De Raad van State oordeelt dat een wet die gemeenten verbiedt statushouders voorrang te geven bij sociale huurwoningen in strijd is met de Grondwet. Statushouders hebben een achterstand op de huurmarkt, en een verbod zou gemeenten de mogelijkheid ontnemen deze te compenseren. Demissionair minister Keijzer zou het wetsvoorstel daarom niet moeten indienen, al is ze daartoe niet verplicht.
Gemeenten waarschuwden eerder dat het verbod onuitvoerbaar is en kan leiden tot langere opvangduur, hogere kosten en dakloosheid. Jaarlijks gaat 6–10% van vrijkomende sociale huurwoningen naar statushouders. Het advies volgt op eerdere maatregelen van de Kamer die urgentieverklaringen voor statushouders al verbieden, waardoor het hele wetsvoorstel van Keijzer onder druk staat.
Samenvatting
Bij Kabinetsmissive van 23 juni 2025, no.2025001419, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders), met memorie van toelichting.
Dit wetsvoorstel introduceert een – gefaseerd in te voeren – verbod om aan zogenoemde vergunninghouders voorrang te verlenen voor sociale huurwoningen. Vergunninghouders, die ook wel worden aangeduid als statushouders, zijn asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen en dus in Nederland mogen blijven.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de regering bij de verdeling van schaarse betaalbare huurwoningen voor dilemma’s wordt gesteld. Daarbij moet worden bepaald wie onder welke omstandigheden toegang krijgt tot sociale huurwoningen. Er moeten criteria worden geformuleerd om tot een zo eerlijk mogelijke verdeling te komen. Daarbij is onder meer van belang dat de verlening van een verblijfsvergunning gepaard gaat met een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor adequate huisvesting van vergunninghouders.
Ongelijke behandeling
De Afdeling constateert dat vergunninghouders een ongunstige uitgangspositie hebben op de woningmarkt. Dit wetsvoorstel ontneemt gemeenten de mogelijkheid om deze achterstand met een voorrangsregeling te compenseren. Als een instrument voor ongelijkheidscompensatie voor één bepaalde groep wordt ingetrokken, terwijl die groep zich niet in een gelijke uitgangssituatie bevindt, leidt dit tot ongelijke behandeling.
De regering kondigt maatregelen aan om de positie van vergunninghouders op de woningmarkt te verbeteren en hen in een gelijke startpositie te brengen als andere woningzoekenden. De Afdeling acht het echter onrealistisch om te verwachten dat deze maatregelen tijdig het benodigde effect zullen hebben. Vergunninghouders blijven daardoor op achterstand staan. Hierdoor komt het wetsvoorstel in strijd met het door de Grondwet gewaarborgde recht op gelijke behandeling.
Ontnemen mogelijkheden gemeenten
Onder de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten beleidsvrijheid als het gaat om het bepalen van urgentiecategorieën. Het gevolg van de nu voorgestelde regeling is dat gemeenten helemaal niet meer kunnen beslissen om vergunninghouders als groep voor voorrang in aanmerking te brengen, terwijl zij daar bij uitstek toe in staat zijn. Het voorstel maakt het voor gemeenten bovendien zeer moeilijk om te voldoen aan de wettelijke taakstelling om vergunninghouders te huisvesten.
Conclusie
De Afdeling concludeert dat het wetsvoorstel leidt tot ongelijke behandeling in strijd met de Grondwet, nu niet aannemelijk is dat de maatregelen die de regering aankondigt om de vereiste gelijke startpositie te bewerkstelligen, tijdig het benodigde effect hebben. Gecombineerd met het feit dat gemeenten in een zeer moeilijke positie worden gebracht, kan over het voorstel niet positief worden geadviseerd.
1. Inhoud en achtergrond van het wetsvoorstel
a. Inhoud van het wetsvoorstel
Op grond van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad een huisvestingsverordening vaststellen. (zie noot 1) In die huisvestingsverordening kan de gemeenteraad urgentiecategorieën aanwijzen. Mensen die in zo’n urgentiecategorie vallen komen met voorrang in aanmerking
voor een (doorgaans sociale) huurwoning. De Huisvestingswet 2014 schrijft voor dat, als de gemeenteraad een dergelijke verordening vaststelt, de raad in ieder geval mantelzorgverleners en -ontvangers en personen die in blijf-van-mijn-lijfhuizen verblijven aanwijst als urgentiecategorie. Daarnaast kan de gemeenteraad nog andere categorieën aanwijzen.
Het wetsvoorstel verbiedt gemeenten om vergunninghouders aan te wijzen als urgentiecategorie. (zie noot 2) Dit verbod staat er niet aan in de weg dat een vergunninghouder op andere gronden in een urgentiecategorie kan vallen.
