Er werd getikt, tegen de voordeur
Het was woensdagmorgen, ik zat nog in mijn ochtendjas aan de ontbijttafel, en daar stond de man met de hond en de snor. Of ik het al wist. “Wat moet ik al weten”, vroeg ik hem, maar op een één of andere manier vermoedde ik waar hij het over ging hebben. 88 jaar is hij geworden en ik had hem ook al een tijd niet meer zien fietsen naar en vanaf Louman. De laatste keer dat ik hem zag liep hij krom gebogen achter een rollator in de buurt van zijn huis.
Wij, mijn moeder, oma en ik, woonden vanaf mijn vierde jaar naast hem. Zij, de familie Toornstra, waren net naar zuideinde 57 verhuisd en de buurman, met zijn zoon Siebren, ging elke dag met paard en wagen de huizen langs om schillen op te halen. De familie woonde er met z’n drieën en ze waren in het bezit van een kleine koestal en een stukje land. Dat langs de huizen gaan om schillen op te halen had ongetwijfeld iets te maken met het feit om de kosten voor het voeden van de kleine veestapel een beetje in de hand te houden.
Het “witte” paard stond elke dag buiten te wachten totdat hij weer van dienst kon zijn als karrentrekker. Iets later kreeg het paard de beschikking over een kleine ruimte en bijna elke dag gingen ze op weg, buurman en zoon van de buurman op de kar, onderweg naar straten met emmertjes vol met schillen voor de deur. En maar kijken naar de kont van het paard.
Als extra bijverdienste werd er zo tegen het avondeten ook dampende verse melk verkocht. Wij deden daar niet aan mee, melk hoort uit flessen te komen en beslist niet te dampen. Dampen deed ook de stront die dagelijks meerdere keren met een grote kruiwagen uit de stal gereden werd. Via een lange loopplank werden de uitwerpselen van hun koeien in een strontmeer gestort.
Veel contact hadden wij niet met de buren, het was hallo en dag en dat was het wel zo’n beetje. We mochten ons houten bootje in de sloot aan het weiland leggen, tijdens één van mijn nieuwe probeersels probeerde ik met de hengel, gekocht bij Splinter een vis te vangen. Het leek mij een rustgevende hobby, zo aan de rand van het water. Groot was mijn schrik dat ik na een minuutje al beet bleek te hebben en er een echte vis aan mijn haak zat. Wat nu?
De zoon van de buurman, hij zal rond de 36 jaar toen geweest zijn, keek mij verbaasd aan toen ik in paniek tegen hem zei dat er een vis aan mijn haak zat. Hij loste dat probleem wel even op en ik heb daarna nooit meer een hengel aangeraakt. Zo had hij later ook een ander probleem voor ons opgelost. Aan het zuideinde werd om de regelmaat een kat van ons doodgereden en zagen we de kat niet verschijnen bij het ontbijt.
Siebren Toornstra, de zoon van onze buurman, zag de kat aan de kant van de weg liggen, pakte hem aan zijn staart vast en ruimde ook deze kat voor ons op. Ik zie het verstijfde kattenlichaampje nog steeds op mijn netvlies. En nu is hij zelf overleden, de nog immer alleen wonende zoon van de buurman, die in mijn herinnering alleen maar een leven lang aan het zwoegen was, verlaat voor het laatst het kleine woninkje aan het zuideinde. Een leven lang vol stront, schillen, gras maaien en beesten.
Ooit wilden we bij de LOL hem nog eens ondervragen over zijn leven. Hij wilde niet, was te verlegen en had al genoeg in zijn leven verteld. Nu kan het niet meer en is een deel van mijn oude leven definitief tot een einde gekomen. En weer is een beeld van vroeger weg, het huisje op de drukke, maar mooie locatie in ons dorp zal ongetwijfeld snel gesloopt worden en plaats maken voor een grote villa. (BvB)
(de prachtige foto is gemaakt door jan van der Wiele)
