Tijdens de Heilige mis voor de herdenking van de nieuwjaarsbrand 25 jaar geleden heeft Eric van Teijlingen een zeer indrukwekkende bezinning gehouden.
HOMILIE – HERDENKINGSVIERING 25 JAAR VOLENDAMBRAND ST. VINCENTIUSKERK – VOLENDAM, NIEUWJAARSDAG 2026
Vissersdorpen leven altijd dicht bij God. Denk aan Urk, Spakenburg, Volendam. Dat was niet alleen omdat Jezus vissers vroeg Hem te volgen (vlg. Mt. 4,18-22). De visserij was een hard bestaan. Op zee en aan wal. Het gevaar op de woeste zee was groot. Daarom hadden ze ontzag voor de schepping. Ontzag voor God.
Voor de visserij geldt dat de zee geeft… maar ook neemt; het water gaf je leven/bestaan, maar het water nam ook levens. Blij was de bemanning als zij weer veilig in de haven was, de heilige Maria, Sterre der Zee, dankend voor een veilige thuiskomst. Ze staat om die reden bij het havenhoofd. Maar het gebeurde ook dat botters niet terugkeerden: dat ze waren vergaan en de mannen verdronken. Het stortte hele gezinnen in diepe rouw en nog grotere ellende.
In onze verre familiegeschiedenis, in ons Volendammer dorp weten we van de ontzaggelijke macht en verwoestende kracht van het water. Iedere familie had er in het verleden direct of indirect mee te maken gekregen. Als dorpsgemeenschap schaarden we om onze familieleden en buren. We hielpen elkaar hier en daar, waar we maar konden. In de Sint-Vincentiuskerk was de requiemmis en de begrafenis achter de kerk. Daarna ging ’t leven door. De botters voeren weer uit. Er was ‘geen tijd’ om erover te praten. Wat was er te zeggen? Waarom zou je de ellende oprakelen? Emoties werden (op zee) weggezongen. ’t Leven was een rauwe leerschool. En het geloof bood daarbij houvast. Zo wisten we als vissersdorp met de vernietigende kracht van water om te gaan.
Maar bij de Nieuwjaarsbrand in die eerste uren van het jaar 2001, waarbij ’t Hemeltje in één oogwenk een hel werd, bleek dat vuur nog veel erger is. In het heel korte tijd was de verwoesting onoverzichtelijk groot. Veertien jonge mensen lieten het leven. Er waren honderden gewonden, voor het leven lichamelijk getekend. De Nieuwjaarsbrand stortte hele gezinnen in diepe rouw en nog grotere ellende. Niet alleen in Volendam, in heel Nederland maar tot ver daarbuiten was de verslagenheid groot.
Het is op dit moment niet de gelegenheid om in een notendop te beschrijven wat er die nacht was gebeurd en in de afgelopen 25 jaren. Samengevat is er een Volendam vóór en een Volendam ná de brand.
Ook is het besef wie nu de slachtoffers van de brand waren – zonder iemand tekort te willen doen – veranderd. Het waren niet alleen de omgekomen jongeren, maar iedereen die ‘in de brand was’, als ook zij die hulp boden, de hulpverleners, de mensen van Nicodemus. Het waren niet alleen de ouders van de omgekomen jongeren, maar ook hun broers en zussen, hun vrienden- en vriendinnengroepen en vele andere dorpelingen.
De een pakte het leven makkelijk op dan een ander. We beseften vele jaren later dat de Nieuwjaarsbrand meer kapot had gemaakt dan we toen vijfentwintig jaar geleden dachten.
In alle chaos toen bleek het geloof en de kerk een houvast. Er was chaos in de gezinnen, in families en in het dorp. De uitvaartmissen, de dagmissen, de stille tocht, het waren momenten van bezinning in die tijd.
