‘De invoering van de Jodenster, begin 1942, en de systematische jacht op de joden sinds juli 1942; de jacht op studenten en het hernieuwd in krijgsgevangenschap voeren van het voormalige leger in 1943; de grote razzia’s op alle mannen boven de achttien jaar ten bate van de Arbeitseinsatz, ook in 1943; het waren de herkenbare schokken, die het verzet hebben opgewekt, gestimuleerd en het samenhang hebben gegeven.’
Roegholt, R & J. Zwaan (1985). Het verzet 1940-1945, 12.
Direct na de capitulatie op 15 mei 1940 wordt de vernietiging van het Nederlandse Jodendom door rijkscommissaris Seyss-Inquart behoedzaam voorbereid. Met ingang van 1 juli 1940 mogen Joden geen lid meer zijn van de Nederlandse civiele luchtbeschermingsdienst. Stapsgewijs volgen de anti-Joodse maatregelen elkaar op. Van de kant van de Nederlandse overheidsadministratie (de secretarissen-generaal op de ministeries) komt geen enkele tegenwerking of intern verzet, de traditionele gezagsgetrouwheid in Nederland werkt voor de Joden als valkuil. Begin 1941 volgt de registratie van alle Joden door de Rijksinspectie voor de Bevolkingsregisters. Heeft men vier Joodse grootouders, dan is men ‘vol Jood’ en krijgt men een J in het persoonsbewijs. Verhuizen wordt verboden.
De Joden in Edam
Roof. In Edam wonen 27 Joden. Burgemeester Van Baar van Edam heeft de registratie van de Joden in zijn gemeente ter hand genomen en correspondeert met de Rijkinspectie om alles vlekkeloos te laten verlopen. Op 10 maart 1941 stuurt hij 27 formulieren naar Den Haag, iedere geregistreerde heeft de voorgeschreven leges van één gulden voldaan. De meerderheid van de Joden in Edam is afkomstig uit Duitsland. Ze zijn het naziregime ontvlucht om in de gemeente een nieuw bestaan op te bouwen.
In mei 1942 begint de deportatie van alle Joden. Vanuit de rest van het land komt er een ‘evacuatie’ op gang van alle Joden naar Amsterdam, het verzamelpunt, voordat ze naar de werk-, concentratie- en vernietigingskampen worden gedeporteerd. Deze ‘evacuatie’ gaat gepaard met de roof van Joodse bezittingen: naar het adres in Amsterdam mag maar weinig meegenomen worden, alles dient in de woningen achter te blijven. Tot aan het achterlaten van de huissleutels zijn voorschriften opgesteld. Investitatoren komen vervolgens bij de woningen langs en nemen alles in beslag. In Edam wordt de Duitse roof in tenminste één woning voorkomen.
Op het adres Jonkerlaantje 38 woont het jonge gezin Kaufmann, Ludwig, Grete en de 4-jarige Peter. Als zij de oproep hebben gekregen Edam te verlaten, zorgt hun buurman Gerrit Bij ‘t Vuur ervoor dat de woning na hun vertrek leeg komt te staan. De hele inboedel wordt ter ‘bewaring’ bij familie, vrienden en bekenden in Edam ondergebracht. Kaufmann zelf maakt zich over terugkeer naar de woning geen illusies: als Duitse vluchteling weet hij wat het nazi-bezettingsregime met de Joden voor heeft. Voor zijn vierjarige zoon, die de oorlog ondergedoken zal overleven, laat hij een brief achter waarin hij vertelt wie zijn ouders zijn geweest voordat ze naar het Oosten werden gedeporteerd en vermoord.
Onderduiken. Gerrit Bij ’t Vuur zal zich nogmaals individueel, in kleine kring, tegen het Duitse naziregime verzetten. Op het adres Jonkerlaantje 34 zijn de bejaarde Otto en Emma Leijser, uit Duitsland gevluchte Joden, bij de deportatie in het voorjaar van 1942 officieel achtergebleven (zurückgeblieben). Otto is ziek, zijn ‘tewerkstelling’ in een werkkamp laat nog op zich wachten. Burgemeester Van Baar stuurt op 29 januari 1943 aan de Duitse Beauftragte van het Rijkscommissariaat Noord-Holland een opgave van de woningen in Edam die nog door Joden worden bewoond.
