‘Na de April-Meistakingen van 30 april tot 2 mei 1943 die op vele plaatsen op instigatie van de LO uitbraken, nadat de Duitse bezetter had aangekondigd dat alle militairen van de voormalige Nederlandse krijgsmacht (in 1940 vrijgelaten) zich opnieuw in Duitse krijsgevangenschap moesten begeven, kwam het werk van de LO in een stroomversnelling. Bijna gelijktijdig met het terugvoeren van de oud-militairen in gevangenschap begonnen de Duitsers gehele jaarlichtingen jonge Nederlanders voor de arbeidsinzet op te roepen. Gevolg hiervan was dat tienduizenden wilden onderduiken. Deze massale onderduik leidde ertoe dat over het gehele land verspreid lokale of streekverzorgingsgroepen gingen ontstaan.’
Roegholt, R & J. Zwaan (1985). Het verzet 1940-1945, 46.
Bonkaartennood
Koen Rozendaal. De Landelijke Organisatie (LO), gericht op hulp aan onderduikers, zal uitgroeien tot een van de grootste verzetsorganisaties in Nederland. Knokploegen (KP’s) die zich ook ‘landelijk’ gaan organiseren (LKP), staan de LO bij. Zij zorgen voor de bonkaarten die nodig zijn voor de aankoop van levensmiddelen. In Noord-Holland boven Amsterdam, het Noord-Hollands Noorderkwartier, komt een aantal initiatieven van ‘boven af’ tot stand, vanuit de Top-LKP, maar vanaf het najaar van ’43 wordt op enkele plaatsen van ‘onderen op’ tot de vorming van verzetsgroepen besloten, zoals het verzetsboek over de LO-LKP Het Grote Gebod vermeldt, ‘om stellingen te gaan betrekken van waaruit de vijand het meest direct kon worden bestookt.’
Dit leidt tot de oprichting van de KP-Alkmaar en de KP-Waterland, beide in februari-maart 1944. In Waterland speelt Koen Rozendaal een sleutelrol. Vanuit zijn woonplaats Berkel en Rodenrijs (Zuid-Holland) is hij naar Noord-Holland gekomen, naar Middenbeemster, om er zich aan te sluiten bij het verzet. Bij de familie Ruijter aan de Middenweg vindt hij een onderduikadres. In Het Grote Gebod is de oprichting van de KP-Purmerend (Waterland) beschreven: ‘De opkomst van de Purmerender ploeg viel ongeveer in dezelfde tijd als die van de KP-Alkmaar. Geboren uit de bonkaartennood en uit de wens om de Duitsers krachtiger te bestrijden, werd deze KP in overleg met de plaatselijke LO-afdeling in het begin van maart ’44 opgericht op initiatief van enkele jongelui’. Koen Rozendaal, ‘een uiterst bescheiden en uiterst consciëntieuze jongeman’, is een van hen.
Met een kleine verzetsgroep organiseert hij in januari 1944 overvallen, onder meer op het distributiekantoor Middenbeemster. Na arrestaties in deze groep, aldus Het Grote Gebod, voegen Koen Rozendaal en een medestrijder zich te Purmerend ‘bij enige illegale kennissen’ om er de KP-Purmerend (Waterland) op te richting. Een van de illegale kennissen is Egbert Snijder uit Edam, hij regelt huisvesting voor de verzetsgroep: de boerderij van Anton en Aagje Ham aan de Westerweg in de Purmer wordt hoofdkwartier. De beschrijving in Het Grote Gebod wordt afgesloten met de vermelding van de eerste overval van de nieuwe KP-groep: ‘Als punt één werd maar direct een distributiekraak op de agenda geplaatst. Op 17 maart overviel men met goed gevolg distributiekantoor en politiebureau (met het oog op het daar opgeborgen bevolkingsregister) te Edam.’
Distributiekantoor Edam De overval op het distributiekantoor in Edam is de eerste in een reeks van overvallen, de kantoren in Monnickendam en De Rijp zijn daarna doelwit, op het politiekantoor aan de Overtoom in Amsterdam worden wapens buitgemaakt. De overval in Edam blijkt goed voorbereid. Het distributiekantoor staat er ’s avonds onder politiebewaking, de sleutels die toegang geven tot de bonkaarten in het distributiekantoor hangen op het politiebureau.
