De bijeenkomst is in een mooi klein kerkje in een lief klein dorpje. Het dorpje is zo klein dat wanneer je naar de kerk toeloopt alle huizen binnen je blikveld vallen. Idyllischer kan bijna niet. Het kerkje is zo lief dat het als het ware opgetild wordt door de grafstenen. Een romantische setting voor een begrafenis of crematie of welk ander afscheid dan ook.
De mensen lopen in stilte met elkaar te praten zoals dat alleen op een uitvaart kan. De kerk loopt langzaam vol en de bijeenkomst – een dienst mag je het van de overledene niet noemen – begint met de gebruikelijke woorden, terwijl het eigenlijk de bedoeling is dat er geen begin of einde is, maar dat de mensen gewoon maar wat bij elkaar zijn en dat wanneer iemand wat wil zegen dat dat dan kan.
Wanneer k. naar voren loopt herken ik hem direct, terwijl niemand anders weet wie hij is en iedereen hem kent. Hij begint Een vergeefs gedicht voor te dragen van Remco Campert:
Zoals je loopt
door de kamer uit het bed
naar de tafel met de kam
zal geen regel ooit lopen
Dan stopte hij plotseling, loopt de kerkzaal uit en wenkt mij mee te komen. Ik sta op en loop met hem mee naar het halletje en de wc’s. Daar trekt hij plotseling een mes en steekt mij in mijn zij. Het doet veel pijn, maar is niet fataal. Ik grijp het mes uit zijn handen, doe het in de binnenzak van mijn jasje en loop naar binnen. Daar lees ik het tweede vers:
Zoals je praat
met je tanden in mijn mond
en je oren om mijn tong
zal geen pen ooit praten
Ik loop weer terug naar het halletje waar hij op mij zit te wachten. Ik steek hem recht in zijn hart, maar mis. Hij pakt het mes en steekt mij dood, maar zoals je weet werken de oren altijd nog het best en het langst. Hij zegt: ‘De kist is nog leeg,’ en loopt weer naar binnen. Daar doet hij het derde vers:
Zoals je zwijgt
met je bloed in mijn rug
door je ogen in mijn hals
zal geen poëzie ooit zwijgen.
Zes mannen dragen de kist naar het halletje, waar ik er voorzichtig ingelegd wordt. Dan dragen ze de kist weer terug. Nu kunnen ze eindelijk beginnen.