
De laatste maanden zijn er steeds meer signalen van inwoners, (horeca-) ondernemers en bezoekers, dat het fietsverbod in delen van de binnenstad van Purmerend met grote regelmaat wordt overtreden. Dit leidt tot veel zeer onveilige situaties, met name in drukke gedeeltes en tijdens piekmomenten. Naar aanleiding hiervan heeft Lijst Melvin Smid de volgende vragen gesteld aan het college van B&W van Purmerend. Daar is nu door het college op gereageerd en tevens aangegeven welke acties ze gana ondernemen om dit ana te pakken.
Hoe vaak wordt er momenteel actief gehandhaafd op het fietsverbod in de binnenstad? Kunt u dit toelichten met rapportages en cijfers over controles en eventuele bekeuringen in de afgelopen 12 maanden (tellen en vertellen)?
Antwoord: Onze buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s) handhaven actief op het fietsverbod in de aangewezen delen van de binnenstad. We voeren regelmatig controles uit. Er vindt vrijwel wekelijks een controle plaats door de boa’s en enkele keren per jaar (bijvoorbeeld in projectweken) vinden grote controles plaats door een hele dienstgroep. Exacte cijfers over het aantal uitgevoerde controles zijn niet uit de beschikbare registraties te filteren. De inzet is daarbij vooral gericht op het beïnvloeden van gedrag. Waar nodig wordt verbaliserend opgetreden. De aanwezigheid van boa’s heeft een sterk normstellend effect: een groot deel van de overtreders past het gedrag direct aan bij de aanwezigheid van boa’s en ook nadat zij worden aangesproken. In de periode 1 mei 2025 tot en met 30 april 2026 hebben wij de volgende aantallen boetes uitgeschreven voor het rijden met een (snor)fiets of bromfiets in het voetgangersgebied centrum: (snor)fietsen: 327 en bromfietsen: 91.
In hoeverre heeft de handhaving op het fietsverbod prioriteit binnen de inzet van handhavers (BOA’S) in de binnenstad?
Antwoord: De handhaving op het fietsverbod heeft uiteraard prioriteit, maar de binnenstad kent meerdere gelijktijdige opgaven. Bijvoorbeeld bewaken van de leefbaarheid en veiligheid, toezicht op horeca en evenementen, parkeren en verkeersgedrag, toezicht op het stallen van (snor)fietsen en bromfietsen op geleidestroken voor blinden en slechtzienden en dergelijke. Binnen dit brede takenpakket is het fietsverbod een belangrijk onderdeel, vooral vanwege de directe relatie met verkeersveiligheid en verblijfskwaliteit. De inzet is risicogestuurd. Dit betekent dat op locaties en tijdstippen waar het druk is en waar de risico’s het grootst zijn, intensiever wordt gehandhaafd. Het college stuurt daarbij op een evenwichtige inzet, waarbij het fietsverbod integraal wordt meegenomen in de dagelijkse werkzaamheden van de boa’s. Dit jaar werken we ook met een handhavingskalender waar er in een aantal weken extra aandacht wordt besteed aan het gedrag van fietsers, onder andere in de voetgangersgebieden.
Hoe, en op welke wijze, beoordeelt het college de effectiviteit van de huidige handhaving? Zijn er meetbare resultaten zichtbaar in het nalevingsgedrag?
Antwoord: Vooropgesteld: wij merken dat de aanwezigheid van de handhaving ter plaatse direct werkt en effectief is. Overtreders passen hun gedrag vaak direct aan. Dit is ook duidelijk zichtbaar in het binnenstad. De boa’s zien met grote regelmaat veel mensen met de fiets aan de hand door de gebieden waar het fietsverbod geldt lopen. We krijgen wel signalen uit de omgeving dat op het moment dat handhaving niet ter plaatse aanwezig is, het fietsverbod dan vaker worden overtreden. Er ligt een directe relatie tussen de intensiteit van handhaving en het aantal uitgeschreven boetes. Het is dan ook niet eenvoudig om door middel van cijfers (zoals aantal uitgevoerde controles, dag en tijdstip van de controles, aantal uitgeschreven boetes, maar ook ingekomen meldingen) de effectiviteit van de inzet te meten. Handhaving wordt daarom gezien als zeer noodzakelijk, maar op zichzelf niet voldoende. Het gaat met name om gedragsbeïnvloeding. Structurele verbetering van het naleefgedrag vraagt om een bredere integrale aanpak, waarin handhaving wordt gecombineerd met wijkgericht werken, duidelijke en steeds verrassende communicatie, acties, ludieke markeringen, warm welkom voor de fietser die afstappen en bij entrees van de binnenstad goede verwijzingen naar fietsparkeerplekken. Dit wordt opgepakt binnen het programma Binnenstad.
Zijn er de afgelopen periode meldingen of klachten binnengekomen over fietsers in het gebied waar het verbod geldt, via o.a. het Klant Contact Centrum (KCC) en de BOA’s? Zo ja, hoeveel en wat is hiermee gedaan in de uitvoering van het verbod?