Voor alle zekerheid bevindt ook de bevolkingsadministratie van de gemeente zich buiten kantooruren op het politiebureau. Ondanks de uitgebreide voorzorgsmaatregelen zien de overvallers kans bij de politie binnen te komen: Koen Rozendaal vraagt aan de vergrendelde deur of hij vanwege een ernstig zieke even mag bellen. Met de buitgemaakte sleutels wordt vervolgens toegang verschaft tot de bonkaarten in het distributiekantoor onder de Speeltoren.
Illegaliteit. De overval op het distributiekantoor in Edam laat zien hoe twee werelden in de oorlogsjaren botsen, de legale maatschappij onder de Duitse bezettingsmacht en de illegale ‘sub-maatschappij’ van het verzet. Burgemeester Van Baar van Edam is ontstemd over de overval, zijn uitgebreide voorzorgsmaatregelen hebben niet geholpen. Hij noemt de overvalplegers ‘3e rangs burgers’.
Na 5 september (dolle dinsdag) zal Van Baar met het verzet contact zoeken, hij wil samenwerken, maar op 17 maart 1944 is hij nog – in de woorden van het verzet – ‘pro-Duits’: alles wat de bezettingsmacht verordonneert, wordt punctueel uitgevoerd. Direct na de overval vervoegt de burgemeester zich samen met zijn politiechef (bij de overval in het distributiekantoor is een politieagent gewond geraakt) bij de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat in Amsterdam om een inwoner van Edam vrij te krijgen, hij is lid van de Nederlandse civiele luchtbeschermingsdienst en toevallig aanwezig bij de overval in het distributiekantoor (naast zijn uitkijkpost op de Speeltoren). Van Baar blijkt bij de Duitse politie over krediet te beschikken: de gearresteerde man kan terugkeren naar Edam.
Bevrijdingsacties
Sicherheitsdienst. Met de wens van de ‘jongelui’ in de Purmer om de Duitsers krachtiger te bestrijden, zoals Het Grote Gebod schrijft, en niet alleen in de ‘bonkaartennood’ te voorzien, komt het terrein van de sabotage in beeld: het actief tegenwerken van de Duits bezettingsmacht. Verzetsactiviteiten zoals het bevrijden van gevangenen en het liquideren van de agenten van de Sicherheitsdienst (SD) worden voorbereid. Sinds mei 1940 heeft Nederland met rijkscommissaris Seyss-Inquart een civiel bezettingsbestuur, de Duitse politiediensten zijn belast met de ordehandhaving (niet het Duitse leger).
De verzetsorganisaties vinden de Duitse politie vanaf het begin op hun weg. Als halverwege 1943 het georganiseerde verzet sterk toeneemt, beantwoordt de Duitse politie de ‘terreur’ van het verzet met ‘anti-terreur’, represaillemaatregelen waaronder het oppakken van gijzelaars en het willekeurig vermoorden van burgers (de zogenaamde Silbertanne Aktion). De confrontatie tussen de Duitse politiediensten en de verzetsorganisaties verscherpt zich nog, als op 4 september 1944 door rijkscommissaris Seyss-Inquart de staat van beleg, de Ausnahmezustand, wordt afkondigt: eenieder die verzet pleegt krijgt in beginsel de doodstraf.
Een agent van de Sicherheitsdienst (SD) uit Amsterdam, Friedrich Viermann verklaart (na de oorlog): ‘Dit hield onder meer in, dat aan alle geüniformeerde Duitsers de plicht opgelegd werd om op heterdaad betrapte plegers van sabotage, moordaanslagen, roofovervallen en dergelijke, ter plaatse terstond neer te schieten. Verder dat in het vervolg wanneer dergelijke sabotage handelingen gepleegd werden, bij onbekend blijven van de dader(s), represaillemaatregelen genomen konden worden als het afbranden van woningen en het fusilleren van gevangenen. Vanaf deze tijd werkten de Duitse gerechtshoven niet meer. De Höhere S.S und Polizeiführer Rauter trad tevens op als Obergerichtsherr; hij wees vonnis in alle zaken.’ (F. Viermann, CABR.)
