De metrolijn die als een halve krans rond de westkant van Amsterdam ligt – metro is eigenlijk een vreemde benaming, want suggereert een ondergrondse (metro is ‘moltrein’ in het Afrikaans) terwijl de treintjes van de GVB in dit deel van de stad alleen maar boven de grond zoeven – komt ook langs het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis.
Het AVL, in de volksmond. Al zegt de vrouwenstem die de haltes opleest, de volledige naam. ‘Heemstedestraat. Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis.’ En iedereen weet: het AVL is toch wel ‘foute bingo’. Want kanker is voor veel jongens uit de buurt weliswaar vooral een bijvoeglijk naamwoord in de overtreffende trap – het is kankerver naar de stad, waar het ook nog kankerdruk is, met kankerlange rij bij de kassa, et cetera – wanneer de foute celdeling daadwerkelijk in een lijf woekert, en het AVL het uitwijkoord is, dan is duidelijk dat het écht serieus is. Stapte de jongen in bij de Heemstedestraat? Of toch eentje eerder? Bij Lelylaan?
Ik weet het niet. Zo goed lette ik niet op. Het was zondagmiddag, iets na vier uur, en ik stapte in bij Postjesweg. Deze metro is op zondag eigenlijk alleen druk als Ajax speelt. Het is zo’n twintig minuten van Postjesweg naar de Arena. Een aanzwellende massa van rood en wit. Sjaaltjes, shirts, petjes, en het laatste stuk is het happen naar adem: bij Strandvliet en vooral bij Bijlmer Arena, verlaat de massa de metro, zoals een zak vol water leegloopt als iemand er in heeft geprikt.
Ajax had zaterdag al gespeeld en dus was het nu redelijk rustig. Waar ik ging zitten, zaten vijf andere jongens. Op lange banken, tegenover elkaar. Een van hen had een plastic Albert Heijn-tas. Vol bier. Flesjes Amstel. Midden twintig, waren ze. En te horen aan hun accent, de wat langgerekte L aan het einde, kwamen ze uit West-Friesland.
Ooit was ik in een café in Enkhuizen, op Koningsdag. Om me heen, toen, in mijn beleving, alleen maar gasten van één meter negentig. Grote gasten, blonde gasten, blos op hun wangen. Misschien zijn dit wel de zogeheten ‘gezonde Hollandse jongens.’ Of: uit de klei getrokken. Mannen in elk geval waarvan je weet: als we tegen hen moeten voetballen, op een regenachtige ochtend, op een hobbelig bijveld, krijgen we het zwaar. Reuzen. Gevoelsmatig, toch. Groot, luid, en – deze jongens in de metro, en destijds ook de mannen in de kroeg – vrolijk. Uitgelaten. Deze gasten waren op weg naar het Wintercircus. Dat is bij de RAI. Een reuzenrad, een glijbaan, een ijsbaan. Tentjes waar je kunt eten en drinken. Twee hallen met livemuziek, nepsneeuw, fast food, en bier. Veel bier, ongetwijfeld.
Indrinken, dus, eerst al in de trein, nu in de metro. Luide stemmen, harde lach, conversaties die iedereen kon horen. Misschien zat er in dit vijftal wel een theoretische natuurkundige, of iemand die oudtestamentische wetenschappen had gestudeerd. Al leek het waarschijnlijker dat dit jongens waren uit de bouw. Vroeg op, hard werken, in het weekend los gaan. Monteurs, dakdekkers, grondverzet. De metro stopte. Lelylaan? Heemstedestraat? Er stapten twee jongens in. Zeker een kop kleiner dan deze West-Friezen. Maar wel ongeveer even oud. Twintigers. Misschien nog begin twintig. Jongens van kleur. Een van hen had een wandelstok.
In Congo heb je een subcultuur van ‘sapeurs’. Dat zijn mannen en vrouwen die zich zo mooi mogelijk kleden. In Kinshasa, een miljoenenstad met permanente chaos, uitlaatgassen en armoede, is het hun missie om er onberispelijk uit te zien. In perfect driedelig pak. Alsof ze op permanent sollicitatiegesprek zijn. Ook wel enigszins dandyachtig. Lakschoenen, bolhoed, monocle. Wandelstok. En dat in een stampende miljoenenstad die wordt lamgelegd door hitte en stof. Sapeurs heb je niet in Nederland, dandy’s wel. En deze jongen, met zijn zorgvuldig gestyleerde haar, onberispelijke zwarte jas, en zijn wandelstok? Dandy?
Hij ging naast de kolossale West-Friezen zitten. ‘Zo, lekker biertje jongens! Ik wil er ook wel een! Ik heb wat te vieren.’ De jongens keken naar hem. Iemand diepte uit de Albert Heijn-tas nog een flesje Amstel op. Tuurlijk, dat kon, het was feest voor iedereen. ‘Ik maak ‘m voor je open!’ De jongen met wandelstok kreeg het biertje. Hief het omhoog. En zei: ‘Ik heb net gehoord dat de kanker helemaal weg is!’ De jongens vielen even stil. Qua, dit hadden ze ook niet verwacht.
Hij had een operatie gehad, vertelde de jongen met het pas gekregen flesje. ‘Ik wilde geen chemo.’ ‘Spannende operatie, denk ik?’, zei een van de vijf vrienden. ‘Ja. Het deel waar het zat hebben ze met een laser weggebrand. De dokter vertelde dat van de kanker die ik had, maar 10% overleeft. Daar hoor ik bij.’ De jongen naast hem, twee diamanten oorknopjes, bleek zijn jongere broer te zijn. ‘Wil jij geen slokje?’ ‘Nee.’ De jongen met de wandelstok, de overlever, zette het flesje Amstel aan zijn lippen. Hoofd iets naar achter, en toen, in een paar teugen, trok hij het flesje helemaal leeg.
‘2026, dat wordt jouw jaar!’, zei een van de jongens die hem, deze overlever, bier had gegeven. Hij lachte. ‘Dat wordt het zeker!’
En toen zei hij tegen zijn broertje: ‘Waar zijn we?’ Twee haltes verder. Ze moesten er alweer uit. Staande in de deuropening, vroeg de jongen met wandelstok nog: ‘Heeft een van jullie insta?’ Iemand riep een Instagramadres. Een zeer Hollandse naam, met wat cijfers er achteraan. De deuren schoven dicht. De overlever met zijn wandelstok en zijn broer met zijn diamantjes, stonden op het perron. Hij zwaaide naar de vijf West-Friezen.
‘Mooi man’, zei een van hen. ‘Dat hij het overleeft.’
En toen zette de metro zich weer in beweging.