De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2026/15 over een klacht van J. Schilder (verzoeker) tegen Nieuw-Volendam te herzien. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Verder is niet gebleken dat de conclusie van de Raad afwijkt van vergelijkbare, relevante conclusies. Ook is geen sprake van elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, op grond waarvan een herbeoordeling zou zijn geboden. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek inzake het verzoek van J. Schilder tot herziening van de conclusie van de Raad van 3 april 2026 (RvdJ 2026/15) inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van Nieuw-Volendam. J. Schilder (verzoeker) heeft op 3 april 2026 verzocht om herziening van de conclusie van diezelfde datum inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van Nieuw-Volendam (NIVO). Bij de beoordeling van het verzoek is verder de reactie van NIVO van 8 april 2026 betrokken. Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 29 mei 2026 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.
De feiten
Verzoeker heeft op 19 november 2025 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NIVO met de volgende onderdelen:
- de publicatie van 11 juni 2025 met de kop “Hoe er een bom werd geplaatst onder het plan de Lange Weeren, die bijna afging” en de bovenkop “Politiek | VD80” bevat ongefundeerde belastende kwalificaties zonder toepassing van wederhoor;
- in het artikel van 5 november 2025 met de kop “College en raadsleden eensgezind in onvrede tegen motie LEV” is klager met naam en functie genoemd in een context van obstructie, ondermijning en ‘demoniserend gedrag’ zonder toepassing van wederhoor;
- klager althans zijn politieke partij Lokaal Edam-Volendam is structureel uitgesloten van publicatieruimte die door NIVO aan alle politieke partijen wordt verstrekt.
Op 3 april 2026 heeft de Raad geconcludeerd dat klachtonderdelen 1. en 2. ongegrond zijn. Verder heeft de Raad klachtonderdeel 3. niet inhoudelijk beoordeeld.
De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Ad 1.
De Raad constateert dat de publicatie van 11 juni 2025 een door de politieke partij Volendam|80 aangeleverd stuk betreft. Het schrijven van dat stuk is geen journalistieke gedraging. Bezien vanuit de positie van de hoofdredacteur kan de plaatsing van dit stuk op één lijn worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief. Of een dergelijk artikel wordt geplaatst of niet, staat ter beoordeling van de (hoofd)redactie. Onder omstandigheden kan plaatsing van een ingezonden stuk leiden tot het oordeel dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. In dit geval bestaat voor dit oordeel geen aanleiding.
Voor de lezer is duidelijk dat het stuk de opvatting van Volendam|80 behelst. Bovendien zullen klager en LEV zich – gezien hun positie in het openbare politieke debat – een grote mate van kritische en polemische bejegening moeten laten welgevallen. De omschrijving ‘een bom leggen onder een plan’ is gangbaar figuurlijk taalgebruik en betreft geen persoonlijke beschuldiging of diskwalificatie waarvoor voorafgaand aan de publicatie wederhoor had moeten worden toegepast. LEV is bovendien in de gelegenheid gesteld om achteraf te reageren en die reactie is integraal geplaatst. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 2.
Het artikel van 5 november 2025 betreft een verslag van een gemeenteraads-vergadering. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de journalist heeft beschreven wat hij tijdens die vergadering heeft waargenomen. Bij berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten, behoeft de journalist in beginsel geen wederhoor toe te passen.
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, waardoor wederhoor in dit geval toch nodig was. Op basis van wat klager aanvoert, kan niet worden gezegd dat een vertekend beeld of onzorgvuldige beschrijving is gegeven van die raadsvergadering. Verder bevat het artikel geen ernstige, de persoon van klager rakende diskwalificaties. Bovendien geldt dat negatieve uitlatingen over klager in het stuk betrekking hebben op het functioneren van klager als raadslid en zijn geuit door andere raadsleden. Die uitlatingen maken onderdeel uit van het verslag van de raadsvergadering.
Ten slotte is het vermelden van de naam en functie van klager in het kader van lokale politieke berichtgeving maatschappelijk en journalistiek relevant. Mede gelet op wat de Raad ten aanzien van de inhoud van het artikel heeft overwogen, is de privacy van klager niet ongerechtvaardigd aangetast.
Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 3.
