Scholieren kijken steeds negatiever naar homo’s, bleek uit onderzoek. “Het wordt me door de strot gedrukt”, zeggen leerlingen over voorlichting over de lhbtqia+-gemeenschap. Toch is uitleg noodzakelijk, juist van heteroseksuele mensen, vertellen leraren aan NU.nl. “Meneer, ik ken helemaal niemand die gay is”, zegt een leerling tegen Daan Krahmer. Hij geeft geschiedenis en maatschappijleer op een school in Eindhoven. “Hoezo? Je kent mij toch?” Even is het stil. “Maar u lijkt helemaal niet op Gordon.” Het is slechts een voorbeeld van een onwetende leerling. Maar volgens het onderzoek is de blik richting homo’s veel negatiever. Het aandeel jongens dat positief staat tegenover homoseksualiteit daalde in vier jaar tijd van 40,3 naar 22,3 procent. Ook meisjes zijn steeds negatiever.
“Lettersoep, genderindoctrinatie en genderterreur” zijn termen die Krahmer “regelmatig” hoort. Het zijn termen die gebruikt worden om aan te geven dat gender- en seksuele diversiteit zouden worden ‘opgelegd’ aan hetero mensen. Het zijn woorden die kinderen die met hun eigen seksualiteit worstelen bijblijven, denkt Krahmer. Dat die termen kwalijk zijn, staat buiten kijf. Maar het is veel napraten, denkt Maxe de Rijk. Zij is leerkracht in het speciaal onderwijs en was eerder docent maatschappijleer op het vmbo. “Leerlingen zien online content van influencers en politici die negatieve opmerkingen maken. Die praten ze na.”
Wat zegt de wet?
Basisscholen en middelbare scholen moeten verplicht aandacht besteden aan de lhbtqia+-gemeenschap.Dit hoort bij de vorming van een veilige en gezonde sociale ontwikkeling voor kinderen.Het doel is dat iedereen op school zichzelf kan zijn, ongeacht afkomst, seksuele voorkeur of genderidentiteit.
Online openlijk kritiek uiten
Dat ziet ook Thijs Smeenk, die namens COC Nederland tot de zomer voorlichting over de lhbtqia+-gemeenschap gaf op middelbare scholen. Het maakt lesgeven de afgelopen jaren moeilijker, zegt hij. Hoe praktischer het schoolniveau, hoe negatiever de reacties waren. Ook waren jongeren met een migratieachtergrond minder vaak positief over homoseksualiteit dan jongeren met alleen een Nederlandse afkomst. Smeenk ziet dat terug in zijn lessen. “Er is meer agressie en weerstand.” Sociale media en de manosfeer spelen een rol in het antihomosentiment onder leerlingen. Smeenk en Krahmer zien de online omgeving als een plek waar kinderen en jongeren openlijk kritiek kunnen uiten op de queergemeenschap. “Vroeger deden ze dat stiekem”, stelt Smeenk. “Nu lijkt er een podium te zijn waarop je gewoon kan zeggen dat je ‘ertegen’ bent.”
De scholieren die Smeenk ziet, zeggen dat informatie- en acceptatie rond lhbtqia+-mensen “door de strot wordt geduwd”. De Rijk denkt ook dat die opmerking wordt nagepraat van bepaalde politici als ze met leerlingen praat over waarom er bijvoorbeeld pride is. Toch zien sommigen regenboogvlaggen, de stijgende populariteit van pride en berichten in de media alsof lhbtqia+-informatie hen wordt opgelegd. Dat hoort de gemeenschap vaker sinds de zichtbaarheid van deze mensen is gegroeid, ziet ook COC Nederland. “Er wordt je natuurlijk door de strot geduwd”, zegt een woordvoerder van de belangenorganisatie. “Het gaat over jezelf zijn en veiligheid voor iedereen.”
Scholen moeten meer beleid voeren
En dus “blijft uitleg nodig”. Smeenk vertelt tijdens zijn voorlichtingen dat hij zelf op mannen valt. Leerlingen luisteren dan altijd geïnteresseerd. Maar de ervaring van Krahmer, die bi+ is, is anders. Zo kreeg hij opmerkingen als ‘heb je aids?’ en werd hij door collega’s van sociale media verwijderd. Als hij opmerkingen krijgt, probeert hij koel te blijven en de angel eruit te halen. “Maar ik voel me er ook ongemakkelijk bij.” Volgens de docenten zijn er meer rolmodellen en figuren nodig die opstaan tegen dit soort geluiden. “Juist op scholen, waar kinderen vaak ontdekken dat ze op mannen of vrouwen vallen”, zegt Krahmer. Hij vertelt over een leerling die thuis niet durft te vertellen dat hij op mannen valt. “Dan schopt mijn vader me het huis uit”, citeert hij.
Scholen zouden volgens hem expliciet lhbtqia+-beleid moeten hebben. Daarbij zouden docenten les moeten krijgen over hoe zij moeten omgaan met verschillende meningen over de lhbtqia+-gemeenschap. COC Nederland is het daarmee eens, maar benadrukt dat scholen blijvend geïnteresseerd zijn in Paarse Vrijdag. Dat is een dag in het jaar waarop gevierd wordt dat iedereen zichzelf mag zijn, ongeacht geaardheid of genderidentiteit. “De pakketten zijn in no time op”, zegt de woordvoerder. Hij stelt dat positievere verhalen nodig zijn, ook om lhbtqia+-mensen te beschermen tegen de heftige cijfers. Volgens hem vragen scholen dit jaar wel vaker advies over hoe zij moeten omgaan met de verschillende meningen over de queergemeenschap.
Uitspreken van groot belang
Dat uitspreken is belangrijk op verschillende manieren. Kinderen en jongeren halen hun ideeën vaak van sociale media en zien daar ook onjuiste informatie. Voorbeeld is een vlog die rondgaat waarin homoseksualiteit als “besmettelijk” wordt bestempeld. Daarom is het goed als influencers – en vooral heteroseksuele influencers – zich uitspreken, zegt Smeenk. Dat deed influencer Défano Holwijn in een vlog waarin hij onder meer uitlegt waarom er geen heterovlag bestaat. Ook plaatste BNNVARA een bericht waarin BN’ers zich uitspreken als bondgenoten voor lhbtqia+-mensen. “Uitspreken is zo belangrijk. Juist als heteroseksuele mensen dat doen, wordt de norm gezet”, zegt de woordvoerder van COC Nederland.
Toch zijn goede voorbeelden overal te vinden. Als De Rijk leerlingen negatieve opmerkingen hoort maken over queers, gaat ze altijd het gesprek aan. “Als ze beseffen dat ze iemand kunnen kwetsen, draaien leerlingen eigenlijk altijd bij.” Ook vertelt De Rijk aan haar leerlingen dat ze met een vrouw is getrouwd. “Je weet nooit voor wie je een voorbeeld bent in de klas.”
