Reisverslag Herman Sier: Nigerdelta móét weer schoon (foto's)
De enorme vervuiling in de Nigerdelta heb ik inmiddels met eigen ogen mogen aanschouwen. Het viel niet mee…. Eind vorige week ben ik teruggekomen van een “missie naar Nigeria” met Milieudefensie en de VARA, die een reportage van die missie gaat uitzenden op vrijdag 5 oktober tussen 9 en 10 uur. Bedoeling van de missie: drie gewone Nigerianen laten drie gewone Nederlandse vrijwilligers (Jet Baan, Natasja de Vries en ik) de ernst van de vervuiling met eigen ogen zien. Een vierde Nederlandse vrijwilliger, Myrte Rischen, hield tijdens de reis een blog bij: http://worsethanbad.org/blog/.
Nou we hebben het gezien…. “Steekproefsgewijs” natuurlijk, want je kunt in 10 dagen geen hele Nigerdelta bekijken. Onze Nigeriaanse “buddies” hebben ons meegenomen naar hun eigen communities, Goi, K-dere en Bodo, alle drie in Ogoniland. Daar vindt sinds de 90er jaren geen actieve oliewinning meer plaats, hoe dat zo gekomen is, is een verhaal apart – een horrorverhaal…. Maar er lopen nog wel heel veel oliepijpleidingen door het gebied, er zijn nog veel werkende maar afgesloten oliebronnen (“Christmastrees” noemt men die hier, zie de foto’s), en de vervuiling is nog altijd niet opgeruimd. Integendeel: er is regelmatig nieuwe vervuiling van slecht onderhouden, lekkende pijpleidingen.

Toen Veronica, mijn Nigeriaanse “buddy”, mij in Goi verwelkomde, vond ik de omgeving er eigenlijk prachtig uitzien: weelderig groen met volop palmbomen en andere exotische planten. Geen vogels of andere dieren, en ook de alles doordringende oliestank vond ik vreemd in die mooie omgeving. Verderop leidde Veronica me langs een ruïne van een verlaten, stenen huis, ook een beetje vreemd. Ik had daar toen nog niets over gevraagd, omdat Veronica en ik toen nog bezig waren ons aan elkaar voor te stellen, en te vertellen over onze families en geboorteplaatsen en zo.
Even tussendoor: het was best wel toevallig dat Veronica en ik ongeveer even oud bleken (zij 57, ik 59), allebei een zoon en twee dochters hebben, en bovendien beiden uit een hechte gemeenschap komen, zij uit Goi, ik uit Volendam, alle twee ooit vissersdorpen. Veronica is een aardige vrouw met een krachtige uitstraling, absoluut “no nonsense”. Je kunt haar zelf zien op www.worsethanbad.org, onder de kop “Living with Shell” het filmpje “Living in Goi”, daarin vertelt zij kort haar verhaal.

Toen we verderop het water naderden, leek alles zo mogelijk nog paradijselijker. De palmbomen weerspiegelden prachtig in het stille water van de kreken. Alleen werd de oliestank steeds sterker, en er was nog iets geks: op de waterlijn vormde een smalle zwarte strook de begrenzing tussen het water en de begroeiing op het land.
Bij de waterkant aangekomen werd alles duidelijk. Die mooie reflectie en dat kalme water kwam omdat het bedekt was met een laag olie. De zwarte strook was de waterbodem, helemaal zwart van de ruwe olie. Naarmate het eb werd, en er meer van de waterbodem zichtbaar kwam, werd die zwarte strook steeds breder: alles was ruwe olie, op het water, in het water en onder het water. Daar kwam dus die stank vandaan…
Goi bestaat niet meer, legde Veronica me uit. Althans: het plaatsje Goi bestaat niet meer. De afgelopen vijftien jaar zijn alle bewoners weggetrokken, omdat er daar niet meer te leven viel. Geen vis meer in de kreek en in de visvijvers, geen landbouw meer mogelijk, niets meer om van te leven. Van de weinige stenen huizen staan de restanten er nog, maar de vele lemen huisjes die er ooit omheen stonden zijn al door de tijd en de regen weggespoeld en verdwenen.
De Goi-community bestaat nog wel: hoewel de voormalige Goi-inwoners nu verspreid wonen over verschillende dorpen in de omgeving, waar nog wel (min of meer) te leven valt, komen ze nog wekelijks met zijn allen bij elkaar, hier aan de ooit zo mooie waterkant. Zo houden zij de wil en de hoop levend om nog ooit naar hun geboortegrond terug te keren, als het gif ooit een keer opgeruimd zal zijn.

Dat wij Nederlanders vroeger de nodige ellende naar verre oorden hadden gebracht, dat wist ik: dan denk ik bijvoorbeeld aan de slavenhandel in de 17e en 18e eeuw, en de (de)kolonisatie van Indië/Indonesië. Maar dat dit soort dingen nog steeds gaande is, dat kun je toch bijna niet geloven. Dat een Nederlands bedrijf als Shell hier een gebied in dergelijke ellende achterlaat, zonder er iets substantieels aan te doen, dat is voor mij onvoorstelbaar én onaanvaardbaar.
Het zal een gigantische, uiterst gecompliceerde en niet te vergeten woedend dure operatie worden om daar de boel schoon te maken, zoveel is me wel duidelijk geworden. Niet in het minst door de corruptie, die daar in alle lagen van de samenleving is doorgedrongen en alles verziekt. Maar dat de opgave moeilijk is, kan toch geen reden zijn om er dan maar van af te zien? “Wij” kunnen naar Mars reizen, dan kunnen “wij” toch op zijn minst ook de troep opruimen die we daar zelf veroorzaakt hebben?
Het laatste woord is hier bepaald nog niet over gezegd, in ieder geval niet wat mij betreft.
Wordt vervolgd, Herman Sier.