We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Het was een warme week met daarin veel gemengde gevoelens. Het begon al op die dinsdag toen we met het voltallige werkteam weer eens op locatie in de stad bij elkaar waren. In de ochtend was er een drie uur durende sessie met een coach die meteen al prikkelende vragen stelde waarop iedereen verrassend eerlijk antwoordde. We hebben elkaar ook al zo lang niet meer gezien, verontschuldigde ik me terwijl ik de waterlanders schielijk uit mijn ooghoeken veegde. Het kon natuurlijk ook komen doordat ons team puur uit vrouwen bestaat, die stellen zich doorgaans kwetsbaarder en opener op dan mannen en deert een traantje meer of minder niet zo.
Ik kan snikken om een tekenfilm over een hertje met een dode mama en raak altijd ontroerd door onschuldige oude mannetjes, maar normaal gesproken ben ik niet zo sentimenteel en weet ik me altijd goed te beheersen in gezelschap. De vrijdag daarna was ik opnieuw in een broeierig Amsterdam om op te passen op onze derde kleindochter. Omdat hij geen zomerslaapzak kon vinden sjorde mijn man de kleindochter voor haar ochtendslaapje maar in een winterversie, met lange mouwen, omdat ze zonder nu eenmaal moeilijk in slaap valt. Het wichtje was snel onder zeil en we konden haar ook niet meteen wakker maken, dat is doodzonde. Na anderhalf uur ging ik schoorvoetend naar boven, ze zou inmiddels wel uit haar ledikantje zijn gedreven. Kletsnat van het zweet staarde ze me lodderig aan en ik moest met een natte theedoek in de weer om de schat weer bij positieven te brengen.
Later die dag gingen we wandelen in het park om af te koelen onder de bomen. In de zandbak keurde de ondernemende kleindochter van 15 maanden haar emmertje en schepje geen blik waardig. Ze ging liever op pad naar de glijbaan en het terras, socializen met andere kindjes en grote mensen. Ik liet haar maar een beetje begaan waarbij ze prompt de hoogte van de zandbakrand verkeerd inschatte en haar kleine kinnetje gemeen schaafde. Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld en dat door een ervaringsdeskundige (groot)moeder.
De zaterdag erna gingen we naar de camping van oudste dochter en schoonzoon die daar hun laatste voorseizoenweekend beleefden en die ons daar graag deelgenoot van maakten. Maar eerst nog even een uitvaartmis te gaan, van de broer van een zwager, een weduwnaar van nog maar 69 jaar oud. Daar, in die aangenaam koele kerk, met de vertrouwde beelden, kleuren, altaren vol tierelantijnen en dierbare zussen en schoonzussen naast me in de kerkbank, stroomden de tranen al bij de eerste koorzang over mijn wangen. Ik drukte de gestreken zakdoek, met 4711 Kölnisch Wasser eroverheen gesprenkeld, als een talisman tegen mijn neus.
Niet zo janken mens, sprak ik mezelf beschaamd toe. Maar tegelijkertijd was het fijn om het zout op mijn gezicht te proeven, het verdriet en de immense liefde om me heen te voelen. Al die beetjes van leven die daar samenkwamen, gebald, gebundeld in de plechtige samenzang van de mannen van het koor – een licht vibrato in de oude mannentenor – die afscheid namen van hun medekoorlid, vol van eerbied en erbarmen.
De dag erna was het Vaderdag en mocht ik mee smelten bij de foto’s van kleindochters waarop ze versjes voorlezen aan hun geliefde Pa. Heel eventjes ben ik terug in het verleden dat zich eindeloos en liefdevol mag herhalen.