor mijn mond.  ‘Ach, straks ruiken wij allemaal naar de alcohol,' roept Tess me vrolijk toe wanneer ze me van kleur ziet verschieten. ‘Ik weet allang wat jij vanavond van plan bent,' zegt ze lachend terwijl ze met een mascara op me af komt lopen. ‘Probeer stil te zitten en niet te knipperen.'  Ik lach en voel de vlinders in mijn buik.  ‘Vorige week riep hij nog: ik zie je zondag toch nog wel?' ‘Echt waar? Ik heb hem nog niet over jou gehoord.' Tess loopt richting de badkamer, waar ze haar handen wast. Misschien heeft ze wel gelijk en zie ik spoken. Ik begin te twijfelen. Ik ken Jeroen al jaren, waarom zou hij me ineens leuk vinden? Ik vind hem leuk, maar dat wil niet zeggen dat het wederzijds is. ‘Hoi, wat zie je er leuk uit!' roept Roos vrolijk. De rest van de meiden druppelt binnen. Roos springt naast me op de slaapbank van Tess en begint te praten over haar vriendje en een meisje dat een oogje op hem heeft. ‘Als ik haar vanavond tegenkom, dan trek ik al haar haren uit haar hoofd.'

‘Ik help je wel,' lach ik. Roos en ik praten aan één stuk door over het meisje, de avond en Jeroen. Roos is mijn beste vriendin. We vertellen elkaar alles en dat is ook de reden waarom ze ons vorig jaar op school uit elkaar hebben gehaald. Wat heb ik daar van gebaald! Roos, Katie en ik zaten samen in 3 havo. Katie ging naar 4 vwo en omdat er veel havo-leerlingen waren, werd de klas in tweeën gesplitst. Nu moet ik het in de klas zonder Roos en Katie doen, maar we zien elkaar na schooltijd. Marieke en Tess volgen de mavo en zitten ook niet samen in een klas. Rotleraren, maar stiekem begrijp ik het ook wel. Nu er minder gekletst wordt, let ik wel beter op. Maar betere cijfers halen, dat zit er nog niet in. Ik heb mezelf beloofd om na de kerstvakantie beter mij best te doen. Of dat ook lukt... waarschijnlijk niet. Tess heeft zich ook omgekleed en opgemaakt. Ze ziet er prachtig uit, want ook Tess probeert iemand te veroveren. Wie het is wil ze niet zeggen. Ook Katie is vrijgezel, maar die is niet verliefd en al helemaal niet zoekende. Haar verkering is namelijk net uit.

Het gesprek in de kamer gaat inmiddels over de proefwerkweek die eraan zit te komen. ‘Ik moet al mijn boekverslagen nog maken,' hoor ik Katie zeggen. Ik dwaal met mijn gedachten af naar Jeroen. Vindt hij me wel leuk? Of ziet hij mij meer als een goede vriendin? Is hij ook verliefd op mij? Kom op Geer! spreek ik mezelf streng toe. Nu niet de hele avond waar je zo lang naar hebt uitgekekenaan je voorbij laten gaan. Ik sta op en meng me in een gesprek. Voor ik het weet, staat er een taxi voor de deur.  ‘Naar 't Gat,' roepen we in koor.

De bar is al goed gevuld. 't Gat heeft twee verdiepingen. Omdat er te weinig animo was, is de bovenverdieping gesloten. De meeste jongeren zitten net als mijn zus in het club- en buurthuis of ze zitten thuis en komen na twaalf uur naar de kroeg. Had ik ook niet erg gevonden, want een kaartje voor 't Gat kostte honderd gulden. Maar dan mag je wel tot twaalf uur drinken. Roos geeft de kaarten aan de portier en we lopen naar binnen. ‘We hebben een plekje aan de bar,' zegt Roos trots als ze voor ons naar de bar paradeert. Ik zwaai naar Jan, het vriendje van Roos, die met zijn vrienden al aan de bar zit.

‘Kom Geer,' fluistert ze in mijn oor. ‘Ik heb speciaal een kruk voor je bewaard, zodat we naast elkaar kunnen zitten.' Snel loop ik achter Roos aan, ‘Can'tfight the moonlight' van LeAnn Rimes galmt uit de boxen. ‘Under a lovers' sky. Gonna be with you. And noone's gonna be around,'zing ik mee. Eerlijk gezegd kan ik het nummer niet meer horen. De film ‘Coyote Ugly' heb ik onderhand al drie keer gezien. De soundtrack wordt plat gedraaid op de radio. Roos heeft inderdaad een goed plekje voor ons geregeld aan de bar. Naast ons zitten de vrienden van Jan en tegenover me zie ik mijn zwager Frank en zijn vrienden zitten. ‘Hé, veel plezier vanavond roep ik naar de overkant. Ik maak een proostgebaar met mijn glas bessenjenever, dat door de barman is neergezet. Ik richt me op mijn vriendinnen. ‘Proost meiden op een gezellig avond,' in één teug drink ik het glas leeg.

