Lotje,
Even terug schets je een beeld van asielzoekers in onze gemeente. Ik wil je uit eigen ervaring iets over deze mensen vertellen.
Ik heb een Turkse praatvriend. Hij wil graag de taal leren en spreekt al vrij goed Nederlands. We zien elkaar wekelijks. Hij geeft sinds kort ook taalles in onze bibliotheek aan Turken die verblijven in het motel. Ik was er vanochtend bij. En blijf bij deze groep. Er was een politieagent, belasting deskundige, taxichauffeur, leraar wiskunde, lerares scheikunde, schooljuffrouw en een verpleegster. Ze hebben ook kinderen. De meesten hebben meerdere jaren in de gevangenis gezeten in Turkije. “Terroristen”, in de ogen van het regime Erdogan. Daarom zijn zij hier.
Ze zitten dus in het motel en mogen eigenlijk niets. Zelfs niet hun eigen eten koken. Hoe leer je dan de taal? En ze willen dolgraag iets doen. Zo leer je de taal ook het best. Vrijwilligerswerk of wat dan ook.
Alles draait om het BSN-nummer. Na 6 maanden kom je ervoor in aanmerking. De bureaucratie is stroperig. Kan nog lang duren.
Voor mij is zo’n ervaring ook best interessant. Niet alleen om de mensen, maar ook om de eigenaardigheden van een taal. In het Turks is de ontkenning altijd aan het einde van de zin. Het Turks kent geen lidwoorden. Het vervoegen gaat anders. Turks schijnt verwant te zijn aan Fins.
Ik vertel je dit omdat het beeld dat je schetst van asielzoekers er zo naast zit. Het zijn erg aardige mensen. Met veel gevoel voor humor.