De regering is voornemens de uitvoering van dit wetsvoorstel in drie fases te laten verlopen. (zie noot 3) In deze drie fasen zal worden voorzien in een samenhangend pakket van maatregelen voor de huisvesting, participatie en integratie van vergunninghouders. (zie noot 4)
De voorbereidingsfase bestrijkt de periode tot aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, die vooralsnog is voorzien op 1 juli 2026. (zie noot 5) In deze fase moeten de betrokken overheden zorgen dat een aantal noodzakelijke randvoorwaarden is vervuld. Zo moeten de achterstanden in de zogeheten taakstelling worden weggewerkt, moet de (tijdelijke) woningvoorraad worden uitgebreid en moeten gemeenten voorzien in snellere huisvesting van vergunninghouders.
Na inwerkingtreding begint de implementatiefase. In die periode van één jaar blijft het mogelijk vergunninghouders met voorrang in aanmerking te laten komen voor onzelfstandige woonruimte. (zie noot 6) Ook in deze periode moet de woningvoorraad worden uitgebreid.
Zoals nu is voorzien, eindigt de implementatiefase op 1 juli 2027. Dan moet gelijke uitgangspositie voor vergunninghouders zijn gerealiseerd en moeten de verschillende randvoorwaarden daarvoor dus zijn vervuld. Op dat moment kan de normalisatiefase beginnen, die inhoudt dat vergunninghouders voor geen enkele vorm van huisvesting meer voor urgentie in aanmerking komt op de enkele grond van het zijn van vergunninghouder.
b. Achtergrond en voorgeschiedenis van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel vloeit voort uit het Hoofdlijnenakkoord tussen de fracties van PVV, VVD, NSC en BBB en het Regeerprogramma van het Kabinet-Schoof. (zie noot 7) In een brief aan de Tweede Kamer ging de Minister-President nader in op deze maatregel, die onderdeel uitmaakt van een “breed pakket aan maatregelen om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom te verminderen”. (zie noot 8)
Op 11 juli 2025 hebben de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, tevens minister voor Asiel en Migratie, en de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer uiteengezet wat dit pakket inhoudt voor wat betreft huisvesting. Daarbij is ook ingegaan op dit wetsvoorstel en de samenhang met andere maatregelen. (zie noot 9)
De laatste jaren zijn de regels omtrent het al dan niet met voorrang huisvesten van vergunninghouders vaker onderwerp van (voorstellen tot) wetgeving geweest. (zie noot 10) In grote lijnen is hierin de volgende ontwikkeling te zien. Tot medio 2017 waren gemeenten wettelijk verplicht om, indien zij bij het verlenen van huisvestingsvergunningen werkten met een systeem van urgentieverklaringen, vergunninghouders aan te wijzen als urgentiecategorie. (zie noot 11) Per 1 juli 2017 is deze verplichting vervallen, maar behielden gemeenten de vrijheid om deze groep als urgentiecategorie aan te wijzen. (zie noot 12)
Het onderwerp is ook aan de orde gekomen in twee initiatiefvoorstellen van Tweede Kamerlid Kops. Het eerste initiatiefwetsvoorstel bepaalde dat het aanwenden van de bevoegdheden op grond van de Huisvestingswet 2014 niet zou resulteren in het met voorrang huisvesten van vergunninghouders op grond van het feit dat zij vergunninghouder zijn (dit komt overeen met het voorliggende voorstel). (zie noot 13) De Tweede Kamer heeft dit wetsvoorstel verworpen.
Het tweede wetsvoorstel bepaalde onder meer dat vergunninghouders in geen geval voorrang kunnen krijgen, dus ook niet als zij tot een andere urgentiecategorie behoren. Ook voorzag het wetsvoorstel in het schrappen van de verplichting voor gemeenten om een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten; deze verplichting wordt hierna aangeduid als de taakstelling. (zie noot 14) De initiatiefnemer heeft het advies van de Afdeling over dit wetsvoorstel nog niet voorzien van een reactie.
Op dit moment is bij de Eerste Kamer het voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting in behandeling. (zie noot 15) Kort gezegd wijzigt dit wetsvoorstel, voor zover hier relevant, de huidige situatie op twee punten. Ten eerste wordt het vaststellen van een huisvestingsverordening door de gemeenteraad verplicht, evenals het opnemen van urgentiecategorieën. Ten tweede wordt het aantal verplichte urgentiecategorieën uitgebreid. Gemeenten behouden wel ruimte om zelf nog urgentiecategorieën toe te voegen. Onderhavig wetsvoorstel voorziet in een samenloopbepaling, die bewerkstelligt dat ook na de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting vergunninghouders als zodanig niet als urgentiecategorie kunnen worden aangewezen. (zie noot 16)
Bij de behandeling van het voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting aanvaardde de Tweede Kamer onder meer het amendement-Mooiman. (zie noot 17) Dat amendement beoogt in de Huisvestingswet 2014 vast te leggen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen geen voorrang kan worden toegekend aan vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend. Als gevolg hiervan regelen het aldus gewijzigde voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting en het onderhavige wetsvoorstel dezelfde materie, zij het dat de door het amendement-Mooiman bewerkstelligde wijziging verderstrekkend is. De samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel is hierop nog niet aangepast.