Hoofdstuk 5
Opnieuw probeer ik te schreeuwen, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Met mijn benen trappel ik tegen het bed. Het werkt. Er komt iemand de kamer binnenlopen. Het lijkt net alsof ze zweeft en geen benen heeft.  ‘Rustig,' zegt de vrouw met een Engels accent. ‘Je ligt in het ziekenhuis. Je ouders zijn al onderweg.'  Ziekenhuis. Het is dus geen droom, het is echt gebeurd. Ik sluit mijn ogen en probeer de beelden terug te halen. Maar als het echt gebeurd is, dan... dan ben ik gewond, want ik lig in het ziekenhuis. Ik kijk in paniek om me heen. De vrouw slaat de dekens van me af en pakt mijn benen, die net als mijn armen helemaal zijn ingepakt met verband. Heb ik mijn benen gebroken? En waarom zitten mijn handen vast aan het bed? Ik wil de vrouw zo veel vragen en probeer te praten, maar dat kan niet. Er zit een buis in mijn mond. Ik wil hem eruit trekken. Ik moet weten wat er aan de hand is. Ik probeer mijn handen los te maken van het bed, maar ze zijn te zwaar. ‘Heb je pijn?' vraagt de vreemde vrouw. Ik schud met mijn hoofd en ze pakt mijn benen vast. ‘Het is heel belangrijk dat we je benen af en toe bewegen,' vertelt ze rustig. Ze buigt mijn knieën om beurten naar voren, net of het heel normaal is. ‘Het is goed voor de doorbloeding. Zo krijg je ook geen doorligplekken van het stilliggen in je bed,' vervolgt ze. Ik probeer iets te zeggen, maar er komt alleen een gedempt geluid uit. ‘Probeer maar mee te doen, anders wordt het voor mij wel heel zwaar,' zegt ze en ze neuriet een liedje.

Wat is... waarom doet ze dit? ‘Mmmm,' schreeuw ik en de vrouw stopt met bewegen.  ‘Doet het pijn?' Ik schud mijn hoofd heen en weer en ze gaat weer verder. Opnieuw maak ik het geluid.
‘Gerie,' roept ze streng. ‘Ik doe dit elke dag, rustig nou maar,' ze tilt mijn benen weer op. Elke dag? Het is de eerste keer dat ik deze vrouw zie. Ik trek mijn benen terug. ‘Rustig Gerie,' ze komt streng naar me toe. ‘Je moet je niet zo aanstellen. Ik doe dit om jou beter te maken en zo te zien gaat het de goede kant op, want je bent weer helemaal bij.'  Bij van wat? Ik ben niet weggeweest. Ik weet precies hoe het gegaan is. Ik ben net even in slaap gevallen en toen hebben ze me in de deze kamer gelegd. Waar heeft ze het over... De vreemde vrouw slaat de dekens weer over me heen. ‘Tot morgen en probeer wat te slapen,' zegt ze in slecht Nederlands.

Hoofdstuk 6
‘Mik mak,' roept Tess en de twee dobbelstenen geven een één en een twee aan. Ze zwaait met haar handen in de lucht. ‘Dat betekent dat jij moet drinken,' ze prikt met haar wijsvinger in mijn schouder. De barman zet een glas zoete witte wijn voor me neer. We spelen mikmakken, een spel met twee dobbelstenen. Wie het laagst gooit moet drinken, maar wie een één en twee gooit (21), is de winnaar en die hoeft niet te drinken. Omdat ik een vier en een drie had gegooid, het laagste van deze ronde, moet ik een glas zoete witte wijn leegdrinken.  ‘In één keer achterover roepen mijn vriendinnen en zonder enige moeite drink ik het glas leeg. Ik trek een vies gezicht en veeg met de mouw van mijn truitje mijn mond af. ‘Vies kijken is er nog een,' lacht de jongen achter de bar. Dat kan hij vergeten en snel tover ik een lach tevoorschijn. Het is mijn beurt om te gooien. Twee zessen, de kans is groot dat ik niet hoef te drinken. Ik klap in mijn handen.

