Het Besluit Vijandig Vermogen (E-133), van de regering in Londen in 1944, bepaalt dat na de bevrijding, bij wijze van herstelbetaling, al het Duits vermogen in Nederland zal worden onteigend. Dit leidt tot een uiterst pijnlijke consequentie: alle Joodse vluchtelingen die in de jaren dertig uit Duitsland naar Nederland zijn gekomen, worden na de oorlog tot ‘vijandelijke onderdanen’ verklaard. Dit geldt ook voor twee Joodse oorlogsweeskinderen uit Edam: Heinz Michael Levy (geb. 1936) en Peter Kaufmann (geb. 1939) hebben een Duitse achtergrond. Michael (zijn voornaam na de oorlog) heeft het concentratiekamp Bergen-Belsen overleefd, Peter is door zijn ouders ondergebracht bij een pleeggezin in Amsterdam en overleeft ondergedoken de Holocaust. Om recht te hebben op het nagelaten familievermogen dienen de twee weeskinderen te worden ontvijand. Uitvoerend orgaan van het Besluit Vijandig Vermogen is het Nederlands Beheersinstituut (NBI).
Joodse fabrieken in Edam en Volendam
In de gemeente Edam staan twee Joodse fabrieken, waarin het NBI geïnteresseerd is: de N.V. Enkev in Volendam en de N.V. Noordhollandse Koperwarenfabriek Nohol in Edam. De Enkev begint zijn productie van vulmaterialen in 1932, in 1937 komt de fabriek onder leiding te staan van Ludwig Kaufmann. De koperwarenfabriek is door Alfred Levy in januari 1939 naar Edam gebracht, na een ‘tussenstop’ in Tegelen gedurende 1938. Beide directeuren, Joodse vluchtelingen uit Duitsland, hebben een minderheidsbelang in hun bedrijf. Na de registratie van alle Joden in Nederland in 1941 begint het ariseren van Joodse bedrijven: Kaufmann en Levy worden onteigend en verwijderd, de fabrieken functioneren tot de bevrijding onder leiding van niet-Joodse directeuren. De Nohol-fabriek in Edam wordt overgenomen door twee Nederlanders, broers uit Zaandam, een van hen vestigt zich in Edam en betrekt er de woning van de ‘geëvacueerde’ familie Levy. De Enkev in Volendam gaat verder onder leiding van de Duitse bedrijfsleider van de fabriek.
Na de bevrijding spelen voor de fabrieken Enkev en de Nohol zaken van collaboratie (door de directeuren na de arisering) en rechtsherstel (voor de Joodse eigenaren). Voor de Enkev richt het NBI zich op de Duitse bedrijfsleider-directeur: hij voldoet zonder meer aan de definitie van vijandelijk onderdaan, zijn vermogen dient uit het bedrijf te worden gehaald, het vervalt aan de Nederlandse Staat, zijn huisraad wordt naar de veiling in Amsterdam gebracht en te gelde gemaakt. Voor de fabriek in Edam volgt het NBI een ander scenario. De Nohol werkt in de tweede helft van de oorlog, getuige zijn orderportefeuille, met onverholen pr-trots voor de Duitse oorlogsindustrie – een koers die burgemeester Van Baar van Edam als financieel belanghebbende in het bedrijf (hij bezit een aandeel van 10%) ondersteunt. Maar de Koperwarenfabriek Nohol is een bedrijf onder Nederlandse leiding geworden, na de bevrijding raken de jaren van collaboratie op de achtergrond en de directeur zet in op de juridische constructie van de ‘dading’, een wat genoemd wordt ‘minnelijke schikking’ met vrijwaring van rechtsvervolging. Daarmee toont hij zich diplomatieker dan zijn broer in Zaandam, die de gave van het juridisch schikken minder bezit en als collaborateur voor lange tijd in de gevangenis belandt.