Op de ochtend van Nieuwjaarsdag 2001 werden dezelfde Schriftlezingen gehoord als die wij nu gelezen hebben. Waar het evangelie verhaalt over het bezoek van de herders aan het Kind in de kribbe, dat hen door engelen was verteld, is de eerste lezing genomen uit het Oude Testament (Numeri 6,22-27). Het volk is Egypte ontvlucht, in het Bijbel het Land van Dood en Duisternis genoemd omdat je er niet vrij was om te leven, lees: de hel, om op weg te gaan naar het Beloofde Land, lees: de hemel. Ze stonden aan het begin van een levenslange levensroute (die veertig jaren zou duren door de woestijn) als de Heer aan Mozes de opdracht geeft hoe en met welke woorden de mensen te zegenen: dat alleen goede woorden klinken en dat je beschermd mag zijn; dat de Heer je ziet staan en gaan en dat de Heer je nabij is; dat de Heer je als het ware aankijkt en dat je vrede (met jezelf) mag hebben.
Bij de indrukwekkende stille tocht toen, sprak pastoor Jan Berkhout. Zoals oude Volendammers bij de haven op zondagavond als de vloot uitvoer hun mannen en zonen zeiden: Jongen, wat je ook zal meemaken, vertrouw altijd op God, sprak hij spontaan via de televisie de jongeren toe, die in de ziekenhuizen lagen of thuis herstelden. Hij zei: Blijf er als vrienden altijd voor elkaar: in goede maar ook de moeilijke momenten die straks komen. En dat is precies wat er de afgelopen 25 jaar gebeurd is. En toen werd er een Onze Vader en een Weesgegroet gebeden. Daarna sloot hij af met de zegen zoals de Heer Mozes had bevolen. Zo werden toen óók de woorden uitgesproken.
De afgelopen jaren waren er in een zee van alle ellende, verdriet, pijn en gemis, die met geen pen ooit te beschrijven zal zijn, ook vele, kleine zegeningen van goede woorden en gebaren van bescherming; vertelden we meer en meer wat je die nacht en sindsdien had meegemaakt, zoals de angst om daar dood te gaan, en deelden we de pijn van het herstel, tot op de dag van vandaag. De letterlijke pijn ook van de littekens, die voor altijd blijven bij een hele generatie en in ons dorp.
Ja, ieders verhaal van die nacht en alle dagen en nachten daarna, mag en moet uitgesproken worden en beluisterd worden. En dat gebeurt ook steeds meer. Op velerlei manieren. En dat is goed. Ieders verhaal doet er toe.
En naar ieder verhaal en iedere ervaring zou aandachtig geluisterd moeten worden. Ook al weten we het al lang. Niet alleen op televisie in dezer dagen, maar ook onderling alle andere dagen.
Het is nodig en goed om erover te praten. Het geeft je lucht en licht en leven. Want door te zwijgen en er niet over spreken, lijkt het of er niks was, maakt het alsof je niet bent.
’t Geloof van de uittocht uit Egypte, was het geloof in het leven. En dat leven werd door de Heer gezegend. En wij geloven ook. Daarom zijn we vandaag op dit moment ook hier in deze kerk. We geloven ook in het leven. Zelfs als het leven sinds die nacht nooit meer geworden is, wat er gedacht, gedroomd of gehoopt werd en dragen we in ons leven, ieder voor zich maar met God met elkaar, een grote pijn met ons mee. Een pijn met meer dan veertien namen en een afschuwelijke gebeurtenis, dat niemand opzocht en wilde, maar dat het leven hier voor altijd heeft veranderd. We hebben veel verloren; het heeft ons ook sterker gemaakt. Het hoort bij ons. Het maakt ons ons.
Moge God de veertien jongeren en allen die ook indirect door de Nieuwjaarsramp gestorven zijn, in zijn eeuwige liefde en licht zegenen. Moge God een ieder, als het leven moeilijk is, nabij zijn en vrede schenken. Moge God Volendam zegenen, waar mensen elkaar zien staan en voor elkaar klaar staan.
Mogen we zó gezegend zijn. Amen.