‘Moet er nog iemand naar de wc?' ‘Ja, ik ga wel mee.' Samen met Marieke loop ik naar de toiletten, die beneden zijn. ‘Het is gezellig hè?' ‘De gezelligste avond ooit.' Ik bekijk mezelf in de spiegel. De make-up laat nog geen zwarte sporen achter op mijn gezicht en ook mijn haar zit nog op zijn plek. ‘Stink ik nog steeds naar de knoflook?' Ik blaas in de richting van Marieke. ‘Welnee, ik ruik alleen nog maar de witte wijn,' lacht Marieke. Ik pak een kauwgumpje uit mijn tas en stop hem in mijn mond. ‘Vind je het niet jammer dat Freek er niet is?' Marieke heeft al bijna twee jaar verkering met Freek. Ze gaan zelfs komende zomer samen met vakantie en ze hebben het ook al over samenwonen. ‘Nee, hij wilde liever bij zijn vrienden zitten en ik liever bij mijn vriendinnen. En trouwens, we zoeken hem straks toch wel op.' ‘We?' ‘Ga je straks niet mee dan naar 't Hemeltje? Ik dacht dat jij graag naar Jeroen wilde?' Ze geeft me een knipoog. De vlinders in mijn buik beginnen te fladderen. ‘Heeft Jeroen nog iets tegen Freek gezegd?' ‘Niet dat ik weet.' ‘Heeft hij helemaal niets gezegd over vanavond?'

‘Geer, het gaat helemaal goed komen vannacht.' Marieke pakt me bij de schouders. Boven wordt het nummer ‘Walk on water' van Milkinc. ingezet. Zodra we klaar zijn rennen we naar boven. ‘Kom, we gaan dansen.' Ik trek Katie en Roos van hun kruk af en sleep ze mee naar de dansvloer. Marieke komt er achteraan gehuppeld en Tess staat al volop mee te blèren op de muziek: ‘I would walk on water. Just to be with you. Walk on water. Just to be with you. Split the ocean. Cross the sea .Walk on water. If you believe.' ‘Kijk je wel uit schoonzusje,' hoor ik iemand achter me zeggen. Ik draai me om en daar staat Frank, mijn zwager. Ik begin te lachen. ‘Ik heb al veel gedronken, ik zit er telkens in met mikmakken,' zeg ik.

‘Pas je wel op, want ik moest je van je zus in de gaten houden,' grapt hij. Maar ik neem hem veel te serieus. ‘Carolien moet niet zo zeuren, ze doet net alsof ze m 'n moeder is en dat terwijl zelf nog maar negentien is.' ‘Ik maak maar een grapje,' lacht Frank. ‘Dat weet ik.'Ik kijk opzij naar mijn vriendinnen, die inmiddels weer plaats hebben genomen aan de bar. ‘Ga je Carolien straks nog opzoeken?' ‘Ze komt straks na twaalven deze kant op. Ben jij er dan ook nog? Of ga je dan al naar huis?' ‘Naar huis! Ikke niet hoor, ik ga strak nog naar 't Hemeltje. Al moet ik om één uur al thuis zijn van mijn moeder.' ‘Veel plezier dan nog en kijk je wel uit?' Frank geeft me een klopje op de schouder.  ‘Ik zie je nog wel.' Ik ga weer aan de bar zitten, waar weer een ander drankje voor me is neergezet. ‘Van dat praten krijg je dorst,' zeg ik tegen de jongen achter de bar en ik neem een grote slok.

Hoofdstuk 7
Mijn ouders, mijn zus en een verpleegster staan om het bed, mijn moeder kijkt me heel verdrietig aan. ‘Rustig maar, Geer, je ligt in het ziekenhuis,' zegt ze en ze wrijft met haar hand over mijn wang.  Ja, dat weet ik, denk ik. ‘Je oma heeft hier ook gelegen. Je ligt in het VU.'

Ook dat wist ik al. Ik herinner me steeds beter wat er precies gebeurd is en hoe ik hier ben gekomen. Ik speur met mijn ogen de kamer rond. Er is iets veranderd. Er hangen meer kaarten aan de muur dan gisteren. Ik kan me niet herinneren dat iemand de kaarten heeft opgehangen.  ‘Ze is vandaag al paar keer wakker geweest,' zegt de verpleegster. ‘Ze probeerde een paar keer overeind te komen, waarschijnlijk omdat ze niet begrijpt waar ze is,' vervolgt ze terwijl mijn ouders begrijpend naar haar knikken. ‘Ze slaapt nog wel veel, dus schrik niet als ze weer wegvalt. Als ze dan weer wakker wordt, schrikt ze weer van haar omgeving. Ze weet niet waar ze is. Dat komt door de medicijnen. Het is goed om dan rustig te vertellen waar ze is en wie jullie zijn om haar gerust te stellen.' De verpleegster aait me over mijn hoofd en ik voel dat daar ook verband omheen zit. Ik word moe en ik kan mijn ogen amper openhouden. Toch wil ik wakker blijven. Ik wil niet in slaap vallen om weer alleen wakker te worden. Nu zijn mijn pa, ma en Carolien er eindelijk. Mijn zus ziet dat ik moeite heb om wakker te blijven.