Bij brieven van 26 augustus 2025 en 9 september 2025 is de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ingegaan op de onderlinge verhouding tussen het gewijzigde voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting en het onderhavige wetsvoorstel. (zie noot 18) In de brief van 26 augustus stelt de minister dat het bij het amendement-Mooiman ingevoegde onderdeel van het voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en in de praktijk tot onwerkbare situaties leidt. Zij concludeert dat “duidelijk is dat dit ingevoegde wetsartikel in deze vorm niet overeind kan blijven”. In de brief van 9 september kondigt de minister aan dat zij een wetsvoorstel (novelle) voorbereidt om het amendement-Mooiman te verwijderen uit het voorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting.
De Afdeling wijst erop dat het onderhavige wetsvoorstel strijd oplevert met het recht op gelijke behandeling en de gemeenten in een zeer moeilijke positie plaatst. De Afdeling gaat hierop in het vervolg van dit advies nader in. Het wetsvoorstel kan daarom niet dienen als alternatief voor de met het amendement-Mooiman beoogde wijziging van de Huisvestingswet 2014.
2. Constitutioneel kader
a. Inleiding
Het tekort aan voldoende betaalbare woningen heeft grote maatschappelijke en individuele consequenties. De wachttijden voor een sociale huurwoning zijn sterk opgelopen en lang niet iedereen die een betaalbare huurwoning nodig heeft, kan die vinden. Voor de overheid levert deze situatie complexe dilemma’s op. De toewijzing van een sociale huurwoning aan de één betekent immers onvermijdelijk dat iemand anders die woning niet krijgt. Om te kunnen bepalen wie onder welke omstandigheden toegang heeft tot de schaars beschikbare sociale huurwoningen, moet worden gezocht naar redelijke criteria om tot een zo eerlijk mogelijke verdeling te komen. Daarbij moet de overheid aandacht hebben voor specifieke omstandigheden en kwetsbaarheden waar bepaalde groepen mee te maken hebben.
De Afdeling schetst hierna onder b en c de grondrechten die een rol spelen bij het verdelen van de schaarse beschikbare woonruimte. In punt 3 gaat zij verder in op de vraag of het voorstel om vergunninghouders als zodanig geen voorrang meer te geven verenigbaar is met deze grondrechten.
Een ander dilemma is op welk overheidsniveau beslissingen over toegang tot de woningmarkt het beste kunnen worden genomen: kan dit het beste gebeuren op decentraal niveau, of op het niveau van de rijksoverheid? Mede in het licht van hoofdstuk 7 van de Grondwet moet daarbij zorgvuldig worden omgegaan met de interbestuurlijke verhoudingen tussen de rijksoverheid en de gemeenten. Dit vraagstuk bespreekt de Afdeling in punt 4. In punt 5 formuleert de Afdeling een conclusie.
b. Recht op huisvesting
Het recht op huisvesting is verankerd in artikel 22, tweede lid, van de Grondwet en in diverse verdragsbepalingen. (zie noot 19) Gezien het bovengenoemde tekort aan beschikbare woonruimte staat dit sociale grondrecht prominent op de politieke en maatschappelijke agenda.
Het recht op huisvesting kent verschillende elementen, waaronder het bevorderen van toegang tot adequate (gezonde, veilige) huisvesting en het tegengaan van dak- en thuisloosheid. Ook vereist dit recht van de overheid dat zij bevordert dat er voldoende betaalbare woongelegenheid is. De overheid moet daarbij beleid ontwikkelen op basis waarvan schaarse goedkope woonruimte eerlijk kan worden verdeeld, zodat iedereen op gelijke voet toegang heeft tot huisvesting.
Dit recht op gelijke toegang tot huisvesting geldt ook voor vergunninghouders (of ‘statushouders’), die immers een verblijfsvergunning hebben gekregen en in Nederland mogen blijven. Met het toekennen van deze verblijfsvergunning gaat een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid gepaard om zorg te dragen voor adequate huisvesting van deze groep mensen.
De Huisvestingswet 2014 vormt bij de invulling van het huisvestingsbeleid een belangrijk instrument, dat in het bijzonder ziet op de bescherming van kwetsbare groepen op de woningmarkt. (zie noot 20) Weliswaar heeft de regering een grote mate van vrijheid bij het vormgeven van huisvestingsbeleid, maar zij is hierbij gebonden aan constitutionele en juridische normen en beginselen. Deze omvatten niet alleen het recht op huisvesting zelf, maar ook het recht op gelijke behandeling. (zie noot 21)
c. Recht op gelijke behandeling
Bij het verwezenlijken van het sociale grondrecht op huisvesting moet de overheid het in de Grondwet en verdragen erkende recht op gelijke behandeling respecteren. (zie noot 22) Zoals hierboven vermeld betekent dit dat alle woningzoekenden – inclusief vergunninghouders – op gelijke voet toegang moeten hebben tot een woning.
