We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Het was een vrij matige zomer, dat geef ik onmiddellijk toe. Ik weet niet precies wanneer de herfst meteorologisch begint, maar Willemijn van het weer was de boel alweer aan het evalueren. Veel buien, overstromingen, te koud voor de tijd van het jaar en oh ja: tussen neus en lippen meldde ze dat juni de warmste maand sinds tijden is geweest.
In verwarring kijk ik mijn man aan, waar waren wij toen in de maand juni!? Gewoon in Nederland toch, gewoon aan het werk? Een vreemde gewaarwording dat een warmste maand sinds tijden je zo snel kan ontschieten. Zó vaak hebben we niet gezwommen in het IJsselmeer of op een terras gezeten, die keren kan ik op één hand tellen. Des te meer besef ik dat ik iedere dag moet plukken en niet de keukenkastjes moet gaan soppen terwijl ik ook met mijn gezicht in de zon op het dijkje had kunnen zitten.
En nu is het buiten al donker terwijl ik dit zit te typen, begin september – half negen ’s avonds, en heb ik de schemerlampjes allang aangeknipt. Ik hou hier zo van. Die bijna terloopse, behoedzame overgang van zomer naar herfst. Er hangt iets in de lucht, weet het niet precies te duiden maar het heeft met afsluiting te maken, met naar binnen keren, letterlijk en figuurlijk.
Het licht wordt anders, trekt zich terug waardoor de schaduwen langer worden. De bomen tooien zich in de allermooiste kleuren, de Grand Finale, voordat ze eerst langzaam maar dan gestaag al hun bladeren verliezen en zich geduldig opmaken voor een periode van loslaten. De meeste mensen hebben tegenwoordig niet veel meer op met de seizoenen. Wanneer ik verlekkerd begin over de geuren en kleuren van de herfst en hoe fijn het is toe te geven aan de introverte kant van mezelf, zie ik hoe sommigen met een vies gezicht hun neus optrekken. ‘Herfst? Winter?! Helemaal niet lekker, van mij mag het altijd zomer blijven’. Dit zijn volgens mij dezelfde mensen die zo’n grondige hekel aan sneeuw in de winter hebben.
Want dan wordt het zo’n blubber in de straten en zo glad, dan kan je vallen en die sneeuw blijft toch niet liggen. Mèh, mèh…terwijl ik denk: als er nou íets hoort bij winter dan is het wel sneeuw. Maar waar hebben we het over, we zijn amper in de herfst beland. Ik ga zelf ook weer veel te snel. Laten we eerst nog op een gouden zondagmiddag kastanjes rapen terwijl we wandelen in het bos. En wanneer Willemijn een flinke storm voorspelt eerst nog een keer naar het 1 strand. Met je kop in de wind en alle muizenissen weg laten waaien op het geluid van de bulderende golven, heen en weer, heen en weer. Tot dat hoofd weer leeg is en het lichaam moe maar voldaan, de verkleumde voeten uitgestrekt naar het open haardvuur in de strandtent.
Mooier wordt het voorlopig toch niet meer? Dit jaar was er wederom geen echte feestkermis op het dorp, het tweede jaar op rij. De ultieme afsluiting van dit seizoen, de zomer voorbij. We gingen nog wel met de kleindochters langs de oliebol- en suikerspinkramen, die waren er wel. Samen in het spookhuis, de botsautootjes en een heel enge, héél hoge zweefmolen. De oudste van bijna tien overwon haar prille angsten en durfde het aan, samen met opa. Mijn herfst kan voorlopig niet meer stuk.