‘Het is goed, je bent in goede handen, ga maar lekker slapen,' zegt ze. Nee, dat wil ik niet. Ik probeer me te verzetten en trappel met mijn benen.  ‘Zou ze pijn hebben?' vraagt mijn moeder in paniek aan mijn zus. ‘Ik weet het niet,' antwoordt ze. ‘Geer, rustig nou maar.' ‘Ik roep een dokter,' zegt mijn vader en hij loopt de kamer uit. Mijn moeder begint te huilen. Ik snap het niet, wat is er toch aan de hand? Weer trappel ik met mijn benen. Geef toch antwoord. Wat is er allemaal mis met me? Mijn vader komt met een dokter de kamer in hollen. ‘Ik denk dat ze pijn heeft,' legt mijn vader uit. Ik schud met mijn hoofd. De dokter draait het kraantje van het infuus iets meer open. ‘Hier wordt ze rustig van. Ga maar lekker slapen, Gerie,' zegt de dokter. Ik wil niet slapen! Te laat, het medicijn doet zijn werk en mijn ogen worden zwaar.

Hoofdstuk 8
‘Verliefd?' vraagt Katie.  ‘Welnee, hoe kom je daarbij,' zeg ik verlegen. We staan op de dansvloer. De alcohol doet zijn werk en iedereen heeft zijn kruk achter zich gelaten en danst mee op de muziek. ‘Ik heb het al gehoord hoor,' zegt Katie. ‘En trouwens, je kon er niet omheen. Het is echt overduidelijk dat jullie een oogje op elkaar hebben.' Ik sla mijn handen voor mijn mond: ‘Ik weet niet waar het vandaan komt. Ik ken hem al zo lang,' we beginnen allebei te lachen. ‘Ineens was het er.' ‘Wat was er?' plaagt Roos me. ‘De vlinders?' Ik knik verlegen met mijn hoofd. ‘Lekker toch, Geer, eindelijk weer verliefd,' schreeuwt Katie en ze omhelst me.  ‘Je gaat hem toch wel opzoeken vanavond?' Ik kijk op de klok, half twaalf, ik voel mijn wangen rood worden. ‘We gaan toch die kant op,' lach ik.

Met onze armen in de lucht schreeuwen we mee op de muziek. Dit is onze avond, deze avond kan niet meer stuk. Ik voel me zo goed. Ik weet niet of het door de alcohol komt, maar ik heb me nog nooit zo gelukkig gevoeld. Mijn leventje loopt lekker, al heb ik nog een hoop huiswerk te maken. Dat maakt me nu niets uit. Ik heb veel zin in het nieuwe jaar. Dit wordt echt mijn jaar. Ik ga lekker veel sporten en ga misschien voor het eerst met mijn vriendinnen op vakantie. Ook wil ik me opgeven voor een toneelschool, ga beter mijn best doen op school en hopelijk krijg ik verkering.

‘Laten we champagne bestellen,' roept Katie.  ‘Het is al bijna twaalf uur,' zeg ik verbaasd.  ‘Time flies when you're having fun,' lacht Roos en ze loopt net als ik achter Katie aan naar de bar. ls een paar dolle viswijven bestellen we een fles champagne bij de barjongen, die ik overigens ook wel zie zitten. Ik lach naar hem en hij schudt met zijn hoofd. Hij denkt vast dat we gek zijn. Hij zet een fles op de bar, die Tess meteen pakt.  ‘Ik maak hem wel open,' zegt ze.  ‘Nog wel even wachten,' schreeuwt Katie haar toe. De muziek wordt uitgezet en met zijn allen tellen we af: ‘Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, een...'

Dit waren de eerste 8 hoofdstukken uit het boek 'Nieuwe handen' van Gerie Smit. Wilt u het hele boek lezen? Stuur uw motivatie dan naar internet@rtvnh.nl Wij mogen de 25 mooiste e-mails belonen met een exemplaar. Het boek is uiteraard ook in de boekhandels verkrijgbaar. Voor meer informatie kunt u hier klikken.

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.