Die bloedtransfusies van begin deze week hebben toch wel goed geholpen. Ik voel me toch weer ietsje fitter en heb het idee dat het ook nog wat beter wordt. Op de vraag of ik dan de rest van mijn leven op het bloed van anderen zou willen leven, antwoordde ik de laatste keer nog met een volmondig nee, maar ik neig nu toch meer naar ja. Stel dat je zou kunnen volstaat met eens in de drie, vier weken een bezoekje aan het ziekenhuis en daarmee je leven voorlopig behoorlijk zou kunnen verlengen, dan zou ik dat toch wel doen geloof ik.
Je leeft dan echt in de blessuretijd en al die medicijnen zou ik dan op de koop toe nemen. Iets anders is als dat allemaal zo goed werkt dat ik nog veel langer leef dan de aanvankelijke prognose, wat dan? Dat ik weer zin zou krijgen om te lezen en ook weer in staat zou zijn om ergens naartoe te gaan. Wat dan? Zou ik me dan niet schuldig voelen ten opzichte van al die mensen die kaartjes gestuurd hebben en langs geweest zijn, omdat ze dachten dat ik nu de meeste druiven toch wel op heb. Dat hoeft natuurlijk niet, maar het is niet ondenkbaar dat zulke gevoelens de kop opsteken. Het is niet voor niets dat ik er nu al over begin, maar je moet er toch maar niet op rekenen.
Het is nog niet zo eenvoudig om een beetje normaal dood te gaan. Niemand hoor je er ooit over omdat er maar weinigen zijn die het kunnen navertellen, maar het is een bijzondere opgave met een onzekere toekomst. Laatst vroeg iemand of er al veel mensen op de bezichtiging waren geweest. Die vraag was zo kolderiek geformuleerd dat we allebei in de lach schoten. En hoeveel zullen er zijn die net te laat afspreken? Weest gerust, het is nog niet zover, voor zover ik kan nagaan. Niemand kan daarover uitsluitsel geven. Daarom leven we maar met de dag zoals Lief mij zojuist adviseerde en gaan we vrolijk verder, ondanks alle andere overwegingen.