We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Vorig jaar rond deze tijd schreef ik een column over gewone dagelijkse dingen die niet goed voor het gemoed zijn. Kleine ergernissen zoals vallende filters met koffiedrab op de keukenvloer en een bushokje in gruzelementen, voor de zoveelste keer. Toen was er al wel Corona, maar daar waren we in Nederland nog niet van doordrongen. Toen bestond Carnaval nog en ging men op wintersportvakantie. En er waren feestjes, heel veel feestjes: wáar is dat feestje, híer is dat feestje! Ik vond het een jaar geleden dan ook helemaal niet ongemakkelijk om mijn lezers een persoonlijk lijstje te presenteren van dingen waar ik niet zo blij van werd. Dat zou ik nu niet meer kunnen maken. Een beetje gaan zitten chagrijnen over futiliteiten terwijl er in dit afgelopen jaar zoveel ellende over ons heen is gestort. Het wordt hoog tijd voor een beetje vrolijkheid. En daarbij moet ik zeggen dat de lust tot het zaniken en zeuren om pietluttigheden mij inmiddels wel is vergaan.
Ik had er al enige aanleg voor, maar nu ben ik een echte meester geworden in het tellen van mijn zegeningen. Ik herken ze zelfs wanneer ze zijn vermomd of verscholen achter aanvankelijke teleurstelling. Ieder glimpje van tevredenheid, van opluchting en van het bij nader inzien merk ik al van tevoren op. Ieder wenkend strohalmpje weet ik op te sporen waar ik me dan met een veilig gevoel aan vastklamp. Niet eens zozeer vastklamp, dat klinkt zo wanhopig en die gemoedstoestand is nu juist het tegenovergestelde van het gevoel dat ik bedoel. Het mooie is juist dat ik (me) niet meer heel stevig hoef vast te houden, maar veel eerder los kan laten.
Nu moet ik er wel bij vertellen dat het eenvoudiger loslaten waarschijnlijk te maken heeft met het klimmen der jaren. Toen mijn zussen en ik nog jonge meiden waren ging er wel eens iets niet door, een feestje of een schooluitje, of je had de griep of een gebroken been en kon daardoor niet mee. Of je had je ergens mateloos op verheugd en dat werd dan om een of andere lullige reden afgezegd. Bovenop die dompers en schitterende illusies die uiteen waren gespat, wreef onze moeder dan altijd nog wat zout in de wond en sprak zij de gevleugelde woorden: “Kind, kind, je krijgt nog zóveel teleurstellingen in je leven te verwerken”. Op die momenten kromp ik dan ineen door dat zout en door dat grote gebrek aan empathie. Maar nu weet ik dat moeder gelijk had, zoals zo vaak, bijna altijd. En ik herhaal diezelfde woorden tegen mijn dochters, wanneer het hen eens tegenzit.
De laatste zin van bovenstaande alinea zou een mooie afsluiting van deze column zijn, ware het niet dat dit stukje nog zo’n tachtig woorden nodig heeft. Oké, dan kom ik nu, zoals vorig jaar beloofd, met een paar van mijn favoriete dingen: de filmmusical The Sound of Music (‘my favorite things’, dat nonnenkoor!!), blije mensen op het ijs in de haven, de geur van vers gemaaid gras, de aanblik van hooibalen, bermen vol fluitenkruid in mei, schoon beddengoed op vrijdag, de verrassing wanneer Pa ’s morgens vroeg warme flippen had gehaald en die rijkelijk belegde met boter en suiker. Knappe jonge Volendammers, badend in een ijswak.