Om die toegang op gelijke voet te verzekeren kan er niet mee worden volstaan alle woningzoekenden op precies dezelfde manier te behandelen. Relevante verschillen bij de toegang tot de woningmarkt moeten worden onderkend. Het bestaan van een systeem van sociale huurwoningen speelt daar al op in: dat systeem maakt het voor mensen met een laag inkomen mogelijk om een voor hen betaalbare woning te vinden. Ook kan het zijn dat mensen een bijzondere woonbehoefte hebben (bijvoorbeeld omdat ze een fysieke beperking hebben) of dat zij met spoed een woning nodig hebben (bijvoorbeeld omdat zij het slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld). Dit is de situatie waarop urgentie- of voorrangsregelingen aangrijpen.
Die regelingen zorgen ervoor dat feitelijke verschillen tussen woningzoekenden worden gecorrigeerd of gecompenseerd. Dat maakt het mogelijk om ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid verschillend te behandelen. Het beoogde resultaat daarvan is dat alle woningzoekenden, ongeacht hun bijzondere situatie, uiteindelijk in een situatie terechtkomen waarin zij met gelijke kansen aan de woningmarkt kunnen deelnemen.
Ook bij het wijzigen of intrekken van een compensatie-instrument zoals een voorrangsregeling moet het recht op gelijke behandeling in acht worden genomen. Zou een instrument voor ongelijkheidscompensatie voor één bepaalde groep worden ingetrokken (in dit geval vergunninghouders), terwijl die groep zich niet in een gelijke uitgangssituatie bevindt, dan zou dit alsnog leiden tot bijzondere benadeling van deze groep. Het feitelijke resultaat is dan dat het voor vergunninghouders, vanwege hun nog steeds bestaande ongunstige uitgangspositie, moeilijker wordt om een woning te vinden dan voor andere woningzoekenden. Als voor een dergelijke benadeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, zal dit strijd opleveren met het recht op gelijke behandeling.
3. Beoordeling van het wetsvoorstel op grond van het constitutioneel kader
a. Inleiding
Bij de beoordeling van het wetsvoorstel aan de in punt 2 geschetste constitutionele uitgangspunten gaat de Afdeling eerst in op het recht op huisvesting (onderdeel b). Vervolgens besteedt zij aandacht aan de ongelijke positie van vergunninghouders in vergelijking met andere woningzoekenden en op de maatregelen die worden voorzien om deze ongelijke uitgangspositie te compenseren (onderdelen c en d). In onderdeel e komt het vraagstuk van de objectieve en redelijke rechtvaardiging aan de orde.
b. Recht op huisvesting van vergunninghouders onder druk
De Afdeling wijst er allereerst op dat het wetsvoorstel het recht op adequate huisvesting van vergunninghouders onder druk zet. (zie noot 23) In verscheidene consultatiereacties is gewezen op het risico dat vergunninghouders in ondermaatse woningen moeten worden gehuisvest of zelfs dakloos raken. (zie noot 24)
Een dergelijke situatie is niet alleen op individueel niveau, maar ook maatschappelijk ongewenst en raakt het grondrecht op huisvesting. Bovendien past dit niet goed bij de verantwoordelijkheid die de overheid heeft jegens erkende vluchtelingen en mensen met een subsidiaire beschermingsstatus.
c. Randvoorwaarden voor ‘normalisatie’ positie vergunninghouders
Met dit wetsvoorstel wordt gemeenten de mogelijkheid ontnomen om met een voorrangsregeling de ongunstige uitgangspositie van vergunninghouders in hun gemeenten te compenseren. Dit is alleen verenigbaar met het recht op gelijke behandeling als de feitelijke startpositie van vergunninghouders vergelijkbaar is aan die van andere woningzoekenden. De toelichting spreekt in dit verband van een ‘genormaliseerde’ situatie. Is die situatie eenmaal bereikt, dan kunnen vergunninghouders nog steeds een urgentieverklaring krijgen, maar dan onder dezelfde voorwaarden die gelden voor andere woningzoekenden.
De Afdeling wijst er in dit verband op dat er tussen vergunninghouders en andere woningzoekenden grote verschillen bestaan. (zie noot 25) Vergunninghouders staan op achterstand als het gaat om het opbouwen van wachttijd, het beschikken over een sociaal netwerk, het machtig zijn van de taal en het beschikken over huisvesting van waaruit zij een woning kunnen zoeken (anders dan de per definitie tijdelijke COA-opvang, die bovendien plaatsgebrek heeft).
Uit de toelichting blijkt dat de regering zich bewust is van de feitelijke achterstand die vergunninghouders als groep op de woningmarkt hebben. Het streven van de regering is dan ook om een situatie te creëren waarin de positie van vergunninghouders vergelijkbaar is met die van andere reguliere woningzoekenden. In die situatie is het niet meer nodig om deze groep op basis van hun status met voorrang in aanmerking te brengen voor een sociale huurwoning. (zie noot 26) Daartoe voorziet de regering in de in punt 1a uiteengezette gefaseerde aanpak.