Uitgangspunt is, dat het de redactie vrijstaat ingezonden stukken niet te plaatsen, tenzij publicatie is toegezegd. Dit brengt mee dat indien NIVO ertoe overgaat om een (stilzwijgende) afspraak met politieke partijen over het beschikbaar stellen van publicatieruimte structureel op te schorten ten aanzien van één politieke partij, zij die handelwijze deugdelijk moet onderbouwen, hetzij direct dan wel nadat de betrokken partij tegen die handelwijze bezwaar maakt.
Kennelijk heeft klager medio april 2025 het bericht ontvangen dat zijn partij (voorlopig) werd uitgesloten van publicatieruimte die NIVO aan alle politieke partijen verstrekt. Klager had zijn klacht hierover binnen zes maanden na dit bericht bij de Raad moeten indienen, maar dat heeft hij niet gedaan. De klacht is niet-tijdig ingediend, terwijl niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan klager de termijnoverschrijding in redelijkheid niet kan worden verweten. Dit onderdeel van de klacht wordt daarom niet inhoudelijk beoordeeld.
Ten overvloede merkt de Raad op dat hij uit de standpunten van de partijen niet kan vaststellen hoe de uitsluiting van (de partij van) klager tot stand is gekomen en hoe daarover is gecommuniceerd.”
De standpunten van partijen
Verzoeker stelt het volgende. Primair vraagt hij op grond van artikel 10a lid 1 sub a om herziening, omdat de Raad het derde klachtonderdeel niet inhoudelijk heeft beoordeeld vanwege het feit dat hij ‘kennelijk medio april 2025’ bericht zou hebben ontvangen over uitsluiting en daarom niet binnen zes maanden daarover heeft geklaagd. Dat oordeel berust op een onjuist dan wel onvolledig feitelijk uitgangspunt en leidt tot een onjuiste toepassing van artikel 2a lid 1c van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, omdat de relevante ‘journalistieke gedraging’ waarop zijn klacht betrekking heeft aantoonbaar (ook) heeft plaatsgevonden binnen de klachttermijn van zes maanden.
Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verzoeker een e-mail van de redactie van 13 juni 2025 overgelegd, waarin expliciet staat dat de redactie ‘geen structurele publicatieruimte meer’ biedt aan zijn fractie, dat slechts ‘eenmalig’ een uitzondering wordt gemaakt, en dat ‘structurele bijdragen … uitgesloten’ blijven. Dit stuk vormt een concrete en verifieerbare (herhaalde) weigering/handhaving van uitsluiting en valt binnen zes maanden vóór zijn klacht van 19 november 2025. Artikel 2a lid 1c koppelt de klachttermijn aan ‘het plaatsvinden van de journalistieke gedraging’. Nu sprake is van een concrete gedraging binnen die termijn, kan niet worden volstaan met de constatering ‘niet tijdig’ zonder inhoudelijke beoordeling, aldus verzoeker. Daarom vraagt hij de Raad om het derde klachtonderdeel alsnog inhoudelijk te beoordelen.
Subsidiair vraagt verzoeker op grond van artikel 10a lid 1 sub c en d (motivering en principieel belang) om een nadere motivering en herbeoordeling waar de Raad in de conclusie oordeelt dat geen sprake is van ‘ernstige, de persoon rakende diskwalificaties’ en dat wederhoor niet nodig was, mede in het licht van punten B.3 en D. van de Leidraad.
NIVO heeft daar het volgende tegenover gesteld. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel stelt verzoeker dat sprake zou zijn van een journalistieke gedraging binnen de klachttermijn, onder verwijzing naar een e-mail van 13 juni 2025. Die e-mail kan echter niet worden aangemerkt als een nieuwe, op zichzelf staande journalistieke gedraging in de zin van artikel 2a lid 1c van het Reglement. De e-mail betreft een bevestiging en nadere toelichting op een reeds eerder genomen redactioneel besluit, waarvan verzoeker – zoals de Raad terecht heeft overwogen – al medio april 2025 op de hoogte was. NIVO verwijst in dit verband naar een e-mail van 24 april 2025, waarin de redactie dit besluit expliciet aan verzoeker heeft meegedeeld. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt overigens dat geen sprake was van een absolute uitsluiting. In het kader van zorgvuldige en evenwichtige berichtgeving is verzoeker expliciet de mogelijkheid geboden om inhoudelijk te reageren. Van die mogelijkheid heeft hij gebruikgemaakt en zijn reactie is op 18 juni 2025 gepubliceerd onder de kop “Wie draait hier aan de cijfers?”. Daarmee is feitelijk uitvoering gegeven aan het beginsel van wederhoor. Omdat geen sprake was van een nieuwe of zelfstandige journalistieke gedraging, was ook geen sprake van een nieuw aanvangsmoment voor de klachttermijn. De Raad heeft dus terecht geoordeeld dat het derde klachtonderdeel niet-tijdig is ingediend. Terzijde merkt NIVO op dat inmiddels, na installatie van de nieuwe gemeenteraad, de gebruikelijke publicatieruimte voor de fractie van verzoeker weer is opengesteld.
