Na jaren van politieke strijd komen er weer landelijke regels voor de bouw van windmolens op land. Het kabinet wil dat de afstand tussen windturbines en woonhuizen in principe minstens twee keer de tiphoogte van de turbine bedraagt. Verder worden iets scherpere geluidseisen gesteld dan in de vorige set landelijke regels, die al meer dan vijf jaar geleden van tafel werd geveegd door de Raad van State. De bestuursrechter besloot toen dat er een uitgebreide milieustudie moest plaatsvinden naar de regels voor overlast door geluid, slagschaduw en lichtschitteringen.
Die studie is al jaren geleden uitgevoerd en in 2023 publiceerde het kabinet-Rutte IV een conceptversie van de nieuwe milieuregels voor windturbines, die de overlast voldoende zouden beperken. Maar die werden onderwerp van een politieke strijd en zijn tot grote frustratie van lokale overheden en energiebedrijven nooit ingevoerd. De bouw van windturbines is in de afgelopen jaren sterk afgenomen, mede door onzekerheid over de regels. Ook protesteren omwonenden vaak tegen de geplande komst van windturbines, omdat ze overlast vrezen.
Saillant is dat het kabinet-Jetten nu alsnog kiest voor vrijwel dezelfde normen die al drie jaar op de plank liggen. Dat blijkt uit een Kamerbrief die staatssecretaris Annet Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) en klimaatminister Stientje van Veldhoven vrijdag hebben verstuurd.
Kleine versoepeling doorgevoerd
Wel wordt er nog een kleine versoepeling doorgevoerd, omdat de beoogde afstandsnorm van twee keer de tiphoogte “beperkend kan zijn” voor de bouw van genoeg windturbines. Een provincie of gemeente moet straks kunnen bepalen dat windmolens in specifieke situaties toch dichter bij huizen of andere gebouwen komen te staan. Voor welke situaties dat geldt, wordt nog verder uitgewerkt. Bij de vervanging van bestaande windparken zal de afstandsnorm niet gelden. De nieuwe regels bieden duidelijkheid en zekerheid, zegt Bertram. “Met deze nieuwe regels brengen we diverse belangen – van omwonenden, woningbouwopgave en energietransitie – beter met elkaar in balans.” De normen worden later dit jaar voorgelegd aan de Tweede Kamer. Het is nog niet duidelijk wanneer ze vervolgens ingaan.
Conflict in kabinet-Schoof
Veel (uiterst) rechtse partijen zien überhaupt niets in nieuwe windmolens op land. Als ze er al komen, dan mag dat alleen op grote afstand van woningen, vinden zij. Een ruime Kamermeerderheid stemde vorig jaar voor een VVD-motie die opriep normen vast te stellen die ervoor zorgen “dat ten minste 80 procent van de huidige zoekgebieden voor windturbines op land afvalt”.
Eerder leidden de voorgestelde milieunormen tot een conflict binnen het kabinet-Schoof. Toenmalig klimaatminister Sophie Hermans wilde minder strenge eisen voor de bouw van windmolens, om meer groene energie te kunnen opwekken en de klimaatdoelen dichterbij te brengen. Maar zij had daarvoor PVV-staatssecretaris Chris Jansen nodig, die daar niets in zag.
Luttele uren voor de val van het kabinet-Schoof stuurde Jansen zelfs nog een briefje van één alinea aan de Tweede Kamer, waarin hij pleitte voor een afstandsnorm van vier keer de tiphoogte van een windturbine. Zijn ambtenaren hadden hem ontraden die brief te sturen zonder overleg met collega’s op andere ministeries, maar hij zette letterlijk een rood kruis door dat advies.
‘Afstandsnorm is schijnzekerheid’
Een coalitie van (energie)bedrijven, gemeenten, netbeheerders en milieugroepen riep vorig jaar op geen harde afstandsnorm in te voeren voor windturbines, maar te kiezen voor regels die draaien om de daadwerkelijke geluidsoverlast en slagschaduw. NedZero, de branchevereniging van windenergiebedrijven, zegt vrijdag blij te zijn dat er eindelijk duidelijkheid is over de regels. “Na vijf jaar gebrek aan regels weet de sector eindelijk waar hij aan toe is.”
Toch gaat de vlag niet uit bij de energiebedrijven. De geplande afstandsnorm leidt tot “schijnzekerheid en een forse beperking van de ruimte voor windenergie op land”, schrijft NedZero in een verklaring. De afstand tot turbines zegt volgens de vereniging weinig over daadwerkelijke overlast voor omwonenden. Voorzitter Jan Vos hoopt daarom dat het kabinet komt met “goede uitzonderingsgronden”.