Antwoord: Ja, in de periode van 28 april 2025 tot en met 9 maart 2026 zijn 32 meldingen en klachten ontvangen via het Klant Contact Centrum (KCC). Deze meldingen gaan vooral over onveilige situaties door fietsers in drukke gebieden, hinder voor voetgangers en ondernemers en specifieke locaties waar het verbod minder goed wordt nageleefd. De meldingen worden gebruikt om de handhaving gerichter in te zetten en vormen input voor bredere beleidskeuzes en herinrichtingsplannen binnen onder andere het programma Binnenstad. Daarnaast worden signalen actief teruggekoppeld naar de boa’s, zodat snel kan worden bijgestuurd. De meldingen worden geregistreerd in het programma Signalen. Het programma Signalen is relatief nieuw, is op Al gebaseerd (zelflerend) en het programma biedt nog veel kansen. Op dit moment is het programma nog niet zodanig in gebruik dat we alle mogelijkheden benutten, waardoor bij het generen van gegevens uitsplitsing nog onvoldoende kan worden gemaakt. De verwachting is dat dit de komende jaren verder zal verbeteren.
Overweegt het college aanvullende maatregelen, zoals extra handhavingsmomenten, gerichte campagnes (zoals destijds bij de invoering van het verbod) of fysieke aanpassingen (bijvoorbeeld van bestaande bebording of inrichting)?
Antwoord: Het college werkt aan aanvullende maatregelen en kiest daarbij voor een integrale aanpak. De bedoeling is dat de boa’s gerichter en zichtbaarder worden ingezet op piekmomenten en locaties waar veel overtredingen plaatsvinden. Tegelijkertijd wordt de communicatie versterkt, met gerichte campagnes om onder andere het fietsverbod duidelijker onder de aandacht te brengen. Ook wordt gewerkt aan verbeteringen in de inrichting. Hier gaan we dit jaar een plan voor maken. De aanwezige verkeersborden (voetgangersborden) zijn al voor een ieder duidelijk en herkenbaar aanwezig. Iemand die in het gebied fietst doet dat doelbewust. Het is daarom vooral een gedragskwestie. De maatregelen die we gaan uitvoeren zijn aanvullend en bedoeld voor extra bewustwording en gedragsbeïnvloeding.
Op welke wijze wordt momenteel ingezet op bewustwording bij fietsers over het fietsverbod? Acht het college deze inzet voldoende?
Antwoord: Het college zet door middel van de aanwezige bebording bij de toegangen tot het voetgangersgebied, het aanspreken en beboeten van fietsers door onze boa’s en communicatie via gemeentelijke kanalen in op het vergroten van de bewustwording bij fietsers over het fietsverbod. Daarnaast wordt dit onderwerp meegenomen in bredere beleidsprogramma’s, zoals een beleidsplan voor de fiets en het verkeersveiligheidsplan. Het college zet sterk in op versterking van gedragsbeïnvloeding, communicatie met meer herhaling, betere zichtbaarheid en gerichte campagnes. Ook wordt gekeken naar hoe de inrichting en herkenbaarheid van het gebied het gewenste gedrag beter kunnen ondersteunen.
Op welke wijze wordt er momenteel met de (horeca-) ondernemers in de binnenstad samengewerkt, om overlast en onveilige situaties door fietsers te verminderen? Welke afspraken bestaan er en hoe gaat het nu met de uitvoering hiervan? Hoe ervaren de ondernemers de huidige situatie? En welke oplossingen zien zij?
De gemeente werkt structureel samen met (horeca-)ondernemers in de binnenstad, onder andere via overleggen met afvaardigingen van diverse partijen, zoals het BIZ bestuur Binnenstad, BIZ bestuur Koemarkt en Koninklijke Horeca Nederland binnen het Programma Binnenstad. Ondernemers geven aan dat zij de overlast en onveilige situaties door fietsers herkennen en vragen om actie. Tegelijkertijd benadrukken zij dat de verblijfskwaliteit en aantrekkelijkheid van de binnenstad verder kan worden versterkt. Zij zien duidelijke handhaving, vooral op drukke momenten, en heldere regels als belangrijke voorwaarden.
Ziet het college aanleiding om het huidige beleid rondom het fietsverbod en de handhaving daarvan te herzien? Zo ja, op welke manier? Denkt men daarbij ook aan aanvullende maatregelen voor o.a. fatbikes, skinnybikes en dergelijke?
Antwoord: Het college ziet aanleiding om het huidige beleid en de uitvoering waar nodig te versterken en verder te ontwikkelen. De inzet richt zich niet op specifieke typen fietsen, zoals fatbikes, maar op het gedrag: fietsen in een gebied waar dit niet is toegestaan en waar dit leidt tot onveilige situaties. Wel wordt breder gekeken naar ontwikkelingen in mobiliteit en het gebruik van nieuwe vervoermiddelen. Daarbij wordt aandacht besteed aan de effecten op de leefbaarheid, handhaafbaarheid en de openbare ruimte. Waar nodig worden beleid, communicatie en handhaving hierop aangepast. De gemeente werkt hierbij samen op regionaal niveau, onder andere via de Vervoerregio Amsterdam, en volgt landelijke ontwikkelingen en wetgeving. Daarnaast wordt binnen het verkeersveiligheidsplan gewerkt aan een structurele aanpak van dit soort vraagstukken. Het uitgangspunt blijft dat het voetgangersgebied veilig, overzichtelijk en prettig moet zijn voor voetgangers en een ieder die hier verblijft. Alle maatregelen, zoals bijvoorbeeld een tijdelijke afsluiting van de Koemarkt voor (snor)fietsers en bromfietsers, worden vanuit dat uitgangspunt afgewogen en uitgewerkt en zijn een volgende stap in de aanpak van de problematiek.