Vanuit Edam over de Purmerbrug direct rechtsaf. Ik zie de mooiste bocht die deze polder nog rijk is. Ik hou de blik naar links en ontmoet een lage Septemberzon over de velden vol stoppels van de pas geoogste mais. Strakke rechte lijnen in droge grijze klei. Het oog van Vincent zou hierop gevallen kunnen zijn.
Hier en daar een vogel scharrelend tussen de rijen. Beneden aan de dijk een Lepelaar in de sloot. Heen en weer gaat zijn bijzondere snavel door het water. Ik sta even stil en beleef, ondanks de verkeersweg in de verte, het moment van rust.
Mijn herinnering geeft beelden van toen. Op de knieën over de vaak harde klei aardappels rapen met leeftijdsgenoten. 80 cent per 100 meter was de beloning. We gingen van boer naar boer en kropen de knieën kapot. We zagen honderden kievieten capriolen maken rond hun nest. De natuur was weids en schilderachtig.
Verderop, nog wat koeien in het groen en aan het eind van de zichtlijn een rij bomen met schitterend geel herfstblad. Aan de linkerkant zie ik hopen zand, kranen en de naderende industrie. Rijen zwarte dozen als toekomstbeeld. Dreigend naderen ze dat deel dat nog iets in zich heeft van de tijd die je op oude ansichtkaarten ziet.
Het zal niet lang meer duren. Het is de tijd van altijd maar groeiende economie, expansiedrift en de verbruiksmaatschappij. Blijkbaar zijn er geen andere opties. Edam is straks een stadje in een veel bekeken kijkdoos waar je je als inwoner steeds meer opgesloten voelt door benauwende omgevingsfactoren. Ik blijf nog tien minuten zitten en leg het stoppelveld vast in mijn geheugen. De Lepelaar stijgt op. Als ik het niet wegstop kan ik wel janken.
Jaap Slegt