Bewaard gebleven Joodse huisraad
Direct na de bevrijding wordt jacht gemaakt op vijandelijk vermogen, ook op huisraad. Een jaar lang is daar het Bureau Roerende Goederen van Vijanden en Landverraders voor verantwoordelijk, regionaal in afdelingen georganiseerd, voordat deze opgaat in het NBI, afdeling Eigen Beheer (Roerende Goederen). In vele oproepen in de kranten wordt bekendheid gegeven aan de plicht van burgers om goederen en gelden aan te melden die zij in bezit hebben van vijanden, NSB’ers of andere landverraders. In tenminste één van deze bekendmakingen (voor de regio Leeuwarden) wordt expliciet een categorie toegevoegd: de oproep is ook van toepassing op zaken, afkomstig van Joodse ingezetenen.
In Edam kan men naast deze algemene oproepen ook de advertentie hebben gelezen die de bewindvoerder van Ludwig Kaufmann, door het NBI aangesteld, in de krant van 21 december 1945 heeft geplaatst: hij verzoekt allen die goederen, gelden en/of andere waarden van Dr. L. Kaufmann in hun bezit hebben of tot hem in enigerlei rechtsbetrekking staan, daarvan schriftelijk opgave te doen, binnen 14 dagen, het niet voldoen aan de oproep is strafbaar. Het blijkt dat de huisraad van de familie Ludwig Kaufmann in zijn geheel bewaard is gebleven. In het NBI-dossier over Kaufmann bevindt zich een lijst met voorwerpen, in dubbele rijen over twee lange pagina’s geregistreerd, voorzien van de titel in hoofdletters: GOEDEREN VAN DR. L KAUFMANN. Daaronder in kleine letters: Bij G. bij ’t Vuur, Jonkerlaantje 40, Edam.
Gerrit bij ’t Vuur heeft het verbergen van de gehele huisraad van de Kaufmanns op touw gezet, zodra duidelijk is dat zij Edam moeten verlaten. De grote hoeveelheid goederen, van bruidsjapon tot haardkachel, van slaapkamerameublement tot ‘zilveren talisman met Joodse inscriptie’, brengt hij onder bij familie, vrienden en buren in Edam. Door zijn optreden wordt het roof-ontruimen, het ‘pulsen’, van de achtergelaten woning aan het Jonkerlaantje voorkomen. Bij ’t Vuur blijkt ook een aanzienlijk geldbedrag van de Kaufmanns te beheren, daarnaast heeft hij ook de goederen van de ouders van Ludwig Kaufmann, die op een later tijdstip uit Edam op transport zijn gesteld, onder zijn hoede genomen. Het zo grootschalig achterhouden van Joodse roerende goederen voor de Duitse bezetter is een evidente verzetsdaad, nota bene op een moment (april 1942) dat de georganiseerde illegaliteit ter plaatse nog grotendeels van de grond moet komen. Bij de bevrijding in 1945 is de Kaufmann-huisraad in Edam nog intact. Als Bij’ t Vuur zijn beheer over de goederen heeft aangemeld, zet het NBI de inventaris op papier, waarna het al snel besluit alles uit Edam weg te halen en op de veiling te verkopen. Alleen een klein aantal sieraden blijft behouden. Aan het einde van 1946 verschijnt in de NBI-boeken dat enkele duizenden guldens uit de verkoop van de spullen aan het (vijandelijk) vermogen van Ludwig Kaufmann kan worden toegevoegd.
Voor de familie Levy is er pas later sprake van achtergelaten huisraad. In januari 1948 schrijft de bewindvoerder dat ‘als behorend tot de Heer Levy’ er een ‘hoeveelheid sieraden’ is (waarvan een lijst wordt gegeven) om daaraan toe te voegen: ‘Tenslotte waren er nog op verschillende plaatsen meubelen opgeslagen, dewelke door mij zijn bijeengebracht en over dewelke reeds het toezicht had de Heer A. van Mierlo (met adres) en thans wederom door mij onder zijn hoede te Edam zijn opgeslagen.’ André van Mierlo is de bedrijfsleider in Levy’s koperwarenfabriek, eerst in Tegelen, dan in Edam. Hij stuurt het gezin in de concentratiekampen Vught en Westerbork voedselpakketten en een Peruaans paspoort. Toch is bekend, wat betreft de achtergelaten meubelen, dat de woning van de Levy’s aan de Voorhaven door de Duitsers is ontruimd, ‘gepulst’. In het Nationaal Archief ligt een in het Duits geschreven ‘afnamelijst’ (Abnahmeverzeichnis), op roze papier, gedateerd 1 juni 1942, van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, met een aantal uit de woning Voorhaven 73 ‘overgenomen’ (übernommen) goederen. Het gaat om artikelen uit de slaapkamers (matrassen, dekens, kussens, kinderbed), ergens (niet te ontcijferen) zijn kinderspullen aangetroffen: speelgoed, kinderboeken, kinderwagen. Een deel van Levy’s huisraad is kennelijk als Duits roofgoed in 1942 verdwenen, een deel is in Edam door Van Mierlo verborgen achtergebleven.