Overval. Het Huis van Bewaring aan de Weteringschans te Amsterdam is de SD-polizeiliche gevangenis waar veel verzetsstrijders als gijzelaar vastzitten. Het verzet is er veel aan gelegen de eigen mensen uit de gevangenis te krijgen. Voor de eerste bevrijdingsactie, in de vroege ochtend van 1 mei 1944, onder leiding van verzetsstrijder en kunstenaar Gerrit Jan van der Veen, verzamelt zich een verzetsploeg van 28 man bij de gevangenis, onder hen is Koen Rozendaal. Door hondenbewaking in de gevangenis wordt groot alarm geslagen, de overval mislukt. De overvallers kunnen wegkomen.
Niet veel later zit Rozendaal zelf in de Weteringschans als Todeskandidat vast. Hij is door een mede-verzetsman uit Purmerend verraden (na marteling is deze man voor de Duitsers gaan werken). Bij de tweede bevrijdingsactie, in de nacht van 14 op15 juli 1944, onder leiding van Johannes Post is er verraad in het spel: een Nederlandse SD-agent zou zijn overgelopen naar het verzet maar informeert de Duitse politiechef Willy Lages over de aanstaande bevrijdingsactie. Een met stenguns bewapende Duitse eenheid wacht de overvallers op. Als voorzorgsmaatregel ligt Koen Rozendaal met handen en voeten vastgebonden aan zijn krib. (Verzet Verwoord, 130.)
Op zondag 16 juli 1944 worden zeven van de overvallers, samen met acht gijzelaars gefusilleerd. Het aantal van vijftien is bepaald in de Euterpestraat. Koen Rozendaal is een van de acht Todeskandidate. De fusillade vindt plaats in de duinen van Overveen en staat onder leiding van politiechef Willy Lages. Het standrechtelijk executeren gebeurt bij uitzondering dit keer niet door een vuurpeloton: één voor één worden de mannen, voorover liggend in de grafkuil, met het nekschot gedood. Bij de keuze voor de uiterst wrede nekschot-fusillade dient de oorlogspraktijk in Rusland als voorbeeld.
Verlies. De executie op 16 juli 1944 is een groot verlies voor KP-Waterland. Met Koen Rozendaal zijn ook de groepsleden Cor ten Hoope en Nico Jonk gedood, de eerste heeft deelgenomen aan de 2e overval op de Weteringschans, de tweede was al eerder gearresteerd en wordt die dag als gijzelaar standrechtelijk gefusilleerd. Maar de groep in de Purmer is aan een nog veel groter verlies ontsnapt.
Bij de voorbereidingen voor de 2e overval wordt ook de KP Waterland gevraagd mee te doen, vanwege de voorgenomen bevrijding van Koen Rozendaal. Cor ten Hoope is de verbindingsman, hij legt de vraag om mee te doen aan de groep in de Purmer voor. De beslissing over deelname komt bij broer Adrie Rozendaal te liggen: ‘Toen Cor bij ons was zei Bert Snijder niets. Hij wilde me niet beïnvloeden. Bert zei tegen mij: “Adrie, het is jouw broer.” Het werd aan mij overgelaten. Als ik zei: we doen mee, hadden Bert en de anderen dat gedaan. En ook mijn broers en zwagers uit Berkel.’ (Verzet Verwoord, 130.)
In dit gedetailleerde verslag van het besluit, waarin Egbert Snijder een centrale rol speelt, wordt duidelijk hoezeer kameraadschap het gevaarlijke verzetswerk bepaalt. Adrie Rozendaal wijst deelname aan de riskante bevrijdingsactie af, hij is eerder door zijn broer geïnformeerd over de mislukte 1e overval. Zo ontkomt KP-Waterland aan de val die door de Duitsers in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans is opgezet. Als Cor ten Hoope aan de KP-Johannes Post het bericht van zijn groep komt brengen, neemt hij voor zichzelf het besluit toch mee te doen. Bij de overval raakt Ten Hoope ernstig gewond. Hij wordt op een brancard naar de executieplaats gebracht en doodgeschoten.
Erik Besseling