d. Beoordeling maatregelen om tot een gelijke uitgangspositie te komen
In de plannen van de regering zijn de in punt 1a beschreven voorbereidingsfase en de implementatiefase een jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel afgerond, naar verwachting per 1 juli 2027. In de toelichting en in de brief van 11 juli zet de
regering uiteen met welke gerichte maatregelen zij gedurende die fases de grote verschillen tussen vergunninghouders en andere groepen woningzoekenden wil wegnemen. De maatregelen zien op het wegwerken van achterstanden in de taakstelling, het creëren van extra huisvestingsmogelijkheden (met name onzelfstandige woonruimte) voor vergunninghouders en het vergroten van toegang tot de ‘reguliere’ woningmarkt. Meer in het algemeen spreekt de regering de verwachting uit dat ten gevolge de instroombeperkende maatregelen de hoeveelheid asielaanvragen zal dalen, waardoor een kleinere groep vergunninghouders beslag zal leggen op de woonruimte in Nederland. (zie noot 27)
De Afdeling merkt op dat het niet realistisch is om te verwachten dat deze maatregelen tijdig (dus vóór 1 juli 2027) de positie van vergunninghouders op de woningmarkt zullen ‘normaliseren’, in die zin dat een gelijke uitgangspositie voor vergunninghouders wordt bereikt. Zo blijkt uit de meest recente prognoses dat in ieder geval tot 2028 rekening moet worden gehouden met een stijgende asielinstroom. (zie noot 28) Dat betekent dat de druk op de asielopvang vooralsnog hoog blijft. Op dit moment benutten vergunninghouders een kwart van het aantal plaatsen in de asielopvang en er zijn achterstanden in het elders huisvesten van deze mensen. (zie noot 29) Het is niet realistisch te verwachten dat vóór 1 juli 2027 deze achterstanden, bij een stijgende instroom, kunnen worden weggewerkt.
Ook ten aanzien van de maatregelen ter verbetering van de toegang tot de reguliere woningmarkt en het creëren van extra huisvestingsmogelijkheden is het niet realistisch te verwachten dat zij tijdig (dus vóór 1 juli 2027) de positie van vergunninghouders op de woningmarkt zullen ‘normaliseren’. De bijzondere, meervoudige achterstandspositie van vergunninghouders maakt voor hen effectieve toegang tot de reguliere woningmarkt op korte termijn vrijwel onmogelijk. Naast de omstandigheden die in punt 3c zijn genoemd, wijst de Afdeling erop dat het grootste deel van vergunninghouders bij vestiging in een gemeente bijstandsafhankelijk is. (zie noot 30) De inburgeringsplicht maakt het moeilijk voltijds te werken. Dit maakt toegang tot de particuliere markt, die de regering nadrukkelijk als mogelijkheid noemt, voor veel vergunninghouders nagenoeg illusoir. (zie noot 31)
De regering noemt verder verschillende instrumenten om extra onzelfstandige woonruimte, waaronder doorstroomlocaties, te creëren. (zie noot 32) Zij maakt echter niet inzichtelijk of en hoe deze doelstelling bijtijds kan worden bereikt.
e. Geen objectieve en redelijke rechtvaardiging
Op grond van het voorgaande concludeert de Afdeling dat het niet realistisch is om te verwachten dat binnen de geformuleerde termijn sprake is van een situatie waarin de positie van vergunninghouders enerzijds en die van andere woningzoekenden anderzijds als ‘vergelijkbaar’ kan worden beschouwd. Vergunninghouders blijven op achterstand staan. Tegen die achtergrond is het opleggen van een verbod om hen voorrang toe te kennen bij de woningtoewijzing, zonder dat wordt voorzien in andere instrumenten om nog steeds bestaande verschillen te adresseren, in strijd met het recht op gelijke behandeling.
Dit kan anders zijn als een objectieve en redelijke rechtvaardiging wordt gegeven voor deze (feitelijke) benadeling bij de toegang tot de woningmarkt. Volgens de regering is de rechtvaardiging gelegen ’in het doel van het beëindigen van momenteel voorkomende situaties van positieve discriminatie’. (zie noot 33) De regering acht bovendien de bestaande situatie ‘onwenselijk en niet te rechtvaardigen, omdat het enkel zijn van vergunninghouder onvoldoende grond is om voorrang te krijgen op overige woningzoekenden’. (zie noot 34) Daarmee is de gegeven rechtvaardiging primair gelegen in de wens om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Zoals hiervoor beschreven gaat de regering daarmee echter voorbij aan de feitelijke ongelijkheid tussen vergunninghouders en andere woningzoekenden.
Zolang de situatie van een voldoende gelijke startpositie van vergunninghouders en andere woningzoekenden op de woningmarkt niet is gerealiseerd, levert het wegnemen van een instrument om die ongelijke startpositie te compenseren daarom strijd op met het door onder meer artikel 1 van de Grondwet gegarandeerde recht op gelijke behandeling.
4. Positie gemeenten
a. Stelselwijziging en betrokkenheid gemeenten
Dit wetsvoorstel bewerkstelligt bevat ook een stelselwijziging in de verhouding tussen het rijk en gemeenten. De Huisvestingswet 2014 voorziet in een grote mate van beleidsvrijheid voor gemeenten. (zie noot 35) Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting (zoals dit momenteel bij de Eerste Kamer aanhangig is) gaat uit van een gecoördineerde sturing vanuit het Rijk. Dit leidt bijvoorbeeld tot het uitbreiden van het aantal verplichte urgentiecategorieën. Ook dat wetsvoorstel biedt echter de mogelijkheid dat gemeenteraden, met het oog op de specifieke situatie in hun gemeenten, zelf urgentiecategorieën kunnen aanwijzen.