Ontvijanding
In haar boek Afrekenen met de vijand beschrijft Marieke Oprel enkele schrijnende gevallen van Joodse overlevenden die in 1945 terugkeren uit de Duitse vernietigingskampen en zich vanwege hun Duitse nationaliteit als ‘vijandelijk onderdaan’ dienen te verantwoorden. Dat blijft de twee Joodse weeskinderen uit Edam bespaard; zij hoeven niet te bewijzen dat ze in de oorlog ‘goede’ Nederlanders zijn geweest. Tot 1951 gaat het in de beheersdossiers van het NBI over de ‘afwezige’ ouders Levy en Kaufmann, op papier bestaan ze nog, bewindvoerders treden namens hen op, zolang de administratieve gegevens over het moment van hun overlijden nog niet zijn vastgesteld.
De certificaten over hun dood in het NBI-archief lezen als verlate rouwkaarten. Het zijn uittreksels uit het bevolkingsregister, de jaartallen zijn uitgeschreven, de stempels bevestigen de droeve inhoud. De Burgerlijke Stand te Amsterdam verklaart dat Ludwig Kaufmann in december negentienhonderd drieënveertig te Warschau (Polen) is overleden; Grete Erna Steinberg, echtgenote van Ludwig Kaufmann is overleden in Polen of Duitsland in het tijdvak liggende tussen tien september negentienhonderd drieënveertig en medio mei negentienhonderd vijfenveertig. Over de dood van Ludwig Kaufmann te Warschau, zonder datum, heeft een getuige tegenover het Rode Kruis een verklaring afgelegd. Over de dood van Grete Kaufmann is niets bekend. Ook over het echtpaar Levy staat onder de kapitale sierletters van ‘uittreksel’ te lezen dat ze dood zijn. Alfred Levy is te Bergen-Belsen (Duitsland) op zeven en twintig december negentienhonderd vierenveertig overleden. Herta Gotthilf, echtgenote van Alfred Levy, is te Bergen-Belsen (Duitsland) op achttien december negentienhonderd vierenveertig overleden. Nu het NBI over de uittreksels van de echtparen Kaufmann en Levy beschikt, kan het ertoe overgaan hen postuum te ontvijanden, zodat hun kinderen kunnen erven.
De twee weeskinderen zelf zijn al eerder door het NBI ontvijand: Peter op 23 juni 1949, Michael op 12 juni 1950. Peter groeit op in een niet-Joods pleeggezin in Amsterdam. Michael wordt door zijn Joodse pleegouders (zijn oom en tante) in Chicago, V.S. opgevoed. Michael is inmiddels Amerikaans staatsburger en neemt de naam aan van zijn pleegouders, Lowenthal. Terwijl de ontvijanding van de ouders van Michael nog op zich laat wachten, wordt door de bewindvoerder in juni 1950 gecorrespondeerd over de roerende goederen van de familie Levy die zich nog altijd in Edam bevinden: ze zijn formeel nog vijandelijk vermogen. Het NBI meent nu ruimhartig de ban op de goederen in Edam te kunnen opheffen: ze mogen worden geschonken (de wens van de pleegouders in de V.S.) aan ‘een aantal mensen die de Heer A. Levy tijdens zijn leven hebben geholpen.’
In 1951 worden Peter Kaufmann en Michael Lowenthal elk erfgenaam van een geldbedrag en enige gouden en zilveren sieraden uit de huisraad van hun ouders.
Erik Besseling