Voor zover verzoeker vraagt om een nadere inhoudelijke beoordeling van de overige onderdelen, ziet NIVO geen aanleiding om aan te nemen dat de conclusie op deze punten berust op onjuiste feiten of een gebrekkige motivering.
Bbeoordeling van het verzoek
De herzieningskamer stelt vast dat verzoeker op drie gronden een herzieningsverzoek heeft ingediend.
Verzoeker heeft primair verzocht om herziening omdat de conclusie van de Raad zou berusten op ‘feiten van de juistheid waarvan de Raad ten onrechte is uitgegaan’. Verzoeker heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen.
In de door verzoeker overgelegde e-mail van 13 juni 2025 heeft de redactie onder meer het volgende aan hem bericht:
“Wij begrijpen dat het artikel [van 11 juni 2025, RvdJ] bij u vragen en bezwaren heeft opgeroepen. Tegelijk willen we u erop wijzen dat wij als redactie eerder hebben gesloten om geen structurele publicatieruimte meer te bieden aan uw fractie.(…)
Dat neemt niet weg dat we het belangrijk vinden dat er, zeker bij inhoudelijke kritiek van andere partijen, ook ruimte is voor wederhoor. Daarom maken we in dit geval eenmalig een uitzondering (…).
We willen benadrukken dat deze mogelijkheid wordt geboden als een eenmalig gebaar in het kader van evenwichtige en zorgvuldige berichtgeving. Gezien de voorgeschiedenis blijven structurele bijdragen vanuit uw fractie op dit moment uitgesloten.”
Uit de door NIVO overlegde e-mail van 24 april 2025 blijkt dat verzoeker in ieder geval op dat moment is geïnformeerd over het besluit van de redactie om zijn partij (voorlopig) uit te sluiten van publicatieruimte die NIVO aan alle politieke partijen verstrekt. Feitelijk is in de e-mail van 13 juni 2025 sprake van een verwijzing naar dat eerdere besluit. Van een nieuwe, zelfstandige journalistieke gedraging is geen sprake. Dit brengt mee dat de klachttermijn ten aanzien van dat besluit niet -opnieuw- is gaan lopen op 13 juni 2025.
Verzoeker heeft de subsidiaire gronden van zijn herzieningsverzoek niet nader gemotiveerd. Hij heeft niet verwezen naar conclusies van de Raad waaruit zou blijken dat de conclusie van 3 april 2026 afwijkt van eerdere vergelijkbare, relevante conclusies. Verder is niet gebleken van (een principieel belang van) elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, op grond waarvan een hernieuwde beoordeling dringend zou zijn geboden. In de Leidraad zijn onder punt B.3 algemene uitgangspunten geformuleerd over wederhoor en onder punt D. over transparantie en verantwoordelijkheid bij reacties en ingezonden stukken, die in diverse conclusies zijn uitgewerkt.
Het verzoekschrift bevat grotendeels (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder in de procedure heeft geformuleerd en die de Raad (in de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel.
In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht, omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroep) procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
Relevante eerdere conclusies van de Raad (onder meer): RvdJ 2025/25, RvdJ 2025/5, 2016/26
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
Conclusie
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen. Zo vastgesteld door de Raad op 20 juli 2026 door mr. S. Djebali, voorzitter, S.A. Agterberg, M.S. Bosgra, dr. J. Luttikhold en M. Thie, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Hoefnagel, secretaris.
En hier gaat ons belastinggeld aan op. Zinloos