Dit verzoek van de Beauftragte, een gerichte jacht op de laatste Joden in de provincie, vestigt de aandacht op de Leijsers: zij moeten in februari hun woning aan het Jonkerlaantje verlaten, ze komen op een tijdelijk adres in Amsterdam terecht. Ook na hun vertrek uit Edam blijft het contact met Bij ’t Vuur in stand. Als de Leijsers zich kort daarna moet melden in de Hollandse Schouwburg voor het transport naar concentratiekamp Westerbork, zorgt Bij ’t Vuur ervoor dat ze uit de schouwburg kunnen ontsnappen. Met een expediteur uit Edam is afgesproken het echtpaar naar hun woonplaats terug te brengen. Tijdens hun vlucht zijn de Leijsers in het Volendams gekleed.
Aan de Voorhaven, op geringe afstand van hun woning aan het Jonkerlaantje, is een adres geregeld om onder te duiken. Enkele maanden later gaat Bij ’t Vuur naar het tijdelijke adres van Ludwig en Grete Kaufmann, opnieuw heeft hij de Volendamse klederdracht bij zich. Hij wil zijn buren naar Edam terugbrengen, opnieuw is een onderduikadres geregeld. Hij komt bij een dichte deur. De avond daarvoor zijn beiden bij een razzia uit huis gehaald en weggevoerd.
Arrestatie Uit de illegale acties die Gerrit bij ’t Vuur voor zijn Joodse buurtgenoten in Edam onderneemt, het verbergen van bezittingen en het helpen onderduiken, wordt duidelijk hoe belangrijk niet-Joodse relaties zijn voor de Joden die in een situatie van isolatie en ontrechting zijn gebracht. Ook voor Leonie Bander-Lutomirski in de Baanstraat in Edam zijn het buren die op een beslissend moment te hulp komen. De beeldend kunstenares staat sinds maart 1941 als ‘vol Jood’ (vier Joodse grootouders) bij de Duitsers geregistreerd.
Omdat zij gemengd getrouwd is met Jan Bander, eveneens beeldend kunstenaar, is zij nog van deportatie vrijgesteld. Dan wordt plotseling jacht op haar gemaakt. De Sicherheitsdienst uit Amsterdam komt op 30 maart 1943 naar Edam om, samen met het politiecorps Edam, twee Joodse onderduikers te arresteren. Hun schuilplaats boven een bakkerij is verraden. Een van hen is de twintigjarige Eddy Hess, neef van Leonie Bander. De twee SD-agenten proberen die dag ook haar te arresteren. ‘Ze werd beschuldigd behulpzaam te zijn geweest bij het onderbrengen van Joden’, aldus Jan Bander (in een brief van 25 mei 1945 aan de politie-zuiveringscommissie).
Leonie Bander ziet kans via de tuin te ontsnappen en naar de nabijgelegen woning van huisarts Becker te vluchten. ’s Avonds keert ze in de Volendamse klederdracht terug naar de Baanstraat. Buurtgenoot Piet Spaander wordt door Bander in vertrouwen genomen: zijn vrouw heeft geen zelfmoord gepleegd, zoals in Edam wordt rondverteld, ze is in het eigen huis ondergedoken. Spaander zegt toe voor bonkaarten te gaan zorgen, hij wordt actief in de plaatselijke LO-LKP organisatie.
Egbert Snijder
Illegale nieuwsdienst. Als de Duitse bezettingsmacht op 29 april 1943 bekend maakt dat alle manschappen van het Nederlandse leger in krijgsgevangenschap naar Duitsland worden gebracht om er dwangarbeid te verrichten, breken massale stakingen in het land uit. Deze april-mei stakingen leiden tot een nieuw Duits besluit: alle radio’s moeten worden ingeleverd (uitgezonderd zijn de NSB’er), Radio Oranje in Londen zou achter de stakingen zitten. In Edam is het Duitse radioverbod van mei 1943 aanleiding om het nieuws illegaal te gaan verspreiden. Het initiatief hiertoe komt van Egbert Snijder.
