Een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland heeft geleid tot de vernietiging van een boete in een parkeergeschil. De zaak, met zaaknummer 10406851 \ WM VERZ 23-205, draaide om een vermeende parkeerovertreding waarbij een voertuig buiten een parkeervak was geplaatst op de Schapenmarkt in Purmerend.
De betrokkene, bijgestaan door gemachtigde D. van Zon van Appjection B.V. te Amsterdam, had beroep ingesteld tegen de opgelegde administratieve sanctie (boete). In eerste instantie werd het beroep ongegrond verklaard door de officier van justitie, wat leidde tot een verdere beroepsprocedure bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting van 23 mei 2023 werd de zaak behandeld. Zowel de vertegenwoordiger van de officier van justitie als de gemachtigde van de betrokkene waren aanwezig. De officier van justitie handhaafde het standpunt om het beroep af te wijzen.
Het geschil draaide om de vermeende parkeerovertreding waarbij betrokkene had betoogd dat de situatie ter plaatse onduidelijk en verwarrend was. Het bord op de lantaarnpaal gaf aan dat parkeren verboden was aan beide zijden van de paal. Dit leidde volgens betrokkene tot verwarring, aangezien meerdere voertuigen op de betreffende locatie geparkeerd stonden. Dit standpunt werd ondersteund door foto’s die als bewijs waren overlegd.
Tijdens de zitting voegde de gemachtigde van betrokkene toe dat het voertuig niet op de rijbaan stond, maar op een ander terrein dat niet onder het parkeerverbod viel. Dit terrein werd beschreven als ‘niemandsland’ en was eigendom van de Gemeente Purmerend. Hierdoor was het betoog dat bord E1, dat het parkeerverbod aanduidde, niet van toepassing was.
De officier van justitie liet een aanvullend proces-verbaal opstellen waarin werd gesteld dat de bebording ter plaatse slechts een waarschuwende functie had en niet gelijkstond aan bord E1 uit het RVV 1990.
De kantonrechter oordeelde uiteindelijk dat de gedraging niet bewezen kon worden. De betrokkene had volgens de rechter niet op de rijbaan geparkeerd, maar op een ander terrein dat niet onder het parkeerverbod viel. Hierdoor was de boete ten onrechte opgelegd. Als gevolg daarvan werd het beroep gegrond verklaard, de beschikking en de beslissing van de officier van justitie vernietigd, en diende de officier van justitie de eerder betaalde zekerheidstelling terug te betalen.
Bovendien werd de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, wat resulteerde in een totaalbedrag van € 1.284,75. Dit omvatte zowel de kosten voor de procedure bij de officier van justitie als de procedure bij de kantonrechter.
De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke bebording en correcte interpretatie van verkeersregels bij parkeergeschillen, en toont aan dat rechterlijke uitspraken kunnen leiden tot de vernietiging van opgelegde boetes wanneer de overtreding niet kan worden vastgesteld.