‘Een ‘Vestinkie om’ met Edammers, omdat die allemaal wel een verhaal hebben wat alleen wij binnen de vestingmuren zo goed kunnen begrijpen. We spreken af op een favoriete plek naar keuze in onze stad, waarna we richting de vesting lopen. Daar begint het ‘Vestinkie om’, waarin ik mijn medewandelaars beter leer kennen door hun vertellingen. Door: Karen Schilder-van der Meer
“Je hebt een primeur!”, zegt Menno lachend tegen me als ik op de Achterhaven naar hem toe loop. Menno Garms rookt een sigaretje op de stoep van zijn ouderlijk huis. “Ik doe dit soort dingen echt nooit, heb er zelfs een beetje een hekel aan!” Menno legt uit dat hij nu eenmaal niet graag op de voorgrond treedt. Op de vraag waarom hij dan wel had toegezegd om met mij een ‘Vestinkie om’ te gaan zei hij: “Omdat jij het bent!” En omdat wij samen een grote liefde voor Edam koesteren. Want dat was de reden dat ik hem had uitgenodigd, in de wetenschap dat deze getogen Edammer niet ver van huis hoeft te gaan om zijn geluk te vinden. Die mag naar mijn mening in ieder geval één keer op de voorgrond en dan ook nog op een manier waar Edam getuige van kan zijn. Foto Cor Kes www.luxphotography.nl.
“Sociale controle”
Vanaf de Achterhaven gaan we de Noordervesting op en lopen we richting de Grote Kerk. “Ik hou van alles wat Edam te bieden heeft. Van het knusse, van de mensen en ook van de sociale controle”. Met name dat laatste vindt Menno belangrijk. “Als ik jouw zoon in de kroeg bijvoorbeeld zijn grenzen te buiten zou zien gaan, dan breng ik jou en de barman op de hoogte en hou ik hem persoonlijk in de gaten!” Menno spreekt uit ervaring. Hij heeft meerdere keren bij mede-Edammers een oogje in het zeil gehouden. Maar hij kan ook dankbaar vertellen over de keren dat hemzelf de helpende hand werd geboden door vrienden, familie en stadgenoten. “Iedereen verdient een tweede kans en ik ben meer dan bereid om daaraan een bijdrage te leveren”
“Rebel”
Op de Coornhertschool in Edam had hij al sterk ontwikkelde voelsprieten voor onrechtvaardigheid, waartegen hij dan onverschrokken in opstand kwam. “Ik was niet heel erg lang welkom op die school. Ik was een beetje rebels toen”, vertelt Menno. Maar via een breed pakket aan werkervaring na de middelbare schooltijd blijkt dat zijn gevoel voor zorgzaamheid goed tot z’n recht komt in de horeca. Hij heeft onder andere zo’n acht jaar in de Prinsenbar achter de bar gestaan en momenteel is hij spil in de keuken van ’t Strandbad. Op een plek waar hij zich prettig voelt, een beetje op de achtergrond. “Ik vind het heerlijk om op deze manier te kunnen zorgen voor mensen!” Zowel op culinair als organisatorisch niveau draagt hij met genoegen bij. En dat op een, voor hem, bijzondere locatie waar eigenlijk een groot deel van zijn leven zich heeft afgespeeld.
“Strandbad”
Als er wind stond en er geen ijs lag was Menno, vanaf zijn zesde jaar, op de surfplank te vinden, die tot een jaar of acht geleden veelvuldig op het Strandbad werd klaargemaakt om dan vanaf daar het IJsselmeer op te duiken. Samen met een vaste ploeg jongens werden de golven getrotseerd en werden zij door de wind iedere keer weer uitgedaagd om op een steeds hoger niveau prestaties te kunnen leveren op het water. Niet geheel ongevaarlijk. “Daarna hebben we menig pilsje gedronken op de goede afloop”. Menno’s vader Jaap draagt bij aan de fijne herinneringen uit die tijd. “Mijn vader was er altijd bij! Ik herinner me nog dat hij achterin de auto een gaspitje had geplaatst en dan zorgde hij voor een lekkere warme worst als wij uit het koude water kwamen”. Met de jongens heeft hij nog steeds contact, maar door zijn zwakke rug is het surfen helaas verleden tijd.
Dat het Strandbad een fijne plek van samenkomst was voor Menno moge duidelijk zijn. Met zijn ouders op de camping die ook altijd actief en vrijwillig bij hebben gedragen aan een fijne recreatieplek voor Edammers en niet Edammers, blikt Menno met genoegen terug op de vele herinneringen en gebeurtenissen die zich daar aan het IJsselmeer hebben afgespeeld. “Ik heb daar zoveel meegemaakt. En nu in de keuken van het Strandbad ben ik blij om en ook trots op wat we daar allemaal hebben neergezet en wat we met elkaar nog zullen gaan realiseren”.
“Thuis”
Terwijl we de Kettingbrug overlopen en de Baandervesting achter ons laten legt Menno aan mij uit dat hij naast de vele uren op het Strandbad zijn vrije tijd het allerliefste thuis doorbrengt. “Ik ben een echte filmkenner en ik kan me hier aan opladen als ik thuis ben”. Samen met zijn vrouw Paula en hun twee zoons en hond Luna wonen ze in de Molenbuurt, waar hij aanvankelijk wilde afspreken omdat dit dan ook eigenlijk zijn favoriete plek is. Toch bedacht hij zich en vroeg hij mij om naar de Achterhaven te komen; naar zijn ouderlijk huis. Daar is het allemaal begonnen en dit is nog steeds een warme plek van samenkomst. Kinderen en kleinkinderen en ook de er bij horende huisdieren schuiven regelmatig aan bij Opa Jaap en Oma Trudie. Aangekomen op de Achterhaven, bij zijn ouders op de stoep, vraag ik Menno of hij in één woord Edam kan beschrijven. Daarop zegt hij zonder aarzeling: “Thuis, Edam is thuis”.