De Afdeling merkt op dat dit een terechte keuze is, aangezien de gemeenten geëquipeerd zijn om de woonbehoeftes en -mogelijkheden in de eigen gemeenten te beoordelen. Op basis hiervan kunnen zij kiezen voor het aanwijzen van vergunninghouders als urgentiecategorie, of juist daarvan afzien. Bovendien correspondeert deze mogelijkheid met de door de Grondwet en organieke wetten gecreëerde verhoudingen tussen het rijk en gemeenten. (zie noot 36)
Het gevolg van de nu voorgestelde regeling is dat gemeenten niet meer mogen beslissen om vergunninghouders als groep voor voorrang in aanmerking te brengen. Voor een dergelijke ingreep in de gemeentelijke beleidsvrijheid dient een gegronde reden te bestaan. (zie noot 37) De toelichting geeft als rechtvaardiging ‘een eerlijke verdeling van schaarse woonruimte’. (zie noot 38) Het blijft onduidelijk waarom gemeenten niet zelf die keuzes mogen maken. De Afdeling ziet dan ook niet in waarom de gemeenten deze bevoegdheid wordt ontnomen.
Aan een dergelijke ingreep in de gemeentelijke beleidsvrijheid zou bovendien een zorgvuldig proces vooraf moeten gaan, waarbij alle relevante instanties worden betrokken. De Afdeling merkt in dit verband op dat diverse noodzakelijke processtappen niet zijn gevolgd. Zo zijn de verschillende koepels niet formeel geconsulteerd. (zie noot 39) Ook blijkt niet uit de toelichting dat een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden is verricht. Dit geeft geen blijk van een zorgvuldig wetgevingsproces.
b. Taakstelling
Het ontnemen van de gemeentelijke bevoegdheid om vergunninghouders als zodanig als urgentiecategorie aan te wijzen klemt temeer nu de zogeheten ‘taakstelling’ vooralsnog niet wordt afgeschaft. De taakstelling houdt in dat gemeenten verplicht zijn een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten. (zie noot 40) Hoewel de regering eerder aankondigde dat gelijktijdig met dit wetsvoorstel de taakstelling zou worden afgeschaft, (zie noot 41) is dit voornemen losgelaten. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft aan de Tweede Kamer gemeld dat de taakstelling in nauw verband staat met taken van de gemeenten op het gebied van inburgering. (zie noot 42) Voor keuzes rond de herziening van het inburgeringsstelsel zijn de resultaten van evaluaties van de Wet inburgering 2021 van belang, aldus de minister. Deze evaluatiemomenten zijn voorzien in het najaar van 2025 en in 2027. (zie noot 43) Hieruit leidt de Afdeling af dat de taakstelling naar verwachting blijft gelden tot na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (voorzien medio 2026) en het vervallen van de uitzondering voor onzelfstandige woonruimte (voorzien 1 jaar na inwerkingtreding).
Nu de taakstelling, zoals de regering heeft benadrukt, het fundament vormt van de Wet inburgering 2021, begrijpt de Afdeling dat de regering afschaffing hiervan niet mogelijk acht zonder dat een alternatieve regeling is ontwikkeld. Ook is begrijpelijk dat dit tijd kost en samenwerking vergt tussen alle organisaties die bij de inburgering zijn betrokken. Inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel voordat de taakstelling is afgeschaft, brengt gemeenten in een spagaat. (zie noot 44) Als gemeenten vergunninghouders niet meer als urgentiecategorie mogen aanwijzen, verliezen zij een belangrijk instrument dat zij kunnen inzetten om te kunnen voldoen aan de taakstelling.
Volgens de regering hebben de gemeenten alternatieven om te voldoen aan de taakstelling, ook zonder dat zij voorrang toekennen aan vergunninghouders op grond van hun status. Zij kiest als vertrekpunt dat binnen een jaar na inwerkingtreding de randvoorwaarden voor ‘normalisering’ van de positie van vergunninghouders zullen zijn vervuld. De Afdeling wijst hierbij op hetgeen zij in onderdeel 2 en 3 heeft opgemerkt, in het bijzonder op het feit dat het niet realistisch is dat de maatregelen die de regering wil nemen om de startpositie van vergunninghouders op de woningmarkt te ‘normaliseren’, voor 1 juli 2027 het benodigde effect zullen hebben. Gelet op de wettelijke taakstelling worden gemeenten hierdoor in een zeer moeilijke positie gebracht. De Afdeling acht dat niet aanvaardbaar.