Hij vraagt Maarten Buijten om het nieuws over de militaire successen van de geallieerden in Edam te gaan verspreiden. Buijten citeert Snijder: ‘We voetbalden allebei bij EVC, daar kende ik Egbert van. Toen in de loop van 1943 de radiotoestellen moesten worden ingeleverd zei Egbert: “Maarten, nu hebben de mensen geen nieuws meer. Ik zou graag willen dat jij dat gaat verzorgen.”’ (Verzet Verwoord, 59) Buijten krijgt een radiotoestel, een typemachine, stencils, papier en een stencilmachine. Er wordt ook begonnen met het inzamelen van geld voor onderduikers.
Grote Kerkstraat 10. In het verspreiden van verboden nieuws vervult Egbert Snijder een sleutelrol: niet alleen neemt hij het initiatief, ook wordt de illegale nieuwsdienst volgens Buijten aanvankelijk ingericht op de zolder van diens werkplaats en in de (naastgelegen) woning: ‘Het typen en stencillen deed ik in het huis van Trien, de vrouw van Egbert. Maar men zag mij telkens bij de familie Snijder in de Kerkstraat naar binnen gaan, dus moest ik van adres wisselen.’ Egbert Snijder, meubelmaker, afkomstig uit Avereest (Overijssel), woont sinds zijn huwelijk in 1936 in Edam. In 1942 is aan het jonge gezin Snijder de woning Grote Kerkstraat 10 toegewezen. De woning is leeggekomen door de deportatie van de Joodse familie Faber. Albert en Rosa Faber en hun zoon Kurt zijn in 1938 uit Duitsland gevlucht. In Edam hadden ze een bedrijf (huisindustrie) in borstelfabricage opgezet. Het is een speling van het lot dat vanuit de woning Grote Kerkstraat 10, gebrandmerkt door de Jodenvervolging, het eerste lokaal georganiseerde verzet plaatsvindt.
KP-Waterland. Egbert Snijder is ook betrokken bij het onderbrengen van de Knokploeg Waterland. Halverwege 1943 komt in Nederland de Landelijke Organisatie voor Onderduikers (LO) tot stand, om de hulp aan onderduikers te coördineren. De Landelijke Knokploegen (LKP) zijn voor deze organisatie de ‘sterke arm’, ze voeren voedselkraken en overvallen op distributiekantoren uit. Aan de Westerweg in de Purmer staat de boerderij van het jonge echtpaar Anton en Aagje Ham, vanaf 1941 is het al een adres voor Joodse onderduikers. Na de april-mei stakingen 1943 duiken er drie mariniers onder.
Een van hen, Jan Wind (‘grote Jan’), zal een leidende rol gaan spelen in de KP-groep. Sindsdien zijn er veel onderduikers op de boerderij, ze slapen waar maar plaats is, ‘zelfs op de keukenvloer’. Begin 1944 (februari-maart) komt Egbert Snijder naar de boerderij. Anton Ham staat juist op het punt om samen met Jan Molenaar uit Edam (plaatselijk KP-leider) vijf Joden uit Amsterdam op te halen (Verzet Verwoord, 28). Snijder vraagt Anton en Aagje Ham of de nieuw opgerichte KP-groep de boerderij mag gebruiken als hoofdkwartier. Het echtpaar Ham stemt ermee in. Vanaf dat moment is het, aldus Ham, een komen en gaan van mensen, ‘ons huis leek af en toe wel een kazerne’. Met de toestemming van het echtpaar Ham is de KP-groep Purmer (later: Waterland) een feit. Zij zal als ‘vaste groep’ verzetsactiviteiten verrichten in de regio Waterland, in samenwerking met lokale KP-groepen in Monnickendam, Oostzaan, De Rijp, Beemster, Marken, Edam en Volendam.
Volgende keer: Van Kraakwerk naar Sabotage
Erik Besseling