5. Conclusie
De mogelijkheid voor gemeenten om vergunninghouders als urgentiecategorie aan te merken is een instrument om de verschillen tussen vergunninghouders en andere woningzoekenden te compenseren. Het wegnemen van dit instrument zonder dat voorzien is in een gelijke startpositie voor vergunninghouders op de woningmarkt levert strijd op met het in de Grondwet verankerde recht op gelijke behandeling, zonder dat daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Het is onrealistisch te verwachten dat de maatregelen die de regering aankondigt om de vereiste gelijke startpositie te bewerkstelligen, tijdig (dat wil zeggen: vóór 1 juli 2027) het benodigde effect sorteren. Daarbij komt dat het voorstel in samenhang met de wettelijke taakstelling om een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten, gemeenten in een zeer moeilijke positie brengt. Op grond van deze aspecten tezamen kan de Afdeling over het voorstel niet positief adviseren en adviseert zij het wetsvoorstel niet in te dienen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft ernstige bezwaren tegen het voorstel en adviseert het niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De vice-president van de Raad van State
Een wet – en dat geldt zeker voor de grondwet – dient in overeenstemming te zijn met het algemene rechtsgevoel. En daaraan wordt in de uitspraak van de Raad van State volledig voorbijgegaan. Mede gezien de grote financiële inspanningen die de Nederland, via gewone belastingbetaler, voor de opvang van vluchtelingen doet, is voor voorrang voor statushouders op de woningmarkt amper draagvlak en nauwelijks begrip.
De uitspraak van de Raad van State leidt alleen tot steeds verdergaande polarisatie en tweedeling in onze samenleving, gegeven de intimidatie en overlast die grote groepen vluchtelingen al veroorzaken. Daar waar de belastingbetaler juist enige dankbaarheid van hen verwacht. Het leidt alleen tot steeds extremere verrechtsing en gewelddadige rellen als afgelopen zaterdag.
De blanke autochtone Nederlander, wiens ouders en voorouders dit land economisch hebben opgebouwd en de rechtsstaat, ook in sociaal opzicht, vorm hebben gegeven, komen mede door dit soort uitspraken, recht tegen over elkaar te staan.
Wat een onzin schrijf je weer op, boze blanke Kleine Kees!
De uitspraak van de Raad van State staat je niet aan, en dan ga je gekke dingen schrijven.
Houd een sop!
Extreem Gelijk doet een wegmetonsje.
Gekke dingen Gelijk?
– Een wet hoeft volgens u niet in overeenstemming te zijn met het algemene rechtsgevoel?
– Is er in de samenleving volgend u een (groot) draagvlak voor voorrang voor statushouders voor toewijzing van sociale huurwoningen?
– De kosten van opvang van vluchtelingen en statushouders worden die niet door in feite de blanke, autochtone Nederlander opgebracht?
– En zodra vluchtelingen status hebben blijft dan niet meer dan 50% niet altijd afhankelijk van een bijstandsuitkering? Opgebracht door dezelfde blanke, echte Nederlander? Een uitkering waarmee die statushouders naar het hen ontvluchte land op vakantie gaan, per vliegtuig?
– Die vluchtelingen en statushouders geven geen overlast? Intimideren blanke meisjes en vrouwen niet? Stelen niet? Plegen geen overvallen? Accepteren die vrouw als gelijkwaardig aan de man en volgen de aanwijzingen van vrouw braaf op?
– Is dit niet ‘gek’, ondankbaar en onacceptabel naar het land dat hen zo ruimhartig toetreedt?
@Kleine Kees,
En al de door jou genoemde nadelige gevolgen verdwijnen als je ze nog langer op een woning laat wachten?
En Gelijk:
– Als ik schrijf dat deze uitspraak van de Raad van State leidt tot verdere polarisatie en tweedeling in ons land leidt omdat aan de ene kant de blanke, autochtone Nederlander staat, die een deel van zijn inkomen via de belasting afstaat aan statushouders en vluchtelingen en aan de andere kant de ondankbare nieuwkomers die ongegeneerd beslag leggen op schaarse, in feite veel te korte woonruimte, is dat dan gek? Of dom? Og extreem rechts? Naast het feit dat zonder deze vluchtelingen en statushouders de gezondheidszorg in Nederland meer dan voldoende zou zijn?
Nee Max. Die verdwijnen niet. Klopt. Maar heel misschien realiseren ze zich dat het hier niet vanzelf gaat. Joodse vluchtelingen uit Duitsland die Zwitserland wisten te bereiken, waren muisstil. Gingen in de goot lopen als een echte Zwitser op de stoep liep. Pas op! Zeg niet dat dat goed was en dat hier het geval hoort te zijn. Maar je dochter of zoon op je vliering met 1 kind of 2 kinderen zal maar een ‘hokkie’ nodig hebben. En je ziet dat een mooie huurwoning weer gaat naar een vrouw met 5 kinderen van 3 vaders uit Eritrea. Kinderen rijdend op fatbikes, gratis zwemles en de gymstuif. En zeg nou niet dat dat niet zo is. Ook hier in ons dorp. Dan gaat kleine kees slaan……
En Gelijk. Is het dan gek dat ik schrijf dat excessen van extreem rechts en rellen als vorige zaterdag gaan gebeuren? Gelijk. Woon jij bij onze ruimhartige binnengehaalde muzelmannen? Met baarden als Van Baarle?
In 2085 als, wat extreem rechts noemt, de omvolking een feit is, onze kleinzonen door de muzelmannen zijn gemarteld en vermoord. Onze kleindochters zijn verkracht. En Gelijk zit, gevlucht, in een omgebouwdevMaersk container in Denemarken, dat de blanke opvangt, zal hij denken aan de woorden van Kleine Kees.
Een van de twee kerntaken van de Raad van State is het controleren of wetsvoorstellen uitvoerbaar en conform de grondwet zijn. Het resultaat daarvan communiceren ze.
Dat het resultaat Kleine Kees niet aanstaat zal de Raad van State een worst wezen. De Raad van State heeft niet in haar taakomschrijving staan om de welgevalligheid van haar uitspraken te wegen ten opzichte van het rechtsgevoel. Ze doet haar werk, brengt verslag uit. Dat Kleine Kees door dat verslag op zijn teentjes getrapt is is jammer, maar dat dient hij maar te verwerken, want het laatste wat we willen is onafhankelijke adviesorganen het zwijgen opleggen omdat de uitkomsten ons niet aan zouden staan. Vrijheid van meningsuiting en waarheidsbevinding is een groot goed. En daar blijf je maar met je poten vanaf.
Overigens heeft deze uitspraak geen ene ruk met Waterland te maken, anders dan dat de naam Keijzer er 2x in staat. Maar de webmaster weet uit ervaring dat dit soort artikelen een hoop gezeik (lees comments) en dus kliks en dus een paar views opleveren. Beetje jammer wel.
Het blijft belangrijk om statushouder niet te bevoordelen ten opzichte van andere woningzoekenden in Nederland. Ik ga het advies van de Raad van State uiteraard goed bestuderen maar ben nog steeds voornemens het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen.
Typo; Minsiter.
Als het inderdaad Minister Mona Keijzer is die hier post, dan zal dat kliks opleveren.
Terzijde dit.
Dikke Koek heeft geen zoon van begin veertig die bij hem op de vliering slaapt en waar in het weekend 1x in de twee weken zijn twee kinderen in de puberleeftijd ‘te gast’ zijn. En heeft ook geen huilende dochter van 24 jaar die het bod van haar en haar 27 jarige vriend van € 0,4 miljoen op een smalle Korea woning met € 70 k overboden zien.
Een betaalbare huurwoning is onbereikbaar, vanwege de wir-war aan regelgeving en ontbreken van een ‘zielig’ rugzakje.
En het wetsvoorstel van Mona Keizer, vol met vangnetten, zou pas halverwege 2027 volgens planning beetje effectief worden…
Ik heb geen woord gerept over de ernst van de woningscrisis. Wat ik duidelijk maak is dat je niet moet zeuren dat de Raad van State haar werk doet.
De politiek is verantwoordelijk voor de huidige situatie. Niet de Raad van State. Dat je voor mij een soort situatie schetst zonder te weten wie ik ben is een groot zwaktebod. Misschien is Dikke Koek wel die zoon van 40 die ondanks keihard werken geen huis kan kopen en noodgedwongen bij zijn ouders op zolder zit.
Maar als je verders geen argumenten meer hebt kun je dat ook gewoon zeggen.
Het hoort De Raad van State wel degelijk ‘een worst’ te wezen wat de ‘Kleine Kezen’ van haar uitspraken vinden. En niet verder te kijken dan haar eigen Barleus-bubble.
Door dit soort uitspraken, gebaseerd op wetgeving waarbij situaties als thans en de gevolgen ervan niet konden worden voorzien toen die wetgeving van kracht werd, keert de burger zich steeds verder af van de overheid en de ‘normale’ politiek. Met toename van extreem-rechts, het daarmee gepaard gaande geweld als gevolg en het elkaar ‘scheef’ aankijken.
De Raad van State mag schrijven wat zij wil. De ‘Kleine Kezen’ ook. Die mogen ook hun feedback geven aan de Raad van State. Hoe die dat ook willen. Inderdaad. Daarover zijn we het eens. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. En die mag ook volgens de geldende wetgeving fout zijn. En daar mag je, als belastingbetaler, met ‘je poten’ in een democratie ook aankomen.
Kleine Kees,
Je spreekt de verkeerde instantie aan. We leven in een democratische rechtsstaat.
De Eerste en Tweede Kamer bepalen de wetten. De wetgevende macht.
Het kabinet voert de wetten uit. De uitvoerende macht.
De rechterlijke macht handhaaft de wet. En toetst ook een wetsvoorstel aan de grondwet en andere wetten.
Als een uitspraak je niet bevalt moet de wet gewijzigd worden. Dus bij de volgende verkiezingen moet je goed kijken op welke partij je stemt. Als een meerderheid het met je eens is krijg jij je zin en anders niet.
Zo werkt het in onze democratie.
Stemmen? Hahahaha!
Het regeerakkoord van de VerNederdLandse politiek staat al vóór de verkiezingen vast.
Daar mogen de splinterpartijen dan omheen dansen, terwijl Het Men en de BraafSlaven weer in hun